Kuenen, Philip Henry (1902-1976)

 
English | Nederlands

KUENEN, Philip Henry (1902-1976)

Kuenen, Philip Henry, geoloog (Dundee (Groot-Brittannië) 22-7-1902 - Leiden 17-12-1976). Zoon van Johannes Petrus Kuenen, hoogleraar natuurkunde, en Dora Wicksteed. Gehuwd op 2-4-1932 met Charlotte Susanne Wilhelmine Peizel (1909-1967). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren.

afbeelding van Kuenen, Philip HenryPhilip Kuenen stamde uit een geleerdengeslacht, waarvan niet minder dan zes leden aan een Nederlandse universiteit een professoraat verwierven. Hij groeide op in een gezin van vier kinderen, dat, door de Britse afkomst van zijn moeder, tweetalig was. Zijn vader was eerst, vanaf 1895, hoogleraar proefondervindelijke natuurkunde aan de universiteit van het Schotse Dundee en daarna, vanaf 1906, aan de Rijksuniversiteit te Leiden. In de laatstgenoemde stad doorliep Kuenen de HBS en liet hij zich in 1919 inschrijven als student in de geologie. Zijn jaar telde slechts twee studenten. Hun eerste leermeester was tot 1922 de paleontoloog prof. K. Martin en daarna de structuurgeoloog prof. B.G. Escher. Op 16 oktober 1924 legde Kuenen het doctoraalexamen af.

Nog geen jaar later, op 29 september 1925, promoveerde Kuenen, 23 jaar oud, bij Martin op het proefschrift The porphyry district of Lugano, west of the Valganna , waarvoor hij onderzoek had verricht in de omgeving van Martins favoriete vakantieoord. Deze dissertatie stemde hem echter niet tevreden, en hij zou er later nooit meer over spreken. Na zijn militaire dienstplicht te hebben vervuld als boordwaarnemer bij de luchtmacht was Kuenen tussen 1926 en 1934 achtereenvolgens assistent en hoofdassistent in Leiden. Hij hield zich hier vooral bezig met experimentele geologie en verrichtte onderzoek naar natuurkundige processen in de geologie.

Op aanbeveling van Escher - van wie hij zijn leven lang een portret op zijn studeerkamer had hangen - nam Kuenen in 1929/1930 als geoloog deel aan de eerste Snellius-expeditie in de oostelijke wateren van Nederlands-Indië. Deze wetenschappelijke tocht zou, mede door nieuwe methoden, zoals echolodingen, waarmee hij hier kennis maakte, grote gevolgen hebben voor zijn toekomstige activiteiten als marien geoloog. De bevindingen van de expeditie vonden hun weerslag in zes rapporten, waarvan het vijfde - betreffende geologische interpretaties van de bathymetrische resultaten, het ontstaan van koraalriffen en een beschrijving van bodemmonsters - geheel door Kuenen werd verzorgd. Daarnaast publiceerde hij afzonderlijke verhandelingen over door hem in de Indische wateren verricht onderzoek naar onder meer zeebodemsedimenten en zeebodemreliëf.

Tijdens de Snellius-expeditie had Kuenen verscheidene vulkanen kunnen bestuderen. Zijn belangstelling voor de vulkanologie, die reeds was gewekt door Eschers inspirerend werk op dit terrein, werd erdoor versterkt. Het bracht Kuenen ertoe niet lang na zijn huwelijk op het eiland Mull voor de Schotse westkust vulkanologisch onderzoek te verrichten. Toen bleek dat hij de eenzaamheid niet kon verdragen, zag Kuenen zich echter gedwongen dit veldwerk voortijdig af te breken. Deze ervaring droeg ertoe bij dat hij voortaan de voorkeur aan laboratoriumonderzoek zou geven.

In 1934 werd Kuenen als conservator met de leeropdracht geologie aangesteld aan de Groninger faculteit der Wis- en Natuurkunde, nadat de hoogleraarsstoel in alle geologische vakken hier twee jaar tevoren wegens bezuinigingen was opgeheven. Zijn onderwijstaak beperkte zich tot het verzorgen van enkele bijvakcolleges voor biologiestudenten, zodat er alle ruimte was voor experimenteel onderzoek. In 1939 verwierf hij wegens zijn talrijke wetenschappelijke publicaties en zijn bijdragen aan de Snellius-expeditie een persoonlijk lectoraat in de fysische aardrijkskunde, geologie en paleontologie.

De mobilisatie van 1939 dwong Kuenen de hoogleraarstoga te verruilen voor het officiersuniform. In de rang van reserve-kapitein was hij in mei 1940 met zijn tweedekker betrokken bij de luchtgevechten boven Rotterdam. Hij raakte er licht gewond en werd korte tijd door de Duitsers gevangen gehouden. Terug in Groningen zag hij aan het einde van dat eerste oorlogsjaar zijn onderwijstaak aanzienlijk uitgebreid. Nadat hun universiteit in november 1940 door de bezetter was gesloten, hadden de Leidse studenten geologie hun studie in Groningen voortgezet. Aangezien hier nu weer hoofdvakstudenten waren, werd in 1943 een poging ondernomen Kuenen een professoraat te bezorgen, een poging die om onopgehelderde redenen - mogelijk zijn antinazistische opstelling of zijn half-Britse afkomst - faalde. Pas in 1946 werd Kuenen in Groningen tot hoogleraar benoemd, en wel met terugwerkende kracht tot 1943. De uitnodiging om een leerstoel in Liverpool te bekleden sloeg hij af. Eveneens in 1946 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Dankzij Kuenen was het na de bevrijding weer mogelijk in Groningen geologie te studeren, zij het alleen tot en met het kandidaatsexamen. Deze laatste beperking vond de hoogleraar overigens allerminst een bezwaar. Indien er in Groningen een doctoraalopleiding was gekomen, zo liet hij weten, zou zijn wetenschappelijk oeuvre een aanzienlijk geringere omvang hebben gehad. Hoewel zijn voorkeur naar het onderzoek uitging, betekende dat niet dat Kuenen het onderwijs niet ernstig nam; hij schreef zelfs een artikel over de techniek van het doceren. Het aantal geologiestudenten in Groningen bleef echter gering: tot 1966 waren het er twee à drie per jaar. Aspirant-studenten ontmoedigde hij, bij gebrek aan toekomstperspectief, de geologie als loopbaan te kiezen. Elf maal trad Kuenen op als promotor. Hij was zijn promovendi tot grote steun, mede door zijn uitstekende beheersing van de Engelse taal. Maar ook al herleefde onder zijn hoogleraarschap de Groninger geologie, schoolvorming vond er nauwelijks plaats.

Kuenens wetenschappelijk onderzoek gold het geologisch proces en niet de geologische objecten of casuïstiek. In Groningen bestudeerde hij Drentse beken om inzicht te krijgen in het meanderen in het algemeen. Tevens zette hij hier zijn onderzoek naar strandhorens voort. In zijn laboratorium aan de Melkweg experimenteerde Kuenen met was om plooiingsprocessen na te bootsen en onderzocht hij in grote aquaria het ontstaan van afglijdings- en inzinkingsstructuren en gegradueerde gelaagdheid. In andere proefopstellingen werden het afslijten van rolstenen en de afronding en mattering van zandkorrels door hem onderzocht. Hij maakte berekeningen over de geochemie van de aardse sedimenthuishouding en bespiegelde over de aard en het verband tussen absolute en relatieve zeespiegelbewegingen. Kuenen verrichtte zijn onderzoek in hoofdzaak aan de schrijftafel en in het laboratorium, daar hij - in afwijking van de meeste geologen - door aanleg en opvoeding een sterke voorkeur had voor het uittesten van ideeën en hypothesen over geologische verschijnselen. Dit geschiedde overigens steeds met de eenvoudigste middelen. Buitenlandse bezoekers keken vreemd op wanneer zij bij een bezoek aan het Geologisch-Mineralogisch Instituut zagen met welke eenvoudige middelen de hoogleraar zijn vermaard geworden onderzoek had verricht.

Kuenens belangrijkste bijdrage aan de wetenschap lag op het gebied van de mariene geologie. Anders dan zijn veelal nog op Duitsland georiënteerde vakgenoten onderging hij daarbij sterk de invloed van R.A. Daly, hoogleraar geologie aan de universiteit van Harvard, zonder het steeds met hem eens te zijn. Ten aanzien van de vorming van atollen meende Kuenen bijvoorbeeld in navolging van Darwin dat daling van de ondergrond - meestal een vulkaanromp - de beste verklaring bood voor de verschillende rifvormen. Boringen op de atollen Bikini en Eniwetok in de Grote Oceaan bevestigden de juistheid van deze opvatting. De hypothese van Daly uit 1910, die atolvorming toeschreef aan de groei van riffen tijdens lage standen van het zeeniveau in de IJstijd, werd daarmee weerlegd.

Kuenens poging langs proefondervindelijke weg de hypothese van Daly te toetsen dat onderzeese canyons geen verdronken rivierdalen, maar submariene vormingen waren, liep op niets uit. Dit experiment bleek echter wel uiterst bruikbaar bij de bestudering van troebelingsstromen en de daardoor gevormde afzettingen, de zogeheten turbidieten. Juist met betrekking tot dit onderdeel van de geologie zou Kuenen baanbrekend onderzoek verrichten, waardoor hij een der grondleggers werd van de (experimentele) sedimentologie van diepwaterafzettingen. Zijn activiteiten op dit gebied leidden onder meer tot een nauwe samenwerking met de Italiaanse hoogleraar C.I. Migliorini, die gegradeerde lagen in de Apennijnen had bestudeerd en toen tot de conclusie was gekomen dat deze door troebelingsstromen moesten zijn afgezet. Voorts kwam Kuenen in contact met de Californische paleontoloog M.L. Natland. Diens opvatting dat niet alleen zand, maar ook conglomeraten in diep water waren gedeponeerd, was verworpen en zelfs bespot. Door het werk van Kuenen kreeg Natland erkenning.

In 1950 publiceerde Kuenen in New York zijn Marine geology , een synthetisch standaardwerk, waarin hij zijn op verschillende terreinen van de geologie verworven kennis had verwerkt. Het veel geraadpleegde boek gaf zo'n grote stimulans aan het zeebodemonderzoek dat het al betrekkelijk snel verouderd raakte. De auteur zag echter geen kans geheel alleen de grote hoeveelheid nieuwe onderzoeksgegevens in een tweede druk te verwerken. Kuenen schreef overigens niet alleen voor vakgenoten. Hij achtte het zijn plicht zijn kennis ook onder een niet-academisch publiek te verspreiden en deed daarom drie populair-wetenschappelijke boeken het licht zien. Over zijn belevenissen tijdens de Snellius-expeditie van 1929/1930 publiceerde hij in 1941 zijn Kruistochten over de Indische diepzeebekkens . In 1948 verschenen van zijn hand De kringloop van het water - in 1955 vertaald als Realms of water - en het samen met zijn Leidse collega I.M. van der Vlerk samengestelde Geheimschrift der aarde .

In het academisch jaar 1960/1961 was Kuenen rector magnificus. Op 18 september 1961 loste hij, die nooit zijn oratie had uitgesproken, maar wel twee maal - als conservator met leeropdracht en als lector - openbare lessen had uitgesproken, met zijn rectorale rede een, naar eigen zeggen, oude schuld in. Reflecterend op de aard en de omvang van zijn vak deed hij in Grenzen der geologische wetenschap een opmerkelijke aanval op wat hij zag als de expansiedrift van de fysische geografen, die steeds dieper op het terrein van de zuivere geologie doordrongen. Met deze rede kwam de aftredende rector in botsing met de in 1958 benoemde lector fysische geografie W.F. Hermans, die om die reden zelfs overwoog ontslag te nemen. Het zou niet de laatste maal zijn dat zij met elkaar in aanvaring kwamen.

In 1967 werd Kuenen door een ernstige geestelijke inzinking getroffen na het overlijden van zijn vrouw. Deze persoonlijke crisis deed zijn wetenschappelijke productie scherp dalen. Een andere hem tot neerslachtigheid stemmende factor vormde het aanvankelijke voornemen van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen om het Groninger instituut geleidelijk op te heffen en de gehele geologie aan de universiteit van Utrecht te concentreren. Uiteindelijk gingen deze plannen niet door, maar de spanningen waren Kuenen inmiddels te veel geworden. Na een emotioneel bezoek aan minister G.H. Veringa, waarbij hij hem de Penrose- en de Wollaston-medaille, de twee hoogste buitenlandse onderscheidingen voor zijn wetenschappelijk werk, had getoond, stortte hij in 1970 psychisch volledig in. De drastische inperking van de Nederlandse geologie beschouwde hij mede als een aantasting van zijn persoonlijke eer en een grove miskenning van zijn internationaal gewaardeerde werk. Op 1 januari 1972 ging hij in alle stilte met emeritaat. Hij zou nooit meer helemaal herstellen en bracht zijn laatste jaren door in een verzorgingsflat te Naarden. Hij overleed vijf jaar later, na een operatie aan een adergezwel.

Als sedimentoloog was Kuenen een internationale grootheid. Hij was de eerste die de mariene geologie, de experimentele geologie en het veldwerk integreerde. Daarmee oefende hij op talloze vooraanstaande vakgenoten grote invloed uit. Kuenen was de meest gelauwerde Nederlandse geoloog: hij ontving talloze hoge onderscheidingen, waaronder eredoctoraten in Dublin, Exeter en Kraków, het erelidmaatschap van de Britse, Belgische, Zweedse en Amerikaanse geologische genootschappen, alsmede het lidmaatschap van de American Academy of Arts and Sciences.

A: Correspondentie van Ph.H. Kuenen met Francis P. Shepard berust in het Scripps-Institution for Oceanography in La Jolla (Californië, Verenigde Staten).

P: De belangrijkste artikelen van Kuenen worden genoemd in de onder L vermelde publicatie van Bourgeois, 513.

L: L.M.J.U. van Straaten, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976 (Amsterdam 1977) 203-206; Joanne Bourgeois, lemma in Dictionary of Scientific Biography XVII, Supplement II (New York 1981) 509-514; E.W.A. Henssen, 'Willem Frederik Hermans tussen literatuur en wetenschap', in Het Oog in 't Zeil 9 (1992) 2 (jan.) 1-9; idem, ' ''Geen van mijn vijanden heb ik ooit zo bewonderd als deze''. Willem Frederik Hermans en Philip Henry Kuenen. De geleerde schrijver en de geleerde', in Maatstaf 42 (1994) 11/12 (nov./dec.) 39-43; idem, Uit de geschiedenis der Nederlandse geologische wetenschappen (Groningen 1995) 22-37, 53-60.

I: E.W.A. Henssen, Uit de geschiedenis der Nederlandse geologische wetenschappen (Groningen 1995) 63.

E.W.A. Henssen †


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013