Kunst, Jakob (1891-1960)

 
English | Nederlands

KUNST, Jakob (1891-1960)

Kunst, Jakob, etnomusicoloog (Groningen 12-8-1891 - Amsterdam 7-12-1960). Zoon van Egbertus Diederik Kunst, pianoleraar, en Geertruida van Houten, pianiste. Gehuwd op 4-10-1921 met Catharina Jacoba Antoinette van Wely (1897-1992), lerares Frans. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

afbeelding van Kunst, Jakob 'Ik ben er erfelijk mee belast', zou Jaap Kunst over zijn leven met muziek opmerken (de Volkskrant, 3-2-1953). De beide ouders waren als pianisten opgeleid aan Duitse conservatoria, en er werd thuis intensief gemusiceerd. Reeds op vijfjarige leeftijd kreeg Jaap op eigen verzoek vioolles. Toch ging hij in 1911, na het eindexamen gymnasium, geen muziek maar rechten studeren aan de Groningse universiteit. Terzelfder tijd kwam hij op vakantie in de ban van het waddeneiland Terschelling, waar hij het studieobject vond dat hem nooit meer zou loslaten: de volksmuziek. 'Hier leer ik, om zo te zeggen, de werktuigen smeden welke mij later van zo grote, ja onmisbare hulp zijn bij het musicologisch onderzoek in de Indische archipel', noteerde Kunst hierover in zijn autobiografie (p. 28). Als resultaat van dit eerste veldwerk publiceerde hij in 1915 - dus nog tijdens zijn studie - Terschellinger volksleven. Gebruiken, feesten, liederen , in 1916-1918 gevolgd door het driedelige Noord-Nederlandsche volksliederen en -dansen uit den volksmond opgeteekend , door hem voorzien van eigen piano-arrangementen.

In 1917 legde Kunst het doctoraalexamen af, maar een loopbaan als 'kantoor-jurist' - eerst drie maanden bij een vestiging van de Amsterdamsche Bank in Utrecht en daarna op de afdeling Onderwijs van de gemeenteadministratie te Amsterdam - bleek hem al gauw te benauwend. Toen in 1919 de reisbelemmeringen van de Eerste Wereldoorlog waren weggevallen, zag Kunst zijn kans schoon om Nederland te verlaten. Samen met een 'diseuse lyrique' en een pianist formeerde hij een voordrachtstrio, dat met geleend geld scheep ging naar Nederlands-Indië. In dit trio vervulde hij de rol van violist annex imitator van dierengeluiden. Tijdens deze freelance tournee - met 95 optredens in acht maanden! - hoorde Kunst op kerstdag 1919 in Djokjakarta voor het eerst de Javaanse gamelan. Dit was voor hem zo'n fascinerende ervaring dat hij besloot op Java te blijven om van deze muziek een nadere studie te maken. Om in zijn levensonderhoud te voorzien aanvaardde hij er in mei 1920 een betrekking als ambtenaar bij het departement van Gouvernementsbedrijven. Hier was Kunst - sinds januari 1922 in de rang van referendaris - eerst werkzaam op het Bureau voor Sociale Aangelegenheden en daarna bij de afdeling Algemeene Zaken. Van 1926 tot 1930 was hij tevens plaatsvervangend secretaris van de Verzoeningsraad voor de Spoor- en Tramwegen op Java en Madoera te Bandoeng, de stad waar hij van 1921 tot 1932 woonde.

In feite leidde Kunst een dubbelbestaan: enerzijds waren er zijn weinig bevredigende dagelijkse werkzaamheden als koloniaal ambtenaar en anderzijds zijn etnomusicologisch onderzoek, waaraan hij alle vrije tijd besteedde. In dit onderzoek kreeg het veldwerk een centrale plaats. Zijn technische uitrusting was voor die tijd zeer geavanceerd: naast foto's en films maakte hij honderden geluidsopnamen met de Edison phonograph (: wascylinders) en droeg hij steeds zijn zelf ontworpen monochord (: eensnarig toonmeet-instrument) met zich. Ondanks zijn grote liefde voor de traditionele inheemse muziek ging Kunst er echter niet toe over de te bestuderen muziek zelf te leren spelen of zingen. De sociale barrières tussen Javaanse musici en koloniale onderzoekers waren daarvoor te hoog.

De tijdens het veldwerk verzamelde informatie zou Kunst in de loop der jaren verwerken in een ononderbroken stroom van wetenschappelijke publicaties op het gebied van de traditionele Indonesische muziek in al haar verschijningsvormen. Zijn eerste Indonesische monografie, De toonkunst van Bali , verscheen in 1925. Hij schreef dit werk samen met zijn echtgenote, de lerares Katy van Wely, die zijn enthousiaste belangstelling deelde. Twee jaar later deed hij het baanbrekende werk Hindoe-Javaansche muziek-instrumenten, speciaal die van Oost-Java het licht zien.

In deze eerste Indische jaren onderhield Kunst hartelijke professionele contacten met de controversiële muziekcriticus en freelance publicist Johann Sebastian Brandts Buys, die eveneens in Indië onderzoek deed op het terrein van de volksmuziek. Beiden waren de eerste etnografisch werkende musicologen die zelf langdurig en intensief veldwerk verrichtten. Zulks in tegenstelling tot de eerste generatie etnomusicologen die zich zelden vanachter de schrijftafel vandaan waagde. Als gevolg van grote verschillen in persoonlijkheid en maatschappelijke positie groeiden Kunst en Brandts Buys echter zover uit elkaar dat hun relatie uitliep op een totale breuk. De wetenschappelijke band die Kunst met prof. E.M. von Hornbostel, hoofd van het Phonogramm Archiv in Berlijn, onderhield, was daarentegen wel van lange duur. Hij beschouwde deze grondlegger van de moderne etnomusicologie als zijn leermeester. In hun zeer uitvoerige correspondentie begon het theoretisch kader van de moderne, op de context gerichte etnomusicologie gestalte te krijgen. Tijdens zijn eerste Europees verlof in 1927 zocht Kunst Von Hornbostel op in Berlijn. Het werd een ontmoeting waaruit een hechte, jarenlange vriendschap voortkwam.

In deze verlofperiode hield Kunst vele lezingen in binnen- en buitenland. Tevens stelde hij - onder meer gesteund door de Leidse historicus prof. J. Huizinga - alles in het werk om officiële regeringserkenning van musicologisch onderzoek in Nederlands-Indië te verkrijgen. Tegenover de minister van Koloniën betoogde hij dat etnomusicologisch onderzoek in het muzikaal zo rijke Indië noodzakelijkerwijs een gouvernementsaangelegenheid moest zijn en niet behoorde te worden overgelaten aan particulier initiatief. Er ontstond een polemiek tussen Kunst en zijn rivaal Brandts Buys, waarbij laatstgenoemde de steun kreeg van de componisten Willem Pijper en Matthijs Vermeulen. Nadat er in de Volksraad tot drie maal toe over was gedebatteerd, werd Kunst ten slotte in 1930 benoemd tot 'Ambtenaar voor het systematisch musicologisch onderzoek in den Indischen Archipel' met als standplaats Bandoeng. Hij kwam daarbij in dienst van het departement van Onderwijs en Eeredienst, waarvan één van zijn beschermheren, B.J.O. Schrieke, directeur was. Er volgde een jaar van intensieve acquisitie- en veldonderzoeksreizen. Uit foto's, geluidsopnamen en muziekinstrumenten uit de hele archipel stelde Kunst een zeer omvangrijk Musicologisch Archief samen, dat werd ondergebracht in het Museum van het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen te Batavia, en in het beheer waarvan ook zijn vrouw een belangrijk aandeel had. Om zijn deskundigheid op dit terrein was Kunst van 1929 tot 1934 correspondent van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

De economische depressie leidde er al in december 1931 toe dat Kunsts unieke functie werd wegbezuinigd en hij als referendaris terugkeerde op de afdeling Algemeene Zaken van het departement van Gouvernementsbedrijven. Schrieke stelde Kunst daarop aan als secretaris, zodat deze hem op zijn dienstreizen naar de buitengewesten kon vergezellen om daar zijn vrije tijd aan musicologisch onderzoek te kunnen besteden. Vervolgens werd Kunst begin maart 1934 benoemd tot chef van de afdeling Kunsten, Wetenschappen en Eeredienst, intussen onverstoorbaar zijn onderzoek vervolgend. In het voorjaar van 1934 ging hij voor de tweede maal met Europees verlof. Zijn verblijf in Nederland werd echter om persoonlijke redenen steeds verlengd, waardoor van uitstel ten slotte afstel kwam. Indië zag hij nooit meer terug.

De 43-jarige Kunst vestigde zich met zijn gezin in Amsterdam, aanvankelijk onder financieel moeilijke omstandigheden. Hij probeerde aan inkomsten te komen door in binnen- en buitenland vele honderden lezingen over etnomusicologie en muzikale folklore te geven. Toen hij in januari 1936 werd benoemd tot conservator - later algemeen conservator - van het Koloniaal Instituut in Amsterdam ging het hem beter. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verhinderde evenwel een voorgenomen museale acquisitiereis naar Indië. In 1942 werd Kunst toegelaten als privaatdocent in de vergelijkende muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In zijn openbare les, De waardeering van exotische muziek in den loop der eeuwen , profileerde hij zich openlijk als bestrijder van latent eurocentrisme in de muziekwetenschap. Aan dezelfde universiteit volgde in 1953 een aanstelling als bijzonder lector in de etnomusicologie vanwege het Instituut voor de Tropen (voorheen Koloniaal Instituut). In zijn bij die gelegenheid uitgesproken inaugurele rede, Sociologische bindingen in de muziek , sloeg Kunst nieuwe wegen in met zijn pleidooi muziekbeoefening in de gehele wereld te bestuderen binnen een zo breed mogelijke maatschappelijke context.

Intussen was Kunst blijven publiceren. Na jarenlange voorbereiding verscheen in 1934 het tweedelige standaardwerk De toonkunst van Java , dat in 1949 als Music in Java in het Engels werd vertaald. In 1950 verscheen Musicologica. A study of the nature of ethno-musicology, its problems, methods and representative personalities , waarin hij de - nadien algemeen ingeburgerde - term 'etnomusicologie' voor zijn vakgebied introduceerde, ter vervanging van de traditionele benaming 'vergelijkende muziekwetenschap'. Met zijn publicaties - zowel monografieën als een groot aantal tijdschriftartikelen - bracht Kunst de verschillende muzieksoorten van de Indische archipel onder de aandacht van een internationaal publiek en verwierf hij zich allengs grote faam. Eerbewijzen bleven niet uit: in 1958 werd hij gekozen tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, en in 1959 werd hij voorzitter van de International Folk Music Council en erevoorzitter van de Society for Ethnomusicology. Het jaar daarop overleed Kunst aan keelkanker, de ziekte die hem toen al twee jaar lang het gebruik van zijn stembanden onmogelijk had gemaakt.

A: Het persoonlijk archief, met daarin o.a. correspondentie, maakt deel uit van de 'Collectie Mr. Jaap Kunst' en berust bij de faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam. Een ingang op een gedeelte van de correspondentie biedt Jaap Kunst. Correspondence 1920-1940. An annotated index . Samengest. door L.M. van Proosdij-ten Have en M.J. van Roon (Amsterdam 1992).

P: Bibliografieën in: (autobiografisch) lemma Jaap Kunst, in Die Musik in Geschichte und Gegenwart. Allgemeine Enzyklopädie der Musik VII (Kassel [etc.] 1958) 1899-1901; in de onder L genoemde publicatie Jaap Kunst. Indonesian music and dance , 242-246; in de onder L genoemde publicatie van Bake in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde... , 124-127. Jaap Kunst, Proeve van een autobiografie [Stencil] (Amsterdam 1956) bevindt zich in de onder A genoemde 'Collectie Mr. Jaap Kunst'.

L: Behalve necrologieën o.a. door Ernst Heins, in Kultuurpatronen 2 (1960) 1-4; Wouter Paap, in Mens en Melodie 16 (1961) 1-6; P.J.M[eertens], in Volkskunde 62 (1961) 27; Eduard Reeser, in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 19 (1960/1961) 4-5; A.A. Bake, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1960/1961 (Amsterdam 1961) 327-335; idem, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1961-1962 (Leiden 1962) 120-127: interview door H.G. Cannegieter, in Morks-Magazijn 41 (1939) II, 1-13; interview door 'Pennewip', in de Volkskrant , 3-2-1953; 'Mr. Jaap Kunst', in De Tijd , 11-8-1956; Linda Burman-Hall, Ethnomusicology in the Dutch East Indies during the interbellum [Ongepubliceerd congrespaper] (z.p. 1985); 'Short biography of Jaap Kunst' in de onder A genoemde publicatie Jaap Kunst. Correspondence... , 6-11; Marjolijn van Roon, 'From Bandung to Berlin. The correspondence between Jaap Kunst and Erich Moritz von Hornbostel, 1923 to 1936', in Oideion 1 (1993) 19-36; Jaap Kunst. Indonesian music and dance. Traditional music and its interaction with the West. A compilation of articles (1934-1952) originally published in Dutch, with biographical essays . Onder red. van Ernst Heins [e.a.] (Amsterdam 1994).

I: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1960-1961 afbeelding tegenover pagina 327.

E.L. Heins


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013