Kweksilber, Wilhelm (1912-1988)

 
English | Nederlands

KWEKSILBER, Wilhelm (1912-1988)

Kweksilber, Wilhelm, (pseudoniem H. Wielek), publicist en criticus (Keulen (Duitsland) 13-3-1912 - Amsterdam 7-9-1988). Zoon van Jankiel Kwekzijlber (later gewijzigd in Jakob Kweksilber), gemeenteambtenaar, later boekhouder, en Estera Perlmutter. Gehuwd op 28-8-1937 met Johanna de la Court (geb. 1913), assistent-boekhoudster. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (7-9-1951) gehuwd op 7-3-1952 met Willij Berg (1919-2004), vertaalster en publiciste. Dit huwelijk bleef kinderloos. Bij Wet 15-1-1948 (Staatsblad nr. I 20) genaturaliseerd tot Nederlander.

afbeelding van Kweksilber, WilhelmFormeel gesproken was Willi Kweksilber geen Duitser. Zijn ouders - uit Russisch Polen afkomstige joden, die zich in Keulen hadden gevestigd - hebben nooit de Duitse nationaliteit aangenomen; zij bleven staatloos. Willi bezocht aanvankelijk het joodse gymnasium in Keulen, later het openbare Friedrich Wilhelm Gymnasium aldaar. Als scholier gaf hij blijk van een grote culturele belangstelling en was hij politiek actief. Zijn wens journalist te worden ging onmiddellijk in vervulling toen hij, na het eindexamen in 1930, voor de West-Deutsche Rundfunk literatuur- en filmbesprekingen mocht verzorgen. Ook leverde hij bijdragen aan de Rheinische Zeitung . Kweksilber - sinds 1927 lid van de Sozialistische Arbeiter-Jugend en vanaf 1930 van de Allgemeine Deutsche Gewerkschaftsbund - maakte geen geheim van zijn politieke overtuiging en werd om die reden in het plaatselijk nazi-blad gehekeld en bedreigd. Na de machtsovername door Hitler, begin 1933, verbleef hij op een schuiladres. In april van dat jaar wist Kweksilber ternauwernood aan arrestatie te ontkomen en besloot hij Duitsland onmiddellijk te verlaten.

Kweksilber ging naar Amsterdam, waar hij zich voor steun bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) meldde. Hoewel hij verwachtte spoedig naar Duitsland te kunnen terugkeren, maakte Kweksilber zich het Nederlands in ijltempo eigen, zodat hij wat geld kon verdienen met journalistiek werk voor het dagblad Het Volk . Daarnaast ontving hij bescheiden financiële steun van de SDAP. Zijn kennis op cultureel gebied bleef niet onopgemerkt. Hij werd een veelgevraagde boekrecensent bij De Toorts , het orgaan van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, en hield weldra causerieën over literatuur voor de VARA-radio en culturele voordrachten op bijeenkomsten van de Arbeiders Jeugd Centrale.

In de onderling verdeelde Duitse emigrantenkringen in Nederland behoorde Kweksilber tot de groep rondom het sociaal-democratische 'Exil'-blad Freie Presse , dat in 1933/1934 met steun van SDAP en het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen verscheen. Overigens gaven Kweksilbers activiteiten in deze jaren - zowel door neiging als noodzaak - eerder blijk van een cultureel dan van een politiek gericht socialisme. Bovendien waren het steeds activiteiten 'mit dem Gesicht nach Deutschland', want het lag niet in zijn bedoeling zich voorgoed in Nederland te vestigen.

Sinds 1935 bediende Kweksilber zich in Nederland van het pseudoniem 'Heinz Wielek' - een samentrekking van het begin van zijn voornaam en het begin van zijn achternaam -, omdat hij als politiek vluchteling alleen op die manier kon publiceren. Zijn positie in Nederland bleef een tijdlang onzeker, want 'eerst na lange aarzeling' werd hem een voorlopige verblijfsvergunning verleend, die echter steeds werd verlengd. Pas zijn huwelijk met de Nederlandse Jo de la Court, in 1937, zou hierin verbetering brengen.

Na de Duitse inval in mei 1940 probeerde Wielek eerst aan de kost te komen met het geven van Duitse taallessen. Begin februari 1942 wist hij een betrekking te bemachtigen bij de zogeheten Expositur, een afdeling van de Joodsche Raad die de contacten met de Duitse autoriteiten onderhield. Hierdoor kreeg hij niet alleen toegang tot administratieve benodigdheden als stempels en formulieren, maar kon hij ook helpen bij het clandestien vrijlaten of verbergen van sommigen van de door de bezetter in de Hollandsche Schouwburg voor deportatie bijeengebrachte joden. Toen in juni 1943 zijn ouders en zuster Ruth - die begin 1937 eveneens de wijk naar Nederland hadden genomen - bij een razzia werden opgepakt, ging Wielek met hen mee naar het doorgangskamp Westerbork. Daar stelde hij alles in het werk om hen van deportatie te vrijwaren. Tevergeefs, want een maand later werden zijn familieleden op transport gesteld naar Polen, waar zij in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz werden omgebracht.

Als 'gemengd-gehuwde' mocht Wielek terugkeren naar Amsterdam, waar hij zijn werk bij de Expositur nog tot in 1944 voortzette, om vervolgens onder te duiken in de woning van zijn schoonouders. Wielek maakte zich deze tijd ten nutte door te werken aan een boek over de jodenvervolging in Nederland tijdens de Duitse bezetting, waarvan hij van zo nabij getuige was geweest en die hem zo diep persoonlijk had getroffen. Hij schreef dit werk in opdracht. Al in 1941 had uitgever Johan Winkler van de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij hem gevraagd deze geschiedschrijving, waarmee H. Hymans en J. Minkenhof, twee door de Duitsers weggevoerde joodse journalisten, een begin hadden gemaakt, te voltooien. Het ruim 400 bladzijden tellende boek - 'een historisch document, geboren uit het leed zelf dat het beschrijft' (p. 418) - zou in 1947 verschijnen onder de titel De oorlog die Hitler won . Wielek schreef het in een bewogen stijl, lichtte het toe met vele, op de Expositur verzamelde documenten, en gaf er ook zijn eigen oorlogservaringen een plaats in.

Dit persoonlijke leed deed Wielek in 1945 besluiten in Nederland te blijven: 'Ik heb nooit meer terug willen gaan. (...) Ik had genoeg van de Duitsers, ik wilde niets meer met hen te maken hebben' (De Groene Amsterdammer , 26-1-1983). De hem aangeboden baan bij de Duitse vakbeweging sloeg hij af; hij kon niet 'temidden van moordenaars' leven (Trouw , 5-3-1966). Zijn pseudoniem paste hij aan: van 'Heinz Wielek' werd het eenvoudigweg 'H. Wielek'. In 1948 kreeg de nog altijd staatloze Wielek eindelijk de Nederlandse nationaliteit. Ook in zijn privé-leven deed zich een verandering voor. In 1949 ontmoette hij tijdens filmpersvoorstellingen Willy Berg, journaliste bij het communistische dagblad De Waarheid , met wie hij - na echtscheiding - drie jaar later trouwde.

Na de bevrijding wilde Wielek eindelijk de bestaanszekerheid van een vaste baan. Die vond hij als ambtenaar bij de gemeente Amsterdam. Het was een betrekking in deeltijd, die hij sinds 1947 combineerde met het directeurschap van het Vormingscentrum van het weekblad Vrij Nederland . Na een meningsverschil zou Wielek deze functie in 1949 neerleggen. Inmiddels was een door hem ingediend plan goedgekeurd om bij de gemeentelijke Sociale Dienst een culturele werkgemeenschap in het leven te roepen. Aldus werd Wielek in 1946 hoofd van de afdeling Culturele Bijstand. Onder indruk van de vooroorlogse ervaringen was zijn aandacht in deze functie vooral gericht op werklozen. Met lezingen en cursussen en door het bezoeken van concerten en tentoonstellingen wilde hij hen bij de maatschappij blijven betrekken en hun meer zelfvertrouwen geven.

Naast deze werkzaamheden toonde Wielek zich een uiterst productief publicist. Voor een groot aantal kranten en tijdschriften, zoals De Vlam , Vrij Nederland , Het Parool , De Nieuwe Linie , Kroniek van Kunst en Kultuur en Tijd en Taak , schreef hij beschouwingen en kritieken over - vooral Duitse - literatuur. In de jaren vijftig en zestig recenseerde hij voor het Critisch Filmbulletin en was hij medewerker en redactielid van Film Forum en Critisch Film Forum . Als criticus toonde Wielek veel waardering voor de literatuur uit West-Duitsland, maar voor de cinema uit dat land had hij geen goed woord over: smalend sprak hij van 'confectiefilms' vol 'Trümmerromantik' en zelfmedelijden.

Wilde Wielek onmiddellijk na de bevrijding niets meer met zijn geboorteland te maken hebben, allengs zag hij in dat toenadering noodzakelijk was om een herhaling van de gebeurtenissen uit het verleden te voorkomen. Vanaf 1948 spande hij zich dan ook in om de Nederlands-Duitse betrekkingen te bevorderen. Hij deed dit door schrijvers als Erich Kästner en Heinrich Böll naar Nederland te halen en door zelf in de Bondsrepubliek lezingen te houden en te discussiëren met studenten en jongeren. Maar in de loop van de jaren zestig meende hij in West-Duitsland - parallel aan de economische opleving in dat land - een mentaliteitsverandering te bespeuren die hem ernstig verontrustte: 'Ik ontmoette ginds steeds minder eerlijkheid, steeds meer zelfbeklag en zelfvoldaanheid, steeds meer huichelarij en onverschilligheid' (Trouw , 5-3-1966). Wielek meende overeenkomsten te zien met de Republiek van Weimar. Hij maakte zich zorgen over de Duitse herbewapening en zag met afschuw aan hoe alle partijen in de Bondsrepubliek - inclusief de socialisten - in zijn ogen rechtser en chauvinistischer werden. Vooral tegen de maatregelen waarmee de West-Duitse regering aan het begin van de jaren zeventig probeerde het terrorisme van extreem links een halt toe te roepen, keerde hij zich met grote felheid.

Ook in een breder verband streed Wielek tegen vervolging en discriminatie en voor het behoud of herstel van democratische vrijheden. Zo was hij lange tijd bestuurslid en vice-voorzitter van de Nederlandse afdeling van de internationale schrijversbond PEN en maakte hij deel uit van het landelijke 5 mei-Comité, waarvan hij ook enige jaren voorzitter was. Een eigen initiatief was de stichting 'J'accuse', een begin mei 1969 door hem opgericht en voorgezeten comité van waakzaamheid tegen een in zijn ogen nog altijd levend fascisme. Het organiseerde grote bijeenkomsten in het Amsterdamse hotel 'Krasnapolsky' op 4 mei, direct na de jaarlijkse herdenking van de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog op de Dam. Het gesprek ging dan over racisme, onderdrukking en verzet, waarbij de actuele politieke situatie in landen als Zuid-Afrika, Chili, Griekenland en Vietnam breed werd uitgemeten.

Bij de oprichting werd Wielek lid van de Partij van de Arbeid (PvdA), waar hij tot de linkervleugel behoorde. Hoewel loyaal aan de partij was hij nog loyaler aan zijn eigen principes. Om die reden zegde hij in 1947 het lidmaatschap alweer op naar aanleiding van de steun van de PvdA aan de politiële acties in Nederlands-Indië, waarmee hij zich onmogelijk kon verenigen. Pas enkele jaren later zou hij zich opnieuw aanmelden, maar op partijbijeenkomsten zou men hem zelden zien. Daarom was het een volkomen verrassing dat hij op 10 juli 1973 vanaf een onverkiesbare plaats op de kandidatenlijst voor de PvdA in de Eerste Kamer kwam. Hoewel zijn strijdvaardige aard en geringe neiging tot compromissen hem weinig geschikt maakten voor het parlementaire werk, heeft hij zijn taken als Kamerlid steeds consciëntieus verricht.

Op 18 september 1978 - een jaar voor het verstrijken van zijn zittingstermijn - verliet Wielek de senaat. Een jaar eerder was hij bij de gemeentelijke Sociale Dienst met pensioen gegaan, terwijl hij in 1979 het voorzitterschap van zijn geesteskind, de stichting 'J'accuse', neerlegde. Toen begonnen zich de eerste verschijnselen te manifesteren van de ziekte van Alzheimer, die hem in de daaropvolgende tien jaren geestelijk steeds verder zou slopen en uiteindelijk geheel afhankelijk maakte van de hulp van zijn vrouw. Hij overleed in 1988, op 76-jarige leeftijd.

Wielek was een gedreven idealist, die in woord en geschrift onvermoeibaar streed tegen onrecht en onderdrukking. De eigen ervaringen met het nationaal-socialisme maakten hem als het ware tot 'de verpersoonlijking van het begrip waakzaamheid' (Cornelissen). Met argusogen volgde hij vooral de politieke ontwikkelingen in Duitsland, niet alleen zijn geboorteland, maar ook het land dat hem zoveel persoonlijk onheil had gebracht. Zijn houding jegens de Bondsrepubliek bleef daarom problematisch. In Nederland zocht en vond Wielek politieke en maatschappelijke integratie. Deze kwam tot uiting in de waardering voor de bijdrage die hij als publicist en spreker leverde aan het naoorlogse sociale, culturele en politieke debat en vond een tastbare bekroning in zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer. Paradoxaal genoeg was hij juist daar het minst op zijn plaats. Wielek was te veel idealist om ook een politicus te kunnen zijn.

A: Persoonlijk archief-H. Wielek in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicatie o.a.: Verse der Emigration [Bloemlezing] (Karlsbad 1935); De stem van Europa [Bloemlezing van verzetsgedichten] (Amsterdam [etc.] [1947]); 'Waarom ik niet naar Duitsland terugkeer', in Trouw , 5-3-1966; 'De laatste zomer van het oude Europa. Herinneringen van H. Wielek', in de Volkskrant , 7-7-1979; 'De Bondsrepubliek: voorbeeld of waarschuwing?' en 'Feiten en meningen', in Arthur Lehning [e.a.], Duitsland: voorbeeld of waarschuwing? (Baarn 1976) 23-57 en 79-83; 'De D-trein uit Duitsland', in Martin Schouten, Voor de oorlog. Herinneringen aan de jaren '30 (Amsterdam 1982) 162-165.

L: Behalve necrologieën o.a. door Igor Cornelissen, in Vrij Nederland , 17-9-1988, door Anet Bleich, in De Groene Amsterdammer , 21-9-1988, en door Theun de Vries, in PEN Kwartaal nr. 66/67 (sept. 1989) 52: Vragen aan en antwoorden van de minister van Justitie met betrekking tot de uitwijzing van J. Kwekzylber, in Aanhangsel tot het verslag der handelingen van de Tweede Kamer, 1937-1938 , pp. 43 en 71; interview door Huib Goudriaan, in Trouw , 1-2-1973; interview door Lisette Lewin, in NRC Handelsblad , 4-5-1973; interview door Jan van den Dungen, in Twentsche Courant , 3-12-1977; interview door Anet Bleich en Geke van der Wal, in De Groene Amsterdammer , 26-1-1983; Willy Wielek, 'Meegesleurd in de hel van een Alzheimerpatiënt', in Opzij. Feministisch Maandblad 24 (1996) 1 (jan.) 40-42. Op 20 mei 1966 zond de Duitse televisie het programma Der Emigrant. Patriot oder Verräter? uit, waarin een interview met H. Wielek door Wolf Littmann.

I: Het Parool , 14-9-1988.

A.J.C.M. Gabriëls


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013