Lion, Henri Julius (1806-1869)

 
English | Nederlands

LION, Henri Julius (1806-1869)

Lion, Henri Julius, journalist in Nederlands-Indië (Elberfeld (Pruisen) 23-3-1806 - Batavia (Java, Nederlands-Indië) 12-10-1869). Zoon van Henri Lion, legerofficier in Franse dienst, en Jeannette Wolace. Gehuwd op 9-12-1840 met Louisa Frederica von Griesheim (1825-1891). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon, die jong overleed, 5 dochters geboren. Bij Wet 17-12-1858 (Staatsblad nr. 103) genaturaliseerd tot Nederlander.

afbeelding van Lion, Henri JuliusOver de jeugd van Henri Lion is weinig bekend. Hij was de zoon van een Franse vader, officier in het Franse leger, en een Duitse moeder. Door diens dood op het slagveld heeft hij zijn vader niet of nauwelijks gekend. Lion werd grootgebracht door zijn moeder in Elberfeld. Na een veelzijdige opvoeding ging hij op achttienjarige leeftijd in het Pruisische leger, waar hij het tot onderofficier bracht. In 1829 in Nederlandse krijgsdienst overgegaan zette hij, het avontuur zoekend, zijn carrière voort bij het Nederlands-Indische leger. Eind november 1834 kwam hij in de rang van sergeant-majoor der infanterie op Java aan. Dankzij de aan een Indische militaire loopbaan inherente overplaatsingen heeft Lion - die van Indië hield en een scherp waarnemer was - zich een goed beeld kunnen vormen van de leefomstandigheden in de verschillende delen van de archipel. Die kennis zou hem later, als journalist, goed van pas komen.

In 1839 werd Lion benoemd tot adjunct-intendant, een officiersrang bij de militaire administratie. Wegens lichamelijke ongeschiktheid voor verdere dienst kreeg hij begin 1842 eervol ontslag. Inmiddels gehuwd, vestigde hij zich voorlopig in Soerabaja. Vanaf 1843 tot in het begin van de jaren vijftig probeerde hij zich - voornamelijk op Oost-, maar ook op Midden-Java - een bestaan op te bouwen als planter, vooral 'in de suiker'. Erg succesrijk is Lion daarin niet geweest, wat in niet geringe mate het gevolg was van zijn conflicten met het gouvernement en andere autoriteiten. Zijn flamboyante en weinig tot compromissen geneigde karakter lijkt goede werkverhoudingen nogal eens in de weg te hebben gestaan.

Vanaf omstreeks 1850 uitte Lion zijn gedachten over Indische aangelegenheden meermalen in brieven en brochures. Vanwege een aantal door de Nieuwe Rotterdamsche Courant geplaatste brieven van zijn hand, waarin een somber beeld werd geschetst van in de kolonie bestaande misstanden en hun oorzaken, moest hij zich in 1851 verantwoorden voor de rechter in zijn woonplaats Semarang. Het was het eerste drukpersproces in Indië. Toen Lion begin 1852 na een slepende rechtszaak was vrijgesproken, vertrok hij niet lang daarna naar Nederland, waar hij zich terwille van de opvoeding van zijn dochters terugtrok in Zutphen. Hij zou er verblijven tot het najaar van 1854.

Juist in die tijd was het eind 1851 door de regering ingediende ontwerp-Regeringsreglement - de 'grondwet' voor Indië - een belangrijk punt van discussie. De scherpe meningsverschillen tussen conservatieven en naar hervormingen in de kolonie strevende liberalen spitsten zich onder meer toe op de vraag, hoe vrij of onvrij de Indische pers in de toekomst moest of mocht zijn. Lion volgde de discussie over koloniaal-politieke kwesties vermoedelijk vooral via de pers. Het leidde tot een opmerkelijke wijziging van zijn standpunten. Had hij voordien kritiek geleverd op de ideeën van W.R. baron van Hoëvell, de leidende koloniaal-liberale deskundige in de Tweede Kamer, en bij een andere gelegenheid een vrije Indische pers vergeleken met 'een fakkel in handen van een blinde', in 1853 sloot Lion zich aan bij de koloniaal-liberale oppositie. Hij kwam nu ook in persoonlijk contact met Van Hoëvell en werkte mee aan diens Tijdschrift voor Nederlandsch Indië . In oktober 1854 verhuisde hij naar Den Haag en werd hij redacteur van De Indiër . Dit enkele jaren daarvoor opgerichte tijdschrift - 'ondier' werd het wel genoemd - was in de eerste plaats voor een Nederlands publiek bestemd en evenals Van Hoëvells Tijdschrift de koloniaal-liberale richting toegedaan.

Na zich in 1855 wederom een persdelict op de hals te hebben gehaald - hij had in zijn blad een oud-resident van Batavia belachelijk gemaakt - legde Lion in het najaar van 1856 de redactie van De Indiër neer en ging hij terug naar Indië. Begin 1857 vestigde hij zich in Soerabaja. Met verontwaardiging nam hij kennis van het recentelijk afgekondigde Drukpersreglement, dat de Indische pers aan banden legde. Over dat 'gewrocht der duisternis' - een kwalificatie van Thorbecke - zou hij zich vanaf 1858, toen hij journalist werd, herhaaldelijk zeer kritisch uitlaten.

In de loop van 1857 koos Lion wederom voor het plantersleven en kocht hij een onderneming in het Semarangse. Datzelfde jaar echter bracht een grote verandering in zijn leven. De uitgever W. Bruining verzocht hem de redactie van een in Batavia op te richten krant op zich te nemen. Na aanvankelijke aarzelingen gaf Lion aan deze 'even dringenden als voor hem eervollen aandrang' gehoor, verkocht zijn onderneming en werd de leider van het vanaf 2 januari 1858 verschijnende Bataviaasch Handelsblad . Dit was het - zoals het toen al werd genoemd - 'eerste politieke blad' in Indië. Behalve hoofdredacteur werd Lion mede-eigenaar van de nieuwe krant, die binnen enkele jaren het grootste nieuwsblad was in Indië.

Het dienen van het 'algemeen belang', dat in de eerste plaats stond Lion voor ogen bij het redigeren van het Bataviaasch Handelsblad . Vóór alles wilde hij in zijn krant het maatschappelijke verkeerde in de kolonie benoemen en bestrijden. Levendig geschreven, origineel en prikkelend waren Lions artikelen, maar ook vaak grimmig en nogal eens persoonlijk; te persoonlijk, vonden sommigen.

Voor flinke beroering in het vaderland zorgde het in de maileditie van 7 juni 1859 van Lions krant voorkomende 'Algemeen Overzigt', dat weldra het 'Indisch manifest' werd genoemd. Refererend aan de twee jaar daarvoor in Brits-Indië uitgebroken 'Indian mutiny' en waarschuwend voor een dergelijke ramp in Indië -'Een cirkel van vuur omringt Java, en Java is een mijn, die gemakkelijk te laden is' - gaf het 'manifest' op niet mis te verstane wijze uiting aan de grote onvrede in de kolonie. Schande werd er gesproken over de redacteur van dat 'vloekwaardige' blad, en in de Tweede Kamer werd om Lions verbanning gevraagd. Vanaf die tijd had men het over 'de losbandigheid der Indische pers'.

Was Lion in Nederland de gebeten hond, in Indië lag dat anders. Het daar als afzonderlijk pamflet verschenen 'manifest' werd door velen gelezen. Lions populariteit was ook de reden dat de autoriteiten aarzelden hem aan te pakken. In oktober 1859 zagen deze echter hun kans schoon naar aanleiding van een tweetal artikelen. In één ervan had Lion de schuld van het beroerde postwezen op Java gegeven aan het 'alwijze Ministerie van Koloniën, dat van de zucht voor kleinigheden en bijzonderheden behept, zelf niets tot stand brengt, en de Indische Regering daarenboven belet, ten minste iets tot stand te brengen.'

Lion werd eind februari 1860 veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, die hij vanaf april van dat jaar uitzat. Na tien weken werd hij ernstig ziek en kreeg gratie. In het najaar van 1860 vertrok hij naar Europa voor herstel. Waarschijnlijk om gezondheidsredenen was hij liever niet meer teruggekeerd naar de krant, maar daartoe gedwongen door het vertrek van zijn bekwame vervanger, H.A. des Amorie van der Hoeven, was hij eind 1861 terug in Indië om per 1 januari 1862 het redacteurschap weer op zich te nemen. Hoewel hij meer en meer moest overlaten aan medewerkers, bleef ook in de volgende jaren zijn krant het boegbeeld van de tegen Nederlands 'batig slot'-politiek strijdende kranten.

Zijn delicate gezondheid, maar vooral de teleurstellingen om het uitblijven van wezenlijke veranderingen in Indië werden Lion te veel. Per 1 augustus 1863 trad hij terug als hoofdredacteur van het Bataviaasch Handelsblad . Het was opnieuw Des Amorie van der Hoeven die hem verving. Lion, die ging werken in het landelijke op Midden-Java, bleef intussen als mede-eigenaar betrokken bij het blad. Dit gebeurde tot onvrede van zijn uitgever, die per 31 december 1865 het contract met hem opzegde, waardoor, overeenkomstig de bepalingen ervan, de krant volledig eigendom werd van Lion. Deze besloot nu wederom het leiderschap ervan op zich te nemen.

Lion was ook in de laatste fase van zijn redacteurschap trouw aan zijn opvattingen; hij bleef bovendien de polemiek zien als de beste methode om de situatie in de kolonie te verbeteren. Te stellig en apodictisch was Lion soms in die pennenstrijd; te weinig ruimte liet hij dan aan de meningen van anderen. Het gaf ergernis, niet het minst bij die publicisten die naar overtuiging dichtbij hem stonden. Uiterst beducht voor de alerte en scherpe manier waarop Lion misstanden signaleerde, bleven intussen de autoriteiten. Het was vanwege die zeer kritische toon dat het Bataviaasch Handelsblad in april 1868 geweerd werd uit de militaire kantine in Batavia.

De meest memorabele kwestie uit Lions laatste jaren was die rond Conrad Busken Huet. Eind 1868 werd bekend dat Huet, kort daarvoor hoofdredacteur van de Java-Bode geworden, zijn overtocht had laten betalen door de conservatieve regering, in ruil waarvoor hij minister van Koloniën J.J. Hasselman (1867-1868) had beloofd het Indische gouvernement te adviseren over maatregelen om de liberale, oppositionele pers aan banden te leggen. Duidelijk werd nu ook dat de minister in de eerste plaats Lion had willen muilkorven. Rond het 'geval Hasselman' barstte een geweldige rel los; onder aanvoering van Lion sleepte de koloniale pers Huet voor de 'rechterstoel van het publieke moraliteitsgevoel'. Omdat ook de aan de schandpaal genagelde redacteur van de Java-Bode niet om woorden verlegen zat, ontspon zich een venijnige, voor het krantenlezend publiek vaak uiterst vermakelijke, polemiek tussen Huet en zijn critici.

Na een kortstondige ziekte overleed Lion in 1869 op 63-jarige leeftijd. Onder grote belangstelling en met militaire honneurs - hij was gepensioneerd officier - werd hij begraven op Tanah Abang in Batavia. Vrijwel alle persorganen in Indië herdachten hem, en vrijwel unaniem brachten zij hem hulde voor de voortrekkersrol en voorbeeldfunctie die hij voor de Indische pers heeft vervuld. Nog bij zijn leven had hij van zijn collega's de erenaam 'vader van de Indische journalistiek' gekregen.

P: Behalve artikelen in de in de tekst genoemde kranten o.a.: Het kultuurstelsel en art. 56 van het Regeringsreglement (Batavia 1858); Hoe Indie geregeerd wordt ('s-Gravenhage 1861); Een uitstap naar Padang (Batavia 1869).

L: J.C. van Lier, H.J. Lion, een strijder voor de belangen van Indië (Batavia [etc.] 1870); Gerard Termorshuizen, 'Busken Huet en het ''geval Hasselman'' na honderd jaar', in De Gids 132 (1969) III, 139-149; Cees Fasseur, 'Een martelaar voor het vrije woord', in idem, Indischgasten (Amsterdam 1996) 91-117; Gerard Termorshuizen, 'De bittere waarheden van Henri Lion. Het Bataviaasch Handelsblad als ''eerste politieke krant'' van Indië', in De geest van Multatuli . Onder red. van Theo D'haen en Gerard Termorshuizen (Leiden 1997) 81-100.

I: Cees Fasseur, Indischgasten (Amsterdam 1996) 95.

G.P.A. Termorshuizen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013