Matser, Christiaan Gerardus (1904-1973)

 
English | Nederlands

MATSER, Christiaan Gerardus (1904-1973)

Matser, Christiaan Gerardus, bestuurder en politicus (Arnhem 1-6-1904 - Arnhem 5-2-1973). Zoon van Arnoldus Johannes Matser, metselaar, en Gijsberdina Smink. Gehuwd op 23-11-1927 met Anna Helena Hendrika Kok (1904-1979). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 4 dochters geboren.

afbeelding van Matser, Christiaan GerardusChris Matser kwam uit een rooms-katholieke familie van bouwvakkers. Hij was de oudste in een gezin met zes jongens en twee meisjes. Evenals velen van zijn leeftijdgenoten uit de volkswijk 'Klarendal' stond hij als jongen geregeld op de steigers om zijn vader bij het metselen te helpen. Chris ging naar de MULO en werd vervolgens klerk op een deurwaarderskantoor. Na zijn militaire dienstplicht te hebben vervuld kreeg hij in 1924 eenzelfde functie op de griffie van het kantongerecht in Arnhem. Vader Matser was actief in de katholieke vakbeweging. Dat inspireerde Chris voor de politiek, en daarom werd hij lid van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP).

Voor deze partij werd Matser in juni 1931 tot lid van de gemeenteraad van Arnhem gekozen. Hoewel aanvankelijk vol bewondering voor de corporatistische staats- en maatschappijvisie van de Italiaanse dictator Mussolini werd hij geleidelijk aan binnen de RKSP gevormd tot een overtuigd christen-democraat met een grote sociale bewogenheid. In deze crisisjaren stelde hij in de gemeenteraad bij herhaling onderwerpen aan de orde als verbetering van de woonomstandigheden, hulp aan sociaal zwakkeren en werkverschaffing. Het is daarom niet verbazingwekkend dat Matser in september 1935 werd gekozen tot wethouder van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Personele Zaken. Middenin de economische crisis van de jaren dertig was dit de zwaarste portefeuille in Arnhem. Het werd zijn opdracht werkgelegenheid te scheppen, vooral ter bestrijding van de hoge jeugdwerkloosheid. Hij slaagde hierin gedeeltelijk door werkverschaffing van gemeentewege, zij het tegen hoge kosten.

Na de Duitse inval in mei 1940 bleef Matser zijn taak vervullen, ook toen de gemeenteraad het jaar daarop door de Duitsers werd ontbonden en burgemeester H.P.J. Bloemers door de bezetter tot enig verantwoordelijk functionaris werd aangewezen. Matser nam nu een deelbetrekking aan bij de afdeling Sociale Dienst van de Algemeene Kunstzijde Unie NV (AKU), maar bleef in overleg met Bloemers zijn werk als wethouder en sinds medio 1940 ook - als langst zittende wethouder - loco-burgemeester feitelijk uitoefenen. Hij nam deel aan het verzet in een groep die opereerde vanuit de AKU. De activiteiten omvatten onder meer hulp aan onderduikers en Duitse deserteurs en de verspreiding van illegale bladen.

In juli 1944 werd Bloemers door de Duitsers ontslagen en uit Gelderland verbannen. Tot waarnemend burgemeester werd toen de tot de Nationaal-Socialistische Beweging behorende E.A.A. Liera aangesteld. De drie wethouders weigerden Liera elke medewerking en doken onder. Matser bleef in Arnhem of omgeving, terwijl zijn vrouw en zeven kinderen naar elders uitweken. Tijdens de slag om Arnhem in september 1944 werd Matser door Duitse soldaten aangehouden, maar hij wist te ontsnappen en dook weer onder, ditmaal in Bennekom. Van daaruit overlegde hij met ambtenaren en ondernemers en werkte hij gedetailleerde plannen uit voor de wederopbouw van de door oorlogshandelingen zwaar getroffen Veluwezoom van Arnhem tot Rhenen. Matser, een man met veel lef, kreeg gaandeweg de leiding in het door hemzelf gevormde Comité Veluwezoom, dat, bij gebrek aan ander betrouwbaar gezag, zich steeds meer bevoegdheden aanmat. Bedrijfsleven, verzet en lokale ambtenaren - zelfs 'foute' - erkenden het in de praktijk en volgden de aanwijzingen en besluiten van het Comité op of vroegen nadere instructies.

Nadat Arnhem en omgeving in april 1945 door de geallieerden waren bevrijd, besloot het Militair Gezag op 9 mei 1945 Matser tot waarnemend burgemeester van de Gelderse hoofdstad aan te stellen. Bloemers, inmiddels 65 jaar oud, kon en wilde, ook om gezondheidsredenen, niet terugkeren in zijn oude functie. Matsers benoeming was een gouden greep voor de stad. Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om ruchtbaarheid te geven aan de nood van Arnhem en de Arnhemmers, en hij deed dat met succes. Radiopraatjes van Matser zelf, foto's van de verwoestingen en filmbeelden van de naar de ontredderde stad terugkerende bevolking brachten in heel Nederland en daarbuiten inzamelings- en andere hulpacties op gang. Op doortastende wijze werden onder zijn leiding - 'de burgemeester in hemdsmouwen' - het puinruimen, het noodherstel, de herbevolking, de wederopbouw en de stadsvernieuwing aangepakt.

In juni 1946 volgde de definitieve benoeming van Matser tot burgemeester van Arnhem, ondanks protesten van socialistische zijde - de grootste fractie in de raad - en van protestantse zijde, omdat tot dan toe het burgemeesterschap traditioneel aan een protestant voorbehouden was geweest. Deze protesten stierven spoedig weg. Bouwen was voor de metselaarszoon zijn lust en zijn leven. Helaas legden kwaliteit en schoonheid - zoals ook elders na de bevrijding - het daarbij nogal eens af tegen kwantiteit. Daarnaast zorgden Matser en een hecht team van wethouders en ambtenaren voor diversificatie van de werkgelegenheid door kantorenbouw en het bevorderen van cultuur en toerisme. Zijn ontembare werklust had als keerzijde zijn autoritair optreden, dat meer weerstand opriep naarmate de wederopbouw vorderde.

Voor 'normale' tijden was Matser te eigengereid. In 1963 was er een felle botsing tussen de burgemeester enerzijds en de gemeenteraad met de wethouders anderzijds. Matser wilde de projectontwikkelaar Reinier Zwolsman bebouwing van het natuurterrein 'Delhuizen' toestaan. Ook de provincie en natuurbeschermers verzetten zich. Matser verloor deze strijd. In oktober 1975 kreeg deze zaak een nasleep door de postume beschuldiging in het linkse opinieweekblad Vrij Nederland (11, 18 en 25 okt. 1975) dat de burgemeester (smeer)geld van Zwolsman zou hebben aangenomen. Met Zwolsman deed Matser overigens veel zaken op het gebied van projectontwikkeling. Samen met anderen trachtten zij ook een televisiezender in de lucht te brengen. Ook dat avontuur mislukte.

Naast het burgemeesterschap van Arnhem zette Matser zich tevens in voor de katholieke partij, zowel regionaal als landelijk. Begin 1946 werd hij lid van het dagelijks bestuur van de KVP, als exponent van de jongeren, die onder andere samenwerking met de socialisten wilden. Nadat de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, L.J.M. Beel (1945-1947), zich had verzet tegen de voordracht van het dagelijks bestuur hem tot partijvoorzitter te benoemen, ging Matser ten slotte, na enig geharrewar, deel uitmaken van een driemanschap dat zich vanaf januari 1947 'het Praesidium' noemde. W.J. Andriessen werd voorzitter, met Matser en E.M.J.A Sassen als vice-voorzitters. In 1953 werd Matser, na het aftreden van Andriessen, enige tijd waarnemend voorzitter. Toen de partij het jaar daarop het Praesidium ophief en het voorzitterschap voor hem er blijkbaar niet in zat, trad Matser teleurgesteld af als vice-voorzitter, maar bleef hij wel lid van het partijbestuur. Voor het voorzitterschap van de KVP en voor een ministerspost bezat hij te weinig geduld en politieke souplesse. Bovendien koketteerde de 'volksjongen uit Klarendal' tot ergernis van sommigen wat al te graag met zijn eenvoudige afkomst.

Vanaf 4 juni 1946 was Matser lid van de Tweede Kamer geweest, maar op 19 oktober van dat jaar had hij zijn mandaat neergelegd om zich volledig te kunnen wijden aan de opbouw van Arnhem. Toen Arnhem wat dit betreft er na tien jaar goed bijstond en hij als vice-voorzitter van de KVP was teruggetreden, wilde hij op het nationale vlak politiek actief blijven. Al vanaf juni 1946 lid van Provinciale Staten van Gelderland werd hij op 6 november 1956, samen met zijn politieke vriend Sassen, tot lid van de Eerste Kamer gekozen. Zijn mooiste moment beleefde hij hier toen onder zijn leiding de senaat het tegenstribbelende kabinet-De Quay (1959-1963) uiteindelijk in december 1960 dwong mee te werken aan de hervatting van de bouw van de IJ-tunnel in Amsterdam, die sinds 1957 door regeringsingrijpen stillag.

De spanningen van het besturen in de jaren zestig leken Matser in februari 1968 op te breken, toen hij binnen één etmaal getroffen werd door twee hartaanvallen en een beroerte. In november volgde een hersenbloeding. Zijn wankele gezondheid dwong hem ertoe op 25 juni 1969 zijn zetel in de Eerste Kamer op te geven en in april 1970 ook het voorzitterschap van de KVP-fractie in de Gelderse Staten neer te leggen. Op 30 juni 1969 nam hij afscheid als burgemeester van Arnhem in de raadzaal van het nieuwe stadhuis, dat hij wel tot stand had gebracht, maar waar hij nooit zou werken. Hij overleed, toch nog plotseling, aan een hartaanval op 68-jarige leeftijd.

De grootste prestatie van Chris Matser lag in de herbouw van het door de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen Arnhem. Als onstuitbare 'Macher' was hij onmiddellijk na de bevrijding van de Gelderse hoofdstad de juiste man op de juiste plaats geweest. Maar naarmate de stad langzaam herstelde en herleefde, ondervond Matsers even resolute als energieke, maar geen tegenspraak verdragende optreden steeds meer kritiek. Vooral in de naar voortgaande democratisering strevende jaren zestig werd deze stijl van leidinggeven als aanstootgevend ervaren. Anderzijds ergerden de eindeloze discussies in die jaren hem bovenmatig. Wellicht speelde daarbij een rol dat hij in de voorafgaande periode van wederopbouw te veel van zijn krachten en incasseringsvermogen had gevergd.

A: Collectie-Chr.G. Matser in het Gemeentearchief van Arnhem.

P: Vele artikelen in tijdschriften en boeken, voornamelijk over de wederopbouw van Arnhem. Bijvoorbeeld: 'Cultuurbeleid: doelstellingen en voorstellen', in Bouw (1948) nrs. 13 en 14; Arnhem stadsplan. Rapport van de studiecommissie voor het stadsplan Arnhem (Arnhem 1953).

L: Behalve necrologieën o.a. door H.H.J. Bisterbosch, in de Arnhemse Courant , 5-2-1973 en 9-2-1973; door H.C.J. Erkens, in De Nieuwe Krant , 6-2-1973 en 9-2-1973 en door idem, in Gelderland Nu 4 (1973) nr. 2, 6: Bert Kerkhoffs, Arnhem, stad van daklozen. Dossier '44-'45 (Arnhem 1981); P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem 1981); Chris G. Matser. Burgemeester van Arnhem, 1946-1969 . Een familie-gedenkboek. Samengesteld door Jan C. Matser (Sunnyvale (Cal.) 1989); Wim Lavooij, Twee eeuwen bouwen aan Arnhem. De stedebouwkundige ontwikkeling van de stad (Zutphen 1990) 96-116; A.Th.M. Duffhues, Generaties en patronen. De katholieke beweging te Arnhem in de 19e en 20ste eeuw (Baarn 1991); A.C. van Heusden en J.H.J. van den Heuvel, Het pijnlijk herstel. De wederopbouw van het openbaar bestuur in Gelderland, 1944-1947 (Assen 1993); Bob Roelofs, Vernieling en vernieuwing. De wederopbouw van Arnhem, 1945-1964 (Utrecht 1995); J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij, 1945-1980 (2 dln.; Nijmegen 1995, 2000).

I: J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij, 1945-1980 . I: Herkomst en groei (tot 1963) (Nijmegen 1995) 387.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013