Niet [Gz.], Maarten de (1904-1979)

 
English | Nederlands

NIET [GZ.], Maarten de (1904-1979)

Niet [Gz.], Maarten de, politicus en burgemeester (Bodegraven (Z.H.) 16-3-1904 - 's-Gravenhage 25-7-1979). Zoon van Gerrit de Niet, arts, en Louisa Agatha Plet. Gehuwd op 29-8-1935 met Edithe Horsfall Child (geb. 1912). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

afbeelding van Niet [Gz.], Maarten deMaarten de Niet bracht - samen met zijn twee oudere zusters - zijn jeugd door in Scheveningen, waar zijn vader zich in 1905 als arts had gevestigd. Hij volgde de opleiding gymnasium-ß in Den Haag en studeerde, na eerst zijn militaire dienstplicht te hebben vervuld bij de pontonniers, vanaf 1925 rechten in Leiden. In zijn studententijd was hij een actief lid van de Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging (NCSV): van de afdeling Leiden was hij in 1928/1929 praeses en op landelijk niveau was hij betrokken bij het jongenskampenwerk. Deze vereniging beïnvloedde hem ten zeerste: zijn levensinstelling en kijk op kerk en wereld werden binnen de NCSV gevormd. Tijdens zijn studie verbleef hij korte tijd in het internationale college 'Woodbrooke' bij Birmingham. Hier ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote Edithe, die studeerde aan de universiteit van Birmingham en enige jaren secretaresse was bij de Young Women Christian Association te Newcastle.

Na op 7 mei 1931 het doctoraalexamen te hebben afgelegd kostte het De Niet, in verband met de economische depressie, moeite om als jong jurist een vaste betrekking te vinden. Daarom nam hij direct na zijn studie enkele maanden het secretariaat voor de jongenskampen van de NCSV waar. In 1932 werkte De Niet enige tijd op het parket van de officier van justitie te Groningen, waarna hij begin januari 1933 als surnumerair in dienst trad bij de Amsterdamse politie. Een jaar later werd hij hier bevorderd tot inspecteur van politie der tweede klasse. In deze rang was hij tenslotte werkzaam bij de juridische afdeling op het hoofdbureau. Bij de oprichting van de Rijksverkeersinspectie in 1937 werd De Niet benoemd tot rijksinspecteur van het verkeer in het district Friesland, waartoe hij - inmiddels getrouwd - naar Leeuwarden verhuisde. Waarschijnlijk leidde zijn activiteit binnen de NCSV ertoe dat hij in 1939 door het Nederlandsch Bijbel Genootschap werd gevraagd om een van de twee zendingsconsuls in Nederlands-Indië te worden, die de belangen van de Nederlandse zendingscorporaties bij de Indische regering behartigden.

De Niet ging onmiddellijk op dit aanbod in, en in juli 1939 arriveerden hij en zijn vrouw in Batavia, de zetel van het zendingsbestuur. Hun komst viel in een bewogen tijd. Niet alleen was er voor het eerst sprake van een discussie over een zekere mate van politieke zelfstandigheid voor de kolonie, die ook de gevestigde kerken in Indië niet onberoerd liet, maar tevens ging door de Duitse bezetting van Nederland vanaf mei 1940 het contact met het moederland voor het zendingsbestuur verloren. Er werd daarom een zendingsnoodbestuur ingesteld, waarvan De Niet deel uitmaakte. Hij was ervan overtuigd dat onder druk van de tijdsomstandigheden de afhankelijkheidsrelatie van de Indische kerken ten opzichte van de kerk in Nederland diende te worden beëindigd: de zendingsterreinen moesten zijns inziens zelfstandig worden. De oude toestand zou nooit kunnen of mogen terugkeren.

Toen de Japanners in maart 1942 Java bezetten, werd de zelfstandigheid van de Indische kerken van een wenselijkheid tot een feit, doordat de uit Nederland afkomstige bestuursleden en later ook alle niet-Indische zendelingen en predikanten wegvielen. De Niet zelf werd op 14 mei 1942 samen met andere vooraanstaande Europeanen geïnterneerd in de gevangenis 'Struiswijk' te Batavia. Met vier anderen behoorde hij hier in juli van dat jaar tot degenen die weigerden de eed van trouw aan het Japanse leger af te leggen. De straf was afranseling en opsluiting in afzonderlijke cellen, op halfrantsoen en zonder de mogelijkheid zich te wassen, te scheren, te lezen en te roken. In februari 1944 werd hij overgebracht naar het mannenkamp Tjimahi IV bij Bandoeng. Later zou hij over zijn internering opmerken dat 'het vooral de vorming en ervaring, vroeger in de NCSV opgedaan, [waren] die hem de kracht [hadden] gegeven het harde leven in deze kampen te doorstaan' (Thurlings, 1265).

Toen De Niet in augustus 1945 het interneringskamp kon verlaten, nam hij zijn functie van zendingsconsul weer op. Hij maakte toen een reis door de Indonesische archipel om besprekingen te voeren met vertegenwoordigers van de inheemse kerken en met de zendelingen ter plaatse. Onder de in de Japanse kampen geïnterneerde zendelingen van verschillende denominaties was saamhorigheid ontstaan en waren nieuwe ideeën over de toekomst tot ontwikkeling gekomen. De Niet getuigde hiervan eind december 1945 in de nota 'Oecumenische samenwerking en eenheid in Indonesië' (gepubliceerd in: Zending in Indonesië , 12-36). Hij voorzag een orgaan waarin de zelfstandige Indische kerken en de buitenlandse zendelingen elkaar zouden kunnen ontmoeten voor overleg en samenwerking. Nadat hij tijdens zijn verlof in Nederland, in de eerste helft van 1946, hierover met de zendingsleiding had overlegd, vond in augustus van dat jaar onder zijn leiding in Batavia de Algemene Zendingsconferentie plaats.

In de eerste maanden van 1947 overwoog Den Haag ernstig luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook te vervangen in verband met zijn eigengereide en autoritaire optreden in de crisis rond het herstel van Nederlands koloniale gezag over Indië. Er werd toen gedacht aan De Niet - die toen opnieuw in Nederland verbleef - als nieuwe gouverneur-generaal, of eventueel als luitenant-gouverneur-generaal naast de toenmalige minister van Overzeese Gebiedsdelen, J.A. Jonkman, als gouverneur-generaal. In deze hoedanigheid zou hij dan leiding kunnen geven aan het noodzakelijke politieke overleg.

Maar al snel was De Niets benoeming voor Den Haag geen punt van overweging meer. Aangezien hij door zijn contacten wist dat volledige erkenning van de soevereiniteit van de Republiek Indonesië de enige eervolle uitkomst voor Nederland zou zijn, ging men in hem 'een uiterst radicale figuur' zien; Drees beweerde zelfs 'dat deze man misschien nog erger dictator is dan Van Mook' (Dagboek Schermerhorn , 793). Vooral in kringen van de Katholieke Volkspartij vond men hem te toegevingsgezind jegens de Republikeinen, waardoor hij voor hen een onaanvaardbare kandidaat werd. De Niet stond een blijvend samengaan van Nederland en Indonesië voor ogen, maar wel op gelijke voet. Het feit dat de Nederlandse regering besloot de Indonesische soevereiniteit niet te erkennen, stelde hem teleur. Als voorstander van een vreedzame oplossing verweet hij Den Haag kortzichtigheid en wanbegrip. De politiële acties die op het afwijzen van de soevereiniteit volgden, raakten hem daarom diep.

Na zijn terugkeer uit Indonesië, in juni 1949, werd De Niet lid van de Partij van de Arbeid (PvdA). Een jaar later, op 15 maart 1950, werd hij burgemeester van Wageningen, een stad met indertijd niet meer dan 20.000 inwoners, maar vestigingsplaats van de Landbouwhogeschool. Wageningen was begin 1950 nauwelijks bekomen van het oorlogsgeweld: verschillende panden en stadsdelen waren nog niet herbouwd. De Niet zorgde voor het herstel en de wederopbouw van de stad. Het hotel 'De Wereld', waar op 8 mei 1945 de wapenstilstand met de Duitsers was getekend, dankt zijn voortbestaan aan hem. Vooral voor de Landbouwhogeschool heeft hij veel gedaan. Met De Niet als burgemeester kreeg Wageningen een geheel nieuw aanzien en groeide het uit tot een universiteitsstad. Met tegenzin legde De Niet op 1 april 1969, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, het burgemeestersambt neer. Na zijn afscheid verhuisde De Niet naar Den Haag.

Intussen bleef De Niet ook betrokken bij ontwikkelingen in de kerk. Zo was hij van 1951 tot 1964 lid van de Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk en van 1951 tot 1954 van de Raad voor de Zaken van Kerk en Overheid. De Niet hechtte er zeer aan zijn kerkelijke en politieke werk te combineren: hij was een overtuigd 'calvinist-socialist', iemand die niet alleen de eigen religieuze identiteit wilde hooghouden, maar ook streefde naar door het geloof geïnspireerde daden.

Op 6 november 1956 kwam De Niet voor de PvdA in de Eerste Kamer. Vanaf 1963 was hij hier vice-fractievoorzitter en sinds 16 februari 1968 fractievoorzitter. In de Kamer sprak De Niet over vele onderwerpen. Vooral internationale vraagstukken hadden zijn belangstelling. Zijn kritiek op het Nederlandse beleid ten aanzien van Indonesië was scherp. Al in een vroeg stadium drong hij er bij de regering op aan Nieuw-Guinea aan de Republiek over te dragen. Verder hadden ook algemene politieke en sociaal-economische kwesties zijn aandacht. Op 16 september 1969 werd hij gekozen tot voorzitter van de Eerste Kamer, een functie die hij tot 17 september 1973 uitoefende. Daarna bleef hij, tegen het parlementaire gebruik in om na het voorzitterschap de Kamer te verlaten, nog vier jaar Kamerlid, tot en met 18 september 1977.

Maarten de Niet handelde zijn leven lang vanuit een christelijke geloofsovertuiging. Zijn lidmaatschap van de NCSV vormde daarvoor een belangrijke basis. Zelf zei hij dat zijn ervaringen in deze vereniging en in Indonesië ervoor hadden gezorgd dat er toch nog wat van hem was geworden. Met volle overgave wijdde De Niet zich aan de zaken waarin hij geloofde. Om zijn doorzettingsvermogen, energie en integriteit werd hij dan ook door medestander en tegenstander bewonderd. Maar diezelfde gedrevenheid verhinderde hem ook te relativeren, waardoor hij vaak onverzettelijk en fel was in zijn optreden en soms streng oordeelde over personen en zaken. Niettegenstaande zijn vele openbare functies bleef hij het liefst op de achtergrond. Uit de vele functies die hij vervulde, kon hij zich maar moeilijk terugtrekken. In maart 1979 werd duidelijk dat hij aan een dodelijke ziekte leed, waaraan hij vier maanden later zou overlijden. Het geloof dat in zijn hele leven zo'n grote rol had gespeeld hielp hem ook dit lot te aanvaarden.

A: Bescheiden betreffende het zendingsconsulaat van De Niet in het Archief van het Nederlands Bijbelgenootschap in Het Utrechts Archief; collectie 'Afscheid De Niet' in het Gemeentearchief van Wageningen.

P: 'Gehoorzaamheid-Vrijheid-Creativiteit (Plan-Beel contra Veiligheidsraad-resolutie), 9 maart 1949', in Wending 4 (1949) 219-237; 'Internationale klassenstrijd en solidariteit. Is J. de Kadt's ''Pleidooi voor vrede door kracht'' voor ons aanvaardbaar?', in Socialisme en Democratie 8 (1951) 20-40.

L: Zending in Indonesië. Verslag en rapporten van de zendingsconferentie te Batavia gehouden van 10 tot 20 augustus 1946 . Ingel. en van aantek. voorzien door J.C. Hoekendijk ('s-Gravenhage 1946); J. Leimena, 'Bij het afscheid van De Niet', in Kritiek en Opbouw 6 (1949); M.C. Jongeling, Het zendingsconsulaat in Nederlands-Indië, 1906-1942 (Oegstgeest 1966); Het Vrije Volk , 20-12-1968; De Veluwse Post , 28-3-1969, 31-3-1969; Rijnstreek , 27-3-1969; Het dagboek van Schermerhorn. Geheim verslag van prof.dr.ir. W. Schermerhorn als voorzitter der commissie-generaal voor Nederlands-Indië, 20 september 1946 - 7 oktober 1947 . Uitgeg. door C. Smit (2 dln.; Groningen 1970); J.A. Jonkman, Nederland en Indonesië beide vrij. Gezien vanuit het Nederlands Parlement. Memoires (Assen [etc.] 1977); herdenkingstoespraken van Th.L.M. Thurlings en H. Wiegel, in Verslag der handelingen van de Eerste Kamer , 11-9-1979, pp. 1265-1267; M.D. Bogaarts, De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946 - 7 augustus 1948 . Band D-1a/b: Nederlands-Indië (Nijmegen 1995).

I: Aan deze zijde van het Binnenhof. Gedenkboek ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de Eerste Kamer der Staten-Generaal . Onder red. van A. Postma [e.a.] ('s-Gravenhage 1990) 81.

Mariska Vonk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013