Nort, Bertha (1874-1946)

 
English | Nederlands

NORT, Bertha (1874-1946)

Nort, Bertha, (bekend onder de naam Betsy Bakker-Nort), juriste en politica (Groningen 8-5-1874 - Utrecht 23-5-1946). Dochter van Joseph Isaäc Nort, koopman, en Wilhelmina van der Wijk. Gehuwd op 23-3-1904 met Gerrid Pieter Bakker (1871-1939), graanhandelaar en publicist. Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Nort, BerthaBetsy Nort groeide op als de jongste van vier meisjes in een niet-gelovig joods gezin in Groningen. Haar vader stierf toen zij zes was. Dat ze in een vrouwengezin was opgegroeid was - naar eigen zeggen - van invloed geweest op haar latere levensbeslissingen. ''t Trof me reeds als klein meisje,' verklaarde ze in een terugblik op haar keuze voor de vrouwenbeweging, 'dat mijn flinke zelfstandige moeder niet mocht stemmen voor de Gemeenteraad, en elke nog zoo domme man wel' (geciteerd in: Braun, 89).

Na de middelbare meisjesschool verbleef Betsy Nort enkele jaren in Denemarken en Zweden om Scandinavische talen te studeren. Met die kennis vertaalde zij tussen 1900 en 1911 een veertigtal Zweedse, Deense en Noorse romans en kinderboeken, zoals bijvoorbeeld De wonderen van den antichrist van Selma Lagerlöf en Twijfel van Amalie Skram. In 1899 begon Nort te schrijven over de stand van zaken in deze noordelijke landen op het terrein van het 'volksontwikkelingswerk' en het belangrijke aandeel dat de vrouwenbeweging hierin had, onder meer in het feministische tijdschrift Belang en Recht . Reeds in deze eerste publicaties liet zij zich kennen als de kalme en degelijke, maar gedecideerde feministe van sociaal-liberale signatuur, die ze de rest van haar leven zou blijven.

Toen er in 1895 een afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VVVK) in haar woonplaats Groningen werd opgericht, was de twintigjarige Betsy Nort er bij. Zij werd een van die vrouwen die in de beginperiode van de feministische kiesrechtstrijd in de zalen en zaaltjes vol met mannen voor opschudding zorgden door Kamerkandidaten op verkiezingstournee lastige vragen te stellen over het burgerschap van mannen en vrouwen.

Na haar huwelijk in 1904 met Gerrid Bakker - ook hij was VVVK-lid en samen vertaalden zij enkele boeken - zette Betsy Nort haar bezigheden buitenshuis als activiste van de VVVK voort. Zo ging zij met haar twintig jaar oudere 'mentor' Aletta Jacobs op stap door de provincie Groningen, om meer aanhang bij vrouwen te verwerven. Tot aan het eind van de kiesrechtstrijd bleef zij een van de belangrijke leidende vrouwen van de Groningse VVVK-afdeling. Met Aletta Jacobs zou zij politiek en persoonlijk blijven optrekken.

Aangezien de strijd voor gelijke kansen en rechten gebaat was bij een nauwkeurige kennis van wet en recht besloot Bakker-Nort ten behoeve van de vrouwenbeweging rechten te gaan studeren. Na eerst staatsexamen gymnasium-A te hebben gedaan, begon zij daarmee in 1908 - op 34-jarige leeftijd - aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Met haar pen trok zij ten strijde tegen het beperkende juridische beroepsperspectief voor vrouwen. Zo schreef zij als 'Jur. Cand' in het Utrechtsch Maandblad voor Vrouwelijke Studenten (1 (1910) nr. 1, p. 2; nr. 2., pp. 5-6) dat de taak van vrouwelijke juristen niet anders was dan die van de op dit terrein werkzame mannen. Bijzonder was slechts hun - in de taal van de vrouwenbeweging - minderwaardige rechtspositie als vrouw. Een vrouwelijke jurist moest dus in elk geval de rechtspositie van haar sekse helpen verbeteren. Op 11 maart 1912 legde zij het doctoraalexamen af.

Op 25 juni 1914 verdedigde Bakker-Nort in Groningen bij J. Kosters, hoogleraar handelsrecht, burgerlijk recht en internationaal privaatrecht, haar proefschrift Schets van de rechtspositie der getrouwde vrouw in Duitschland, Zwitserland, Engeland, Frankrijk en Nederland . Daarin gewaagde zij van een wettelijke huwelijksverhouding tussen 'een machthebber tegenover de aan zijn wil onderworpen huisgenoot'. Bakker-Nort was van mening dat op grond van de 'aard en werkkring' van man en vrouw de eerstgenoemde in het algemeen de leiding over de 'buitenlandsche zaken' van het gezin zou moeten hebben en de laatstgenoemde die over de 'binnenlandsche zaken'. De maritale macht van de man moest echter - zo betoogde zij -, samen met de 'vernederende' handelingsonbekwaamheid die de vrouw op de dag van haar huwelijk krachtens de huwelijkswetgeving ten deel viel, worden afgeschaft.

Van 1914 tot 1930 oefende Bakker-Nort een advocatenpraktijk uit in Groningen. Intussen kritiseerde zij als 'huisjuriste' van de VVVK de rechtsorde in woord en geschrift. In de meeste gevallen richtte zij haar aanvallen op de huwelijkswetgeving. Met de VVVK streed zij hartstochtelijk voor het vrouwenkiesrecht om langs die weg de wetgever te dwingen de huwelijkswetgeving te wijzigen.

Toen in 1919 het actief kiesrecht voor vrouwen in de toen geldende Kieswet was vastgelegd, veranderde de VVVK met enige gepaste trots haar naam in de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen. Het lag in de lijn van de doorgaande strijd voor rechtsgelijkheid dat het lid van het landelijk hoofbestuur Bakker-Nort het actierapport Hoofdlijnen voor een moderne huwelijkswetgeving (1920) schreef. Zij voerde opnieuw de pen over alle strijdpunten van de vereniging in het Maandblad van de Nederlandsche Vereeniging van Staatsburgeressen .

Bakker-Nort had deel uitgemaakt van de 'oude' vrouwenbeweging, die later de eerste feministische golf zou worden genoemd, maar kwam nu terecht in de minder sterke golfstroom van de tijd die hierop na verwerving van het kiesrecht volgde. Voor de nieuwe generaties waren de allengs verruimde opleidingsmogelijkheden vanzelfsprekend geworden; het ledental van de feministische verenigingen daalde drastisch. Bovendien viel er door het overwicht dat de confessionelen in parlement en regering hadden gekregen, niet te denken aan nieuwe overwinningen. Confessionele ministers wisten hun wensen omtrent de plaats en roeping van de vrouw te verwezenlijken door een reeks besluiten tot 'eervol ontslag' van ambtenaressen en onderwijzeressen die gingen trouwen. Vóór 1919 waren zulke besluiten ingetrokken door de liberale ministers die hen waren opgevolgd. De feministische veteranen, onder wie Bakker-Nort, klaagden over deze 'terugslag' op twee fronten - het verlies van aanhang en steun bij de vrouwen en de tegenwerking van de confessionele partijen - maar zij bleef zich ijverig wijden aan de verdere 'ontvoogding' van de vrouw.

Op 26 juli 1922 kreeg Bakker-Nort, als gevolg van de eerste verkiezingen met actief vrouwenkiesrecht, voor de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) zitting in de Tweede Kamer. Vanaf het begin had zij zich thuisgevoeld in de vrijzinnig-liberaal georiënteerde tak van de vrouwenbeweging. Leden van de VDB als Aletta Jacobs en zij stonden voor een, vaak als 'radicaal' betitelde, gelijke-rechtenfeminisme, tegenover een meer gematigde, minder op rechten en politieke pressie geconcentreerde stroming van de vrouwenbeweging. Bakker-Norts maidenspeech in het parlement betrof vanzelfsprekend de 'schandalige' huwelijkswetgeving. De reactie van de toenmalige minister van Justitie, Th. Heemskerk (1918-1925), zette de toon voor de antwoorden die zij achttien jaar lang zou krijgen: van hem waren geen veranderingen te verwachten die het beginsel loslieten dat de man het hoofd van de echtvereniging was.

Tijdens haar achttien jaar durende Kamerlidmaatschap bleef Bakker-Nort een actieve rol spelen in de georganiseerde vrouwenbeweging. Dat deed zij ook vanaf 1930 tot 1938 als vice-presidente van de Vereeniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap. In het verenigingsorgaan Vrouw en Gemeenschap spoorde zij vrouwen telkens aan politiek geïnteresseerd te worden en op een vrouw te stemmen. In de loop van de jaren dertig kwam daar de oproep 'én op een demokraat' bij.

Als Kamerlid maakte Bakker-Nort zich tevens nuttig als secretaris van de VDB-fractie. Van de zeven in 1922 gekozen vrouwelijke Kamerleden noemde haar fractiegenoot P.J. Oud haar niet als de beste spreekster noch als degene met het scherpste verstand. Wat hem trof, was haar toewijding aan de openbare zaak; haar was nooit iets te veel (Oud, Het jongste verleden (Assen 1946) II, 24; idem, in Vrouwenbelangen 11 (1946) 2 (juni) 6). Zij voerde het woord voor de belangen van beide seksen op het terrein van justitie, onderwijs, arbeid, volksgezondheid en oorlog en marine. Binnen de smalle marges van de parlementaire politiek en ondanks het feit dat zij in sfeer en instemming de tijd niet mee had, gaf zij zich moeite om ook de andere grote en kleine beloftes in de vrouwenkiesrechtstrijd dan die ten aanzien van de huwelijkswetgeving na te komen. Het eerste jaar van haar Kamerlidmaatschap kwam zij met een initiatiefwetsvoorstel voor een zogeheten zusterpensioen. Dit gaf de inwonende zuster van een weduwnaar die hem tien jaar had verzorgd, het recht op het pensioen dat hij naliet. Het strandde in de Eerste Kamer. Met een tweede initiatiefwetsvoorstel stelde Bakker-Nort in 1931 de benoembaarheid van vrouwen tot notaris boven alle wettelijke twijfel. De Memorie van Antwoord van de regering bleef jarenlang uit. Zij trok het uiteindelijk in; in deze tijd van beperkingen van vrouwenarbeid met een beroep op de economische crisis was het kansloos geworden.

Meestal in samenwerking met de vrouwelijke Kamerleden ter linker- en soms met die ter rechterzijde, liet Bakker-Nort zich horen bij de confessionele arbeidsbeperkende maatregelen en allerlei andere sekseongelijkheden inzake arbeid, belasting- en pensioenzaken en bijvoorbeeld het bericht over 'misbruik van leidende mannen in inrichtingen van nijverheid ten opzichte van meisjes en vrouwen, werkzaam in hun bedrijf'.

In Den Haag, waarheen het echtpaar Bakker in 1930 was verhuisd, had Betsy opnieuw een advocatenpraktijk. Haar man stierf in 1939. Op 24 juni 1940 kwam er een einde aan haar werk in de Tweede Kamer, toen de bezetter de parlementaire werkzaamheden van Bakker-Nort 'tot nader order' opschortte. Samen met een kleine minderheid van negen andere Kamerleden nam zij in januari 1942 ontslag, nadat het college van Secretarissen-Generaal de van hun verplichtingen ontheven leden daartoe de mogelijkheid had geboden met het oog op een pensioen.

Eind december 1942 werd Bakker-Nort gedeporteerd naar het doorgangskamp Westerbork. Vandaar kwam ze in februari 1943 terecht in het voor een groep bevoorrechte joden vooralsnog veilige onderkomen in Barneveld. In april van het daaropvolgende jaar was haar adres weer 'Lager Westerbork', van waaruit ze 4 september 1944 naar Theresienstadt in Bohemen werd gedeporteerd. In de tweede helft van juni 1945 was zij een van de vierhonderd Nederlandse gevangenen die door een repatriëringscommissie levend in dit concentratiekamp werden aangetroffen.

In de Tweede Kamer keerde Bakker-Nort, in verband met haar ontslagname in 1942, niet meer terug. In februari 1946 vestigde zij zich in Utrecht, waar zij enkele maanden later op 72-jarige leeftijd overleed. De vruchten van haar nijvere inzet voor een andere huwelijkswetgeving konden pas worden geplukt in 1956, toen er een einde kwam aan de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen.

A: Persdocumentatie betreffende B. Bakker-Nort (Biografische map 169), alsmede een uitvoerig vragenformulier met door haar ingevulde antwoorden (IAV-archief, inv.nr. 472: B. Bakker-Nort) in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, alsmede artikelen in vooral Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, Vrouw en Gemeenschap, De Vrijzinnig-Democraat, Sociaal Weekblad en De Opbouw. Democratisch Tijdschrift voor Nederland en Indië publiceerde B. Bakker-Nort verschillende rapporten en brochures over juridische vraagstukken o.a.: Zijn vrouwen benoembaar tot notaris volgens de Nederlandsche wet? Zoo niet, is dan een wetswijziging in deze zin gewenscht? ['s-Gravenhage 1917]; De vrouw en de a.s. verkiezingen [Brochure] ('s-Gravenhage [1924]); Praeadvies. Behoud of afschaffing van het beginsel van de maritale macht in onze huwelijkswetgeving (Leiden [1931]).

L: Behalve necrologieën door N.S. Corry Tendeloo, in Paraat. Weekblad van de Partij van de Arbeid, 14-6-1946 en door P.J. Oud, in Vrouwenbelangen 11 (1946) 2 (juni) 6: A. Fekken, 'Mr. Betsy Bakker-Nort', in De vrouw en haar huis 20 (1925/1926) 408-409; N.S. Corry Tendeloo, 'De vrijzinnig-democratische vrouwen', in Wat deden de vrouwen met haar kiesrecht? Het algemeen kiesrecht in de practijk, 1919-1940. Onder red. van C. Pothuis-Smit (Arnhem 1946); Inge de Wilde, 249 vrouwen na Aletta Jacobs. Vrouwelijke gepromoveerden aan de Rijksuniversiteit Groningen, 1879-1987 (Groningen 1987) 29-32; Marianne Braun, 'Betsy Bakker-Nort (1874-1942 [sic])', in Intellect kent geen sekse. Grote vrouwen van de 20e eeuw. Onder red. van Hannelore Schröder (Kampen 1988) 88-97; Dineke Stam, 'Staatsburgeressen voor vrouwenbelangen, 1920-1945', in M. Borkus [e.a.], Vrouwenstemmen. 100 jaar vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht (Zutphen 1994) 67-112; Inge de Wilde, 'Nieuwe deelgenoten in de wetenschap'. Vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen, 1871-1919 (Assen 1998).

I: Intellect kent geen sekse. Grote vrouwen van de 20e eeuw. Onder red. van Hannelore Schröder (Kampen 1988) 88 [Foto: IIAV].

Marianne Braun


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013