Palar, Lambertus Nicodemus (1900-1981)

 
English | Nederlands

PALAR, Lambertus Nicodemus (1900-1981)

Palar, Lambertus Nicodemus, politicus en diplomaat (Tohomon (Celebes, Nederlands-Indië) 5-6-1900 - Djakarta (Indonesië) 13-2-1981). Zoon van Gerrit Palar, hoofd-schoolopziener in Nederlands-Indië, en Jacoba Lumanauw. Gehuwd op 26-6-1935 met Johanna Petronella Volmers (geb. 1912). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Palar, Lambertus NicodemusNico Palar, afkomstig van de Minahassa, was van protestants-christelijken huize. Zijn vader was kennelijk niet onbemiddeld. Nico bezocht de MULO in Tondano en de Algemeene Middelbare School in Djokjakarta. Na korte tijd werkzaam te zijn geweest bij de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij in Batavia begon hij in 1923 met een studie aan de Technische Hoogeschool te Bandoeng. In de nationalistische studieclub aldaar leerde Palar Soekarno kennen. 'Wanneer we samen een spreekbeurt hadden, zorgde ik er altijd voor als eerste het woord te voeren. Want bij Sukarno's oratorisch geweld staken mijn sprekersgaven maar pover af!', zou hij later over zijn contact met de nationalistische leider opmerken (Socialisme en Democratie (1979) 470). Tuberculose dwong Palar na enkele maanden zijn studie aan de Technische Hoogeschool af te breken en naar de Minahassa terug te keren. In 1926 begon hij opnieuw, nu aan de Rechtshoogeschool in Batavia. Hier kwam hij in contact met de Indische Sociaal-Democratische Partij, zonder daarvan overigens lid te worden. In 1928 vertrok hij naar Nederland, mede omdat zijn vader vreesde dat zijn nationalistische zoon wel eens naar het interneringskamp Boven-Digoel kon worden verbannen.

In Nederland aarzelde Palar aanvankelijk of hij zich bij de communisten of bij de socialisten zou aansluiten. In 1930 koos hij voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), die in haar beginselprogramma op termijn een 'onvoorwaardelijk' recht op nationale onafhankelijkheid voor Indië erkende. De band met de partij werd zeer hecht. In 1933 kreeg Palar - als betaalde functie - het secretariaat te behartigen van de Koloniale Commissie van SDAP en het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) en werd hij tevens redacteur van het persbureau 'Indonesia' ('Persindo'), dat de Indische pers van sociaal-democratische artikelen voorzag.

Palar publiceerde veel in socialistische bladen en tijdschriften. In Het Volk sloot hij zich eind 1930 aan bij het standpunt en het beleid van de 'coöperatoren', nationalisten die met het Nederlands bewind wilden samenwerken, en nam hij afstand van de 'non-coöperatoren', die dit weigerden. Volgens Palar vormden beiden tezamen de nationalistische beweging. 'In mijn geval,' verklaarde hij, 'heb ik coöperatie gekozen, omdat ik meende dat ik met mijn persoonlijke eigenschappen onze vrijheidsstrijd het beste dien door coöperatie' (Het Volk , 5-12-1930). Later zou hij voor De Vakbeweging , het maandblad van het NVV, de geschiedenis van de inheemse vakbeweging beschrijven en ook daarin eigen inzichten laten doorklinken. Hij eindigde de artikelenserie met de ontmoedigende conclusie: 'De vakbeweging in Indonesia ligt thans zoo goed als plat' (De Vakbeweging (14 (1934) 380).

Door zijn werk voor 'Persindo' leerde Palar de Amsterdamse Joke Volmers kennen, die bij het persbureau 'Reuter' werkte; in 1935 trouwden zij. Bij de Eerste-Kamerverkiezingen van 1937 stond Palar op de kandidatenlijst van de SDAP, maar werd niet gekozen. In opdracht van de Koloniale Commissie maakte hij het jaar daarop, samen met zijn vrouw, een lange reis door Nederlands-Indië. Overal in de archipel verzamelde Palar materiaal, en hij voerde gesprekken 'met zeer vele, zeker alle belangrijke leiders van de Indonesische beweging' (Socialisme en Democratie 1 (1939) 799). Onder hen waren overigens niet Soekarno, Hatta en Sjahrir, die door het Indische gouvernement waren verbannen.

Door de Duitse bezetting verloor Palar in juni 1940 zijn betrekking bij de SDAP. In het kader van werkverschaffing voor hoofdarbeiders werd hij tewerkgesteld op het Laboratorium 'Van der Waals' in Amsterdam. Daarnaast gaf hij les in Maleis en verdiende hij wat bij als gitarist in krontjongorkestjes. Gedurende de laatste maanden van de oorlog ontving hij een uitkering uit het Van de Kieftfonds, de illegale kas van de SDAP. In de bezettingstijd hield hij in kleine kring clandestiene voordrachten over het Indonesische nationalisme en de perspectieven daarvan na de oorlog. Zijn vrouw was betrokken bij verspreiding van illegale bladen en de distributie van bonnen. Ook verschaften de Palars in hun tweekamerwoning aan de Uiterwaardenstraat enkele keren een tijdelijk onderkomen aan onderduikers.

Palar, een van de eersten die zich in mei 1945 meldden bij het bureau van de SDAP, koos onmiddellijk de zijde van de op 17 augustus 1945 door Soekarno geproclameerde Republiek Indonesië. Tegenover het partijbestuur, dat op gezag van W. Drees de 'collaborateur' Soekarno een onaanvaardbare gesprekspartner achtte, betoogde Palar: 'men moet niet trachten door Soekarno de Indonesische beweging te treffen. De figuur van Soekarno is alleen maar te begrijpen in het licht van de geschiedenis. Hij was sociaal-democraat en hij is door de Nederlandse regering jarenlang geïnterneerd' (geciteerd in: Van Tuyl, 73).

Op 20 november 1945 werd Palar voor de SDAP benoemd tot lid van het Noodparlement. Op 4 juni 1946 kwam hij voor de Partij van de Arbeid (PvdA) in de nieuwgekozen Tweede Kamer, waar hij door zijn natuurlijke bescheidenheid een back-bencher bleef. Het nieuwe programma van de PvdA nam enige afstand van het recht op onafhankelijkheid van Indië in het beginselprogramma van de SDAP. Palar, en een kleine minderheid met hem, verzette zich hier tevergeefs tegen. Met vooruitziende blik hamerde hij er bij iedere gelegenheid op dat internationale verhoudingen beslissend zouden zijn voor de toekomst van het Indonesische nationalisme. In een debat over de toenemende troepenzendingen naar Indonesië verklaarde hij in de Kamer: 'Mocht er immers onverhoopt, door welke oorzaak dan ook, een botsing komen tusschen hen [: de Nederlandse troepen] en de strijdkrachten van de republiek, dan hangt het Koninkrijk der Nederlanden aan een zijden draadje' (Handelingen Tweede Kamer , 6-5-1946, p. 736). Het Akkoord van Linggadjati van november 1946 werd door Palar begroet als een 'acte van pacificatie'.

Na de ondertekening van het Akkoord, in maart 1947, maakte Palar in opdracht van het partijbestuur een reis van drie maanden naar Indonesië. Deze 'heroriëntatiereis' werd voor hem van beslissende betekenis. In de republikeinse hoofdstad Djokjakarta hernieuwde hij de kennismaking met - nu president - Soekarno. Hij leerde er ook de toenmalige premier van de Republiek, Soetan Sjahrir, kennen, een westers denkend, nationalistische sociaal-democraat als hijzelf. Deze vroeg hem zich paraat te houden om ter wille van de jonge Republiek een rol te kunnen spelen bij de internationale onderhandelingen. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook was van zijn kant weinig ingenomen met de sympathiebetuigingen van het Tweede-Kamerlid aan de nationalisten. Hij voegde hem toe: 'Bedenk wel, mijnheer Palar, dat U hier te gast bent!' (geciteerd in: Giebels, 23)

Palar keerde als herboren uit Indonesië terug. Tijdens het Kamerdebat van 11 juli 1947 over de ultimatieve nota van de Nederlandse regering aan de Republiek die de inleiding zou vormen tot de eerste politiële actie, hield hij zijn langste parlementaire rede; het zou tevens zijn laatste optreden in de Kamer zijn. Hij zei 'te willen zoeken naar wat verenigt en niet naar wat scheidt' en drong erop aan de tussen Nederland en de Republiek gerezen geschillen te onderwerpen aan internationale arbitrage. Toen de PvdA-fractie zich op 20 juli moest uitspreken over de politiële actie, die enkele uren tevoren van start was gegaan, stemde Palar uiteindelijk als enige tegen, waarna hij in tranen de vergadering verliet. Daags daarna schreef hij aan het partijbestuur: 'Ik bevestig hiermee mijn mondeling verzoek te worden geschrapt als lid van de Partij van de Arbeid, met ingang van heden. Ik stel er prijs op mede te delen dat ik dit verzoek niet uitsluitend doe als Indonesisch Nationalist, doch ook als socialist. Het is U bekend hoe zwaar deze stap mij valt' (geciteerd in: Giebels, 25).

Sjahrir - inmiddels begin juli als premier opgevolgd door Sjarifoeddin - die als een 'ambassador-at-large' in New Delhi de steun van India zocht, vroeg Palar per telegram hem te volgen naar het Amerikaanse Lake Success, waar de Veiligheidsraad vergaderde. Sjahrir wist hier te bereiken dat een republikeinse delegatie - zonder stemrecht - aan de beraadslagingen over het Nederlands-Indonesische conflict mocht deelnemen. Toen Sjahrir naar Indonesië terugkeerde, kwam Palar in de tweede helft van 1947 aan het hoofd te staan van de delegatie van de Republiek. De kleine, bescheiden, vriendelijk ogende Indonesiër werd voor de Amerikanen als het ware het symbool van de underdogpositie waarin diens land aanvankelijk verkeerde ten opzichte van de zelfbewuste Nederlandse delegatie onder leiding van de steile E.N. van Kleffens. Op aandrang van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, G.C. Marshall, gaf Palar geregeld korte uiteenzettingen aan diens staf over de ontwikkelingen in het conflict. Een deel van de Nederlandse pers schilderde de voormalige back-bencher af als een landverrader.

Toen Nederland in december 1948 aan de tweede politiële actie begon, boog de Veiligheidsraad - nu in Parijs bijeen - zich opnieuw over de kwestie. Op 22 december zat Nederland in het Palais Chaillot ten overstaan van de hele wereld in de beklaagdenbank. De nieuwe Nederlandse delegatieleider, J.H. van Roijen, probeerde tevergeefs het optreden van zijn land te rechtvaardigen. Daarna bracht Palar de Indonesische eisen naar voren, die door de Veiligheidsraad werden overgenomen. Na afkondiging van een staakt-het-vuren werden Nederland en de Republiek op 23 maart 1949 door de voorzitter van de Raad opgeroepen tot een 'preliminary conference' te komen. Palar ging hiermee akkoord. Deze bespreking, resulterend in de Van Roijen-Roem-overeenkomst in mei, leidde tot de Ronde-Tafelconferentie in Den Haag. Op 12 december - tijdens de laatste vergadering die de Veiligheidsraad aan de Indonesische kwestie wijdde - toonde Palar zich namens zijn regering tevreden met de resultaten van deze conferentie. In zijn slotwoord bracht hij hulde aan zijn tegenstander Van Roijen, die op zijn beurt uiting gaf aan zijn respect voor de Republikeinse opponent.

Na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 heeft Palar eerst een missie vervuld naar Moskou, om de Sovjetunie ertoe te bewegen Indonesië als lid van de Verenigde Naties te aanvaarden. Op 26 september 1950 voerde Palar zijn land de volkerenorganisatie binnen en werd hij hier de officiële vertegenwoordiger van Indonesië. Drie jaar later volgde zijn benoeming tot ambassadeur in India, wat hij bleef tot april 1955, toen hij werd teruggeroepen voor de Azië - Afrika Conferentie te Bandoeng. Daarna was Palar van 1955 tot 1956 ambassadeur in de Bondsrepubliek Duitsland en had hij tevens tot taak het staatsbezoek van president Soekarno aan de Sovjetunie voor te bereiden. Van 1957 tot 1962 volgde daarop voor Palar een ambassadeurschap in Canada.

In 1962 werd Palar opnieuw vertegenwoordiger van Indonesië bij de Verenigde Naties. Op 31 december 1964 kreeg hij echter de voor hem pijnlijke opdracht zijn land uit de volkerenorganisatie terug te trekken, omdat deze zich keerde tegen Soekarno's confrontatiepolitiek jegens Maleisië. Begin 1965 werd Palar ambassadeur in Washington. In 1967, toen Soekarno in feite al door de nieuwe machthebber Soeharto was opzijgeschoven, smaakte Palar het genoegen zijn land te mogen terugvoeren in de schoot van de Verenigde Naties.

In 1970 beëindigde Palar zijn werkzame leven. Hij trok zich met zijn vrouw en jongste dochter terug in de rustige villawijk 'Menteng' in Djakarta, waar hij zich - met als koosnaam 'Oom Babe' - wijdde aan sociaal werk. Toen hij daar in 1981 op tachtigjarige leeftijd overleed, stond het Soehartobewind de oude medestander van Soekarno een staatsbegrafenis toe.

A: Archief-L.N. Palar in het Arsip Nasional te Djakarta (Indonesië).

P: Artikelen in Het Volk en Het Vrije Volk (1930-1947); De Strijd (1930-1935); De Sociaal Democraat (1930-1937); De Socialistische Gids (1930-l938); Socialisme en Democratie (1939-1940 en 1945-1947); De Vakbeweging (1930-1940); Vrije Gedachten (1944-1945).

L: De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Een bronnenpublikatie . II: 1927-1942 . Bew. door S.L. van der Wal (Groningen 1965); Het dagboek van Schermerhorn. Geheim verslag van prof.dr.ir. W. Schermerhorn als voorzitter der commissie-generaal voor Nederlands-Indië, 20 september 1946 - 7 oktober 1947 . Onder red. van C. Smit (Groningen 1970); Lambert J. Giebels, 'Een oud-SDAP'er in Jakarta', in Socialisme en Democratie 36 (1979) 470-471; M. van der Goes van Naters, Met en tegen de tijd. Een tocht door de twintigste eeuw (Amsterdam 1980); G. McTurnan Kahin, in Indonesia 22 (1981) 169-170; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog XIa, XIc, en XII ('s-Gravenhage 1984, 1986, 1988); Jan Bank, Katholieken en de Indonesische Revolutie (2de dr.; Dieren 1984); Lambert J. Giebels, 'De Indonesiër L.N. Palar', in Orion. Tweemaandelijks oriënterend tijdschrift Nederland/Indonesië 2 (1985) 4, pp. 22-25, ibidem 5, pp. 38-39 en ibidem 6, p. 18; Peter van Tuyl, '''Mijn positie is helaas niet erg benijdenswaardig''. Nico Palar en de koloniale politiek van de Nederlandse sociaal-democratie, 1930-1947' [Ongepubliceerde doctoraalscriptie afd. Nieuwste Geschiedenis Universiteit van Amsterdam] (Amsterdam 1985); Harry A. Poeze, In het land van de overheerser . I: Indonesiërs in Nederland, 1600-1950 (Dordrecht 1986); Emile Schwidder, lemma in Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland VII (Amsterdam 1998) 168-172.

I: Elseviers Weekblad , 4-6-1966 (p. 21).

Lambert J. Giebels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013