Plemp van Duiveland, Lambertus Joannes (1868-1940)

 
English | Nederlands

PLEMP VAN DUIVELAND, Lambertus Joannes (1868-1940)

Plemp van Duiveland, Lambertus Joannes, journalist (Rotterdam 6-10-1868 - 's-Gravenhage 10-6-1940). Zoon van Leonardus Jan Plemp van Duiveland, makelaar in koffie, en Maria Rozetta Cornelia van Marle. Gehuwd op 1-11-1894 met Caroline Marie Wilhelmine Zillesen (1871-1935). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden zoon, 2 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Plemp van Duiveland, Lambertus JoannesPlemp van Duiveland was de enige zoon uit zijn vaders tweede huwelijk. Hij groeide - samen met zijn twee zusters en een stiefzuster - op in Rotterdam, waar hij het gymnasium bezocht. Na het eindexamen ging hij in 1887 in Leiden rechten studeren. Hier bleek al spoedig zijn letterkundige begaafdheid. Zo werd in 1889, bij de viering van het halve-eeuwfeest van het Leidsche Studenten Corps, een door hem geschreven toneelstuk opgevoerd. In 1891/1892 was Plemp praeses van het corps. Op 12 december 1893 promoveerde hij op Het waterschap tegenover zijne schuldeischers .

Enkele maanden later, in maart 1894, werd Plemp redacteur buitenland bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Zijn artikelen over de zaak-Dreyfus, waarin hij zich 'dreyfusard' betoonde, trokken de aandacht. Later schreef hij kameroverzichten, die volgens zijn collega C.K. Elout van het Algemeen Handelsblad 'gedegen van inhoud' en 'ongemeen aantrekkelijk van stijl' waren (Jubileumnummer Algemeen Handelsblad , 5-1-1928). Van 1894 tot en met 1904 maakte Plemp tevens deel uit van de hoofdredactie van Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift , waarin hij het buitenlands overzicht schreef.

In 1900 verzochten enkele Twentse ondernemers Plemp de hoofdredactie op zich te nemen van De Nieuwe Courant . Deze krant hadden zij opgericht 'toen de Ongevallenwet de groote werkgevers attent had gemaakt op de wijze, waarop zij zich moesten vereenigen om hun gemeenschappelijke belangen voor te staan' (Journalistiek , 41). Twintig jaar lang heeft Plemp hierin, naar eigen zeggen, 'de industrieele belangen voorgestaan en daarbij de beginselen der Vrij-liberale partij verdedigd' (ibidem). Niet iedereen was daarom overtuigd van de redactionele onafhankelijkheid van dit in Den Haag verschijnende dagblad. Het vrijzinnig-democratische Kamerlid M.W.F. Treub uitte in 1908 zelfs de beschuldiging dat het zijn oordeel aan werkgevers had 'verpand, zoo niet verkocht' (geciteerd in: Cramer, 31-32). Maar een ereraad, ingesteld door de Nederlandsche Journalistenkring (NJK), tot welks bestuur Plemp meermalen had behoord, stelde zijn eerlijkheid en onafhankelijkheid buiten twijfel, al achtte de raad de verhouding tussen de courant en de werkgevers niet zonder bedenking, als precedent voor 'zwakkere broeders'.

Dit precedent was evenwel voor de NJK geen beletsel Plemp in 1911 tot zijn voorzitter te benoemen. Tijdens zijn ambtsperiode beijverde hij zich vooral voor het journalistieke auteursrecht. Hij maakte deel uit van de staatscommissie die de Auteurswet van 1912 voorbereidde, en vertegenwoordigde de regering meermalen op internationale conferenties over auteursrecht. Een ander stokpaardje van Plemp was de journalistieke vakopleiding. Een eerste aanzet daartoe, aan de Universiteit van Amsterdam, verliep al gauw. Een werkelijke opleiding zou pas een kwarteeuw na zijn dood tot stand komen. De verbetering van de economische positie van de journalist had minder Plemps belangstelling. Hij vond dat de NJK eerder de geestelijke dan de materiële belangen van de journalist diende te behartigen. In de Eerste Wereldoorlog vergde de handhaving van Nederlands neutraliteit extra waakzaamheid van de voorzitter.

Als hoofdredacteur streefde Plemp ernaar zijn dagblad 'een weinig [te] houden boven het peil van het gemiddelde zijner lezers, want dezen zoeken in hun blad vooral educatie' (Journalistiek , 13). Hij meende dat een krant in de eerste plaats 'journal d'opinion' diende te zijn en betreurde het dat de pers steeds meer 'presse d'information' werd. Volgens Elout wist Plemp De Nieuwe Courant te maken tot 'een van de beste persorganen ... die Nederland ooit heeft gehad'. Plemp noemde hij een 'geboren leider' met 'een soliede en veelomvattende kennis, een snel en scherp begrip, een vaste maar beheerschte hand, een voornamen maar nooit hooghartigen geest en een klare en boeiende uiting' (Het Vaderland , 15-6-1940).

Dit nam evenwel niet weg dat De Nieuwe Courant nooit een financieel succes is geworden. In 1923 werd zij verkocht aan de NRC , en vier jaar later ging zij in Het Vaderland op. Maar toen had Plemp de krant al lang verlaten. In 1917 was hij ingestort, waarschijnlijk als gevolg van de zware last die het voorzitterschap van de NJK in oorlogstijd betekende en onder de druk van de slechte vooruitzichten van zijn eigen krant. Enige jaren sukkelde hij nog door, maar in 1920 trad hij af èn als hoofdredacteur èn als voorzitter van de NJK, die hem met het erevoorzitterschap vereerde.

Op medisch advies moest Plemp 'een werkkring zonder emotie' zoeken, en die verschafte minister H.A. van Karnebeek hem door zijn benoeming in 1920 tot tijdelijk persreferendaris, later chef van het bureau pers, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit was geen benijdenswaardige positie. Enerzijds had Plemp te maken met een pers die wantrouwend stond tegenover het instituut van overheidsvoorlichter, anderzijds moest hij werken in een departement dat zijn minachting jegens de pers nauwelijks verheelde. Kritiek, ook uit de Tweede Kamer, bleef dan ook niet uit. Plemp kwam zelf wel met voorstellen voor een algemene persdienst, maar die vielen bij de regering niet in goede aarde. Pas in 1931 voelde zij zich genoodzaakt een commissie van advies voor de instelling van een regeringspersdienst in te stellen. Deze commissie onder leiding van J.P.A. François, waarvan Plemp lid was, adviseerde tot de instelling van zo'n dienst, een advies dat de regering overnam.

Anders dan tien jaar eerder stond de pers nu over 't algemeen gunstig tegenover overheidsvoorlichting. Deze kwam in 1933 tot stand, maar Plemp kwam er niet meer voor in aanmerking haar te leiden. Met ingang van 1 januari van dat jaar was hij, 64 jaar oud, op wachtgeld gesteld. Een poging in aanmerking te komen om aan de Leidse universiteit 'een reeks wetenschappelijke voorlezingen over de studie van het dagbladwezen' te houden had al eerder, in 1930, schipbreuk geleden. Plemp werd daar wegens zijn fysieke toestand niet geschikt voor geacht. Een beroerte had hem gedeeltelijk verlamd; zelf sprak hij in een brief aan C. van Vollenhoven over zijn 'gebrekkig voorkomen'. Ook zijn oordeelsvermogen werd niet meer geacht te zijn wat het was geweest.

Het was het einde van een loopbaan die een bijna meteoriek begin had gehad, maar al vrij vroeg gebroken werd. Het was zoals Plemps opvolger als voorzitter van de NJK schreef: 'de oude is hij nooit meer geworden', nadat hij, 48 jaar oud, was ingestort (De Journalist , 1-7-1940). Niet veel meer dan twintig jaar had Plemps ster aan het journalistieke firmament geschitterd.

P: Behalve zijn in de tekst genoemde dissertatie en artikelen in De Gids en Onze Eeuw : Twee jaren uit het einde der eeuw (1895-1896) (Amsterdam 1897); 'Nederland en de Berner conventie', in De Gids 14 (1896) III, 385-410; Journalistiek in Nederland ('s-Gravenhage 1924); Het veelbesproken verdrag met België. Een uiteenzetting ('s-Gravenhage 1926); 'Herinneringen', in De Journalist , 18-1-1934, 15-2-1934.

L: Behalve herdenkingsartikelen in Het Vaderland , 11-6-1940; C.K. Elout, in Het Vaderland , 15-6-1940; D. Hans, in De Journalist , 1-7-1940; E.J. B[elinfante], ibidem : interview in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 4-1-1933; N. Cramer, 75 jaar in het nieuws, 1884-1959. Kroniek van de Nederlandse Journalisten-Kring (Amsterdam z.j.); J. Hemels, De journalistieke eierdans. Over vakopleiding en massacommunicatie (Assen 1972); idem, Van perschef tot overheidsvoorlichter (Alphen aan den Rijn 1973); B.G.J. de Graaff, 'De voorlichting over Nederland en Indië aan de buitenlandse pers, 1900-1935. Van particulier initiatief naar overheidstaak', in Jambatan. Tijdschrift voor de geschiedenis van Indonesië 3 (1984/1985) nr. 2, 23-38; W. Otterspeer, 'De kwestie Lievegoed of het eerste lectoraat in de journalistiek te Leiden', in Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en omstreken 1989 (Leiden 1989) 155-168.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld . Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1158.

J.L. Heldring


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013