Polak, Henri (1868-1943)

 
English | Nederlands

POLAK, Henri (1868-1943)

Polak, Henri, vakbondsbestuurder en politicus (Amsterdam 22-2-1868 - Laren (N.H.) 18-2-1943). zoon van Moses Polak, diamantslijper, later juwelier, en Marianna Smit. Op 9-8-1888 gehuwd met Emily Nijkerk (1868-1943). Dit huwelijk bleef kinderloos. afbeelding van Polak, Henri

Henri Polak was nauwelijks dertien jaar toen hij - zeer tegen zijn zin en tegen het advies van zijn onderwijzer - van school werd gehaald. Zijn vader meende dat het gezin, dat uiteindelijk elf kinderen zou tellen, een tweede kostwinner nodig had. Henri, hoe begaafd ook, was nu eenmaal de oudste en moest aan de slag als diamantsnijder. Toen de omstandigheden in de diamantnijverheid verbeterden, wist vader Moses zich als zelfstandig juwelier te vestigen en kregen de jongere kinderen wel de gelegenheid verder te studeren.

In 1888 vertrok Polak, achttien jaar oud, onverwacht naar Londen, na een ruzie met zijn vader, die zich verzette tegen zijn 'nauwe betrekkingen met een vrouwspersoon van twijfelachtige zeden' (Bloemgarten (1993), 21). In Londen voegde hij zich bij de Nederlanders die in het overwegend door Oostjoodse emigranten bevolkte East End de Britse diamantindustrie gaande hielden. In het gezin waarbij hij in de kost was, vond hij de vrouw met wie hij zijn leven zou delen, Milly Nijkerk. Wel zou het huwelijk door de veelvuldige affaires van de echtgenoot herhaaldelijk op de proef worden gesteld. Met een onderbreking van enkele maanden zou het paar tot 1890 in Londen blijven wonen.

Na zijn terugkeer in Amsterdam werd Polak lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), een ongebruikelijke stap, want de meeste joodse arbeiders hadden tot dan toe weinig op met het socialisme. Hoewel hij in de loop van zijn leven verschillende versies van zijn 'bekering' heeft gegeven, staat wel vast dat de socialistische propagandisten in Hyde Park daaraan in belangrijke mate hebben bijgedragen. Polaks toetreding tot de SDB markeerde het begin van zijn veelzijdige politieke en culturele ontwikkeling. Hij legde zich hier toe op propagandistische activiteiten. In dit kader paste zowel de overneming door Polak en een aantal van zijn geestverwanten van de kwijnende Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging in 1892 als het werk voor de propagandaclub ''t Centrum', die er inderdaad in slaagde om in korte tijd veel joodse arbeiders voor het socialisme te winnen.

Polaks werkzaamheden als vakbondsman, propagandist en redacteur (sinds 1893) van het sociaal-democratische weekblad De Nieuwe Tijd deden zijn ster in de SDB snel rijzen, maar confronteerden hem onvermijdelijk ook met de diepsnijdende persoonlijke en politieke geschillen die de vroege socialistische beweging uiteindelijk zouden doen splijten. In die politieke heksenketel probeerde Polak zijn eigen weg te vinden, ook in zijn journalistieke werk, waaruit overigens onmiskenbaar literaire ambities spraken. Uiteindelijk koos hij de zijde van de reformisten, en in 1894 was hij een van de 'twaalf apostelen', zoals de oprichters van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) zouden worden genoemd. In de daaropvolgende decennia zou Polak een belangrijke rol in de SDAP blijven spelen, onder meer als lid van het partijbestuur, gedurende vele jaren met onderbrekingen, vanaf de oprichting van de partij, en als partijvoorzitter, van 1900 tot 1905. Hij was de eerste sociaal-democraat die zitting had in de Amsterdamse gemeenteraad, van 1902 tot 1906, en de eerste sociaal-democraat in de Eerste Kamer, van 25 november 1913 tot en met 19 mei 1922 en van 19 september 1923 tot en met 5 juni 1937. Tussendoor, van september tot november 1913, was hij korte tijd lid van de Tweede Kamer.

Het was evenwel niet de ontwikkeling van de partij, maar die van de Nederlandse vakbeweging waarop Polak persoonlijk een stempel zou drukken. Een beslissend moment daarbij vormde de oprichting - tijdens een staking - van het 'Hoofd-Comité der gezamenlijke Diamantbewerkers Vereenigingen' in 1894, een samenwerkingsverband van de Handwerkers Vriendenkring en enkele vakverenigingen, dat een jaar later zou worden omgedoopt tot de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Polak, die tot voorzitter werd gekozen, drukte van meet af aan zijn stempel op wat beschouwd kon worden als de eerste moderne vakbond in Nederland. De ANDB groeide in korte tijd uit tot een modelbond. Zelfbewust, goed georganiseerd, slagvaardig en financieel krachtig, richtte hij zich op belangenbehartiging en niet op politieke actie, zoals de bonden van de 'oude beweging'.

Als voorzitter van de ANDB en, later, het Wereldverbond van Diamantbewerkers zette Polak de lijnen uit die door een toenemend aantal vakorganisaties zouden worden gevolgd. De ontwikkeling van de moderne vakorganisatie, die nog eens werd gestimuleerd door het echec van de spoorwegstaking van 1903, vond haar eindpunt in de oprichting van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) in 1906. Het sprak bijna vanzelf dat het voorzitterschap toeviel aan Polak, door de sociaal-democratische voorman J.H. Schaper gekarakteriseerd als 'de vakbeweging zelve' (Bloemgarten (1993), 203).

Hoewel Polaks activiteiten zich steeds verder uitbreidden, bleef hij zijn leven lang trouw aan de ANDB, waaraan hij op persoonlijke wijze leiding gaf. Als moderne bond stelde deze zich weliswaar in de eerste plaats op als behartiger van de belangen van zijn leden, tegelijk was hij beduidend meer dan dat. Uiteindelijk ging het erom - in de ogen van Polak - de diamantarbeiders aaneen te smeden tot een socialistische Gideonsbende, voor wie culturele ontplooiing en zedelijke verheffing van even groot belang waren als sociale strijd en materiële vooruitgang. Voor Polak waren dat geen loze woorden. Op alle mogelijke manieren probeerde hij zijn aanhang voor deze idealen te winnen.

In de weerklank die Polaks streven binnen de ANDB vond, weerspiegelde zich nog een andere ontwikkeling: de geleidelijke emancipatie van het Amsterdamse joodse proletariaat. De grote meerderheid van de tienduizenden arbeiders in de Amsterdamse diamantbewerking - de omvangrijkste en hoogst ontwikkelde branche in de diamantwereld - was joods; omgekeerd was ongeveer een derde van de joodse arbeiders direct afhankelijk van deze wispelturige bedrijfstak. Binnen de joodse gemeenschap vervulden Polak en de ANDB een voortrekkersfunctie; de bond was een baken op de weg naar een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving, weg uit de armoede en het 'getto'.

Toch was de ANDB geen 'joodse bond'. Integendeel, het bestuur, Polak voorop, verzette zich met kracht tegen pogingen, van welke zijde ook, de ANDB te monopoliseren en daarmee tot 'een broeinest van rassenhaat' te maken. Precies deze omstandigheden hebben er belangrijk toe bijgedragen dat de joodse arbeiders in Nederland een geïntegreerder plaats in de samenleving innamen dan in veel andere landen, zoals Frankrijk, Groot-Brittannië of Polen.

Binnen de joodse gemeenschap groeide Polak in de loop der jaren uit tot een welhaast mythische figuur, vereerd en tegelijkertijd vertrouwd en bejegend als een naast familielid. Met genegenheid sprak men over zijn persoonlijke betrokkenheid en toegankelijkheid, zijn vaderlijke strengheid en zorgzaamheid jegens velen binnen en buiten de ANDB. Natuurlijk had hij ook zijn zwakheden. Hij kon bijzonder rechtlijnig, eigenzinnig en fel zijn, en ook viel het hem moeilijk van jongere vrouwen af te blijven. Maar hem werd veel vergeven. Door de combinatie van volksopvoeder, vakbondsleider en vertrouwenspersoon werd hij als het ware de 'rebbe der diamantbewerkers' (Meijer). De bundeling van deze rollen, verbonden met verschillende tradities, ervoer Polak niet als een probleem. Hij was er als het ware mee opgegroeid, sinds zijn jeugd, toen hij, wonend op de Botermarkt - buiten het 'getto' -, in de oude Jodenbuurt schoolging en daar op sabbat met zijn vader de synagoge en de 'chewre' bezocht.

In tegenstelling tot veel anderen in zijn omgeving voelde Polak nauwelijks een spanning tussen zijn joodse afkomst, zijn socialisme en Nederlanderschap. Hij brak al vroeg met het geloof, maar zonder rancune; later zou hij zelfs met weemoed over de oude Jodenbuurt schrijven. En hoewel hij het zionisme aanvaardde als een noodzakelijke uitweg voor de vervolgde joden in Oost-Europa en op grond hiervan zelfs actief was binnen het Palestina Opbouwfonds, stond deze beweging emotioneel en politiek ver van hem af. Diep verontwaardigd keerde hij zich in de jaren dertig tegen pogingen - van zionistische en extreem-rechtse zijde - de positie van joden als 'Hollanders' in twijfel te trekken.

Zeer opmerkelijk was Polaks opstelling in de scherpe conflicten die de socialistische beweging aan het begin van deze eeuw teisterden. Voor zover hij al belangstelling had voor theoretische kwesties, dan beperkte deze zich hoofdzakelijk tot de vakbeweging, waaraan hij enkele belangwekkende beschouwingen wijdde. Polak ontpopte zich als een uitgesproken pleitbezorger van een evolutionair socialisme. Daartoe werd hij geïnspireerd door de Britse socialisten Sidney en Beatrice Webb - van wie hij enkele werken, waaronder History of trade unionism (1894), vertaalde - en de 'Fabian Society', waarvan de invloedrijke socialistische industrieel F.M. Wibaut en hij de enige Nederlandse leden waren. Toch verhinderde dit Polak niet het bij de richtingenstrijd in de SDAP op te nemen voor de marxistische oppositie. Nog tijdens de discussies op het Deventer Congres in 1909 zou hij proberen te bemiddelen. De scheuring die zich daar voltrok, was voor hem een bittere ervaring. Uit protest tegen de compromisloze houding van de partijleiding jegens de opposanten - onder wie een aantal van zijn vrienden -- besloot Polak zijn functies in de beweging, waaronder het voorzitterschap van het NVV, neer te leggen.

Polaks toenmalige sympathie voor de marxistische oppositie had minder te maken met haar theoretische zuiverheid dan door hem met haar gedeelde belangstelling voor kunst en cultuur. In de grond van de zaak was het socialisme van Polak en zijn vrienden - onder wie Franc van der Goes, Herman Gorter, het echtpaar Rik en Henriëtte Roland Holst, J.F. Ankersmit en H.P. Berlage - ethisch en esthetisch van aard: het kapitalisme zou nimmer in staat zijn de arbeiders waardigheid en schoonheid te verschaffen, en daarom moest dit stelsel verdwijnen. Anderzijds zou de arbeider 'zonder onderwijs, zonder opvoeding, zonder cultuur ... nooit de eigenschappen bezitten, die hem den onontbeerlijken gemeenschapszin zullen brengen en hem zullen maken tot den socialistisch denkenden en handelenden mensch, die de nieuwe gemeenschap scheppen en besturen zal', aldus Polak in Het Jonge Leven (febr. 1920), het door hem opgerichte en geredigeerde maandblad voor jonge diamantarbeiders.

Ook de wortels van Polaks cultuursocialistische idealen zijn voor een belangrijk deel te herleiden tot Britse bronnen, met name William Morris en diens Arts and Craft Movement. Deze invloed werkte door in de besluiten over de nieuwe zetel van de ANDB. Het ontwerp en de decoratie daarvan werden gegund aan twee geestverwanten, de architect Berlage en de beeldend kunstenaar Roland Holst, een samenwerking die resulteerde in een gebouw (1900) dat de Bondsleden met trots vervulde en als een bijzonder en waardevol architectonisch werk mag worden beschouwd.

Polaks ethisch-esthetische opvatting van het socialisme vond haar weerslag niet alleen in zijn werk voor de vakbeweging en de politiek, zijn omvangrijke journalistieke oeuvre en zijn bestuurlijke en publicistische activiteiten op het terrein van de natuurbescherming en de monumentenzorg, maar ook in zijn persoonlijke leven. Een belangrijk moment daarin vormde zijn verhuizing van Amsterdam naar een landelijke, door Berlage ontworpen woning in het Gooise kunstenaarsdorp Laren in april 1906, een stap die was ingegeven door zijn toenemende doofheid, zijn liefde voor de natuur en de wens om zijn zieke pleegzoon Hans - geboren uit het huwelijk van zijn broer Sjef en Sara Fuldauer - een gezonde omgeving te bieden.

Het leven in Laren bood Polak tevens de gelegenheid zich wat meer terug te trekken. Hij had dat ook nodig, want er zou altijd een spanning blijven tussen de extraverte Polak, die het heerlijk vond voor een grote menigte zijn ideeën op plastische wijze uiteen te zetten, en de man die zich wilde afzonderen om te studeren, te schrijven en vertalen, en dit voor zichzelf misschien van grotere waarde achtte.

In juni 1932 verleende de Universiteit van Amsterdam Polak een eredoctoraat 'wegens maatschappelijke verdiensten voor de wetenschap'. De titel vervulde Polak, die slechts de lagere school had doorlopen, met trots, vooral ook omdat de toelichting bij het besluit niet alleen melding maakte van zijn verdiensten voor de arbeidersbeweging en de natuurbescherming, maar ook van zijn kennis van en liefde voor de natuur, taal en literatuur.

Het eredoctoraat bezegelde in zekere zin ook de positie die Polak op dat moment binnen de socialistische beweging innam. Opererend op het tweede plan, maar steeds zichtbaar, niet alleen als lid van de Eerste Kamer en als leider van de ANDB, maar vooral ook als auteur van enkele populaire werken, zoals Het kleine land en zijn groote schoonheid (1929) en een eigen wekelijkse 'Kroniek' in de bladen van de Arbeiderspers, groeide hij in de jaren tussen de wereldoorlogen uit tot een betrekkelijk onafhankelijke en gezaghebbende figuur. Hij was daarom bij uitstek de man om - voor de tweede maal - het voorzitterschap van de SDAP op zich te nemen toen deze partij in 1926 plots haar bezoldigde voorzitter kwijtraakte en zich bovendien bedreigd voelde door de politieke aspiraties van de ambitieuze NVV-voorzitter Roel Stenhuis. Polak zou de functie bijna twee jaar, van april 1926 tot december 1927, vervullen.

De 'Kroniek' in Het Volk en zijn kopbladen was minder een politiek overzicht dan een lessenaar, vanwaar Polak zijn lezers de natuur en de wereld van de muziek en literatuur binnenvoerde, dan wel onderhield over taal en spelling. Met de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland en - wat later - in Nederland veranderde de toonzetting van de rubriek echter aanzienlijk. Scherp, vasthoudend en onverzoenlijk bestreed hij alles wat maar in de buurt kwam van het rechts-revolutionaire en racistische denken. Aan de andere kant ontpopte hij zich in uitvoerige - bijna apologetische - beschouwingen over de joodse cultuur en religie en 'de talloze verdiensten die de joden de mensheid hadden bewezen' als 'een vurig advocaat der joden' (Gans, 88).

De manier waarop Polak het fascisme en nationaal-socialisme bestreed, stuitte in eigen kring op weerstand. Sommige partijbestuurders meenden dat Polaks optreden onproductief was en zelfs averechts zou kunnen uitwerken, terwijl enkele anderen zich stoorden aan wat zij zagen als een preoccupatie met joodse sentimenten. Voor de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) - in de 'Kroniek' al vroeg neergezet als een beweging die zich weliswaar voordeed als een 'nette' versie van het nationaal-socialisme, maar eens haar ware aard zou tonen - was Polak een belangrijk propagandistisch doelwit. Dat juist hij, een jood, alom werd gerespecteerd als verdediger van de Nederlandse taal, cultuur en natuur, lijkt de weerzin van de inheemse nazi's tegen Polak eerder te hebben aangewakkerd dan getemperd.

Polaks laatste artikel in het weekblad van de ANDB, verschenen op 9 mei 1940, ging over Erasmus en de gruwelen van de oorlog. Na de Duitse overval trachtte zijn pleegzoon de familie over te halen naar Groot-Brittannië te vluchten. Polak stelde de beslissing uit tot het te laat was. Hij dook onder. Toen hij zes weken later terugkeerde naar Laren, gebeurde er een maand lang niets, totdat hij op beschuldiging van anti-Duitse 'Hetzerei' werd gearresteerd. Na een verblijf van een half jaar in het Amsterdamse huis van bewaring werd hij overgebracht naar het rusthuis van een NSB-arts in Wassenaar, waarmee hij feitelijk de gevangene was van de NSB. Het verblijf, waarvan hij zelf de kosten moest dragen, vormde een periode van grote eenzaamheid. Polak werd onverwacht vrijgelaten in juli 1942, precies op het moment dat de deportaties naar de vernietigingskampen begonnen. Door ziekte bleef hem dit lot bespaard, in tegenstelling tot zijn vrouw Milly, die kort na zijn dood, begin 1943, werd gedeporteerd naar Westerbork, waar zij overleed.

P: De belangrijkste publicaties en vertalingen van H. Polak worden genoemd in de onder L genoemde publicatie van Bloemgarten (1993), 731-734. Hier worden niet vermeld de duizenden artikelen die Polak schreef in o.a. Het Volk, Algemeen Handelsblad, Het Jonge Leven, De Nieuwe Tijd, het Weekblad ANDB en de Socialistische Gids.

L: Jaap Meijer, 'Henri Polak. ''Rebbe der diamantbewerkers'' ', in De Vrije Katheder 5 (1946) 556-557; Doctor Henri Polak. Van het vuur dat in hem brandde. Onder red. van O. Montagne en Johan Winkler (Amsterdam 1948); Salvador Bloemgarten, 'Henri Polak. A Jew and a Dutchman', in Dutch Jewish History. I: Proceedings of the symposium on the history of the Jews in the Netherlands .... Onder red. van J. Michman (Jeruzalem 1984) 261-278; idem, lemma in Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland II (Amsterdam 1987) 107-112; idem, Henri Polak. Sociaal democraat, 1868-1943 (Amsterdam 1993); Evelien Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999); Karin Hofmeester, 'Als ik niet voor mijzelf ben ...' De verhouding tussen joodse arbeiders en de arbeidersbeweging in Amsterdam, Londen en Parijs vergeleken, 1870-1914 (Z.pl. 1999); Joost Ramaer, 'Henri Polak. Generaal van de arbeidersbeweging', in Kopstukken van het laagland. Een eeuw Nederland in honderd portretten. Onder red. van Paul Brill ([Amsterdam] 1999) 76-79.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1164.

Frank van Vree


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013