Post, Johannes (1906-1944)

 
English | Nederlands

POST, Johannes (1906-1944)

Post, Johannes, (verzetsnamen Hemke van der Zwaag en Johannes van Setten), verzetsman (Hollandscheveld (Dr.) 4-10-1906 - Overveen (N.H.) 16-7-1944). Zoon van Jan Post, landbouwer en vervener, en Trijntje Tempen. Gehuwd op 26-11-1929 met Dina Salomons (1903-1991). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden zoon, 3 zoons en 5 dochters geboren.

afbeelding van Post, JohannesJohannes Post stamde uit een geslacht van kleine Drentse landbouwers. Na de lagere school bezocht hij gedurende één jaar de MULO, waarna hij werkzaam was op het bedrijf van zijn vader. Behorend tot de gereformeerde kerk werd Post op zestienjarige leeftijd lid van de Jongelingsvereeniging op Gereformeerde Grondslag in de afdeling van Hollandscheveld, waarvan hij in 1926 voorzitter werd. In 1929, het jaar van zijn huwelijk, vestigde Post zich als landbouwer in Nieuwlande. Hij hield zich eveneens bezig met de handel in pluimvee, eieren en paarden. Ook zette hij een vrachtdienst op voor de pluimveehouders uit zijn streek. Hij trad toe tot de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en werd in 1935 raadslid en wethouder van de gemeente Oosterhesselen. Hij liet zich kennen als een hardwerkende, intelligente, non-conformistische en zeer principiële persoonlijkheid, die het avontuur niet schuwde.

Hoewel geschokt door de Duitse inval op 10 mei 1940 en zeer anti-nationaal-socialistisch ingesteld raakte Post pas medio 1942 direct bij het verzet betrokken. Een door de Sicherheitspolizei gezochte onderduiker vond toen een veilig onderkomen in zijn boerderij. In de winter van dat jaar ging Post op pad om onderduikadressen voor joden te zoeken. Hij deed dat samen met zijn broer Marinus, die al eerder joden verborgen had gehouden op zijn boerderij te Kampen. Door zijn betrokkenheid bij de ARP onderhield Post nauwe contacten met de leiders van die partij en met de verzetsgroep rond het illegale blad Trouw .

De grote verzetsperiode van Post begon in de zomer van 1943, na de april-meistakingen van dat jaar. Deze waren een reactie op het voornemen van de bezetter de leden van de voormalige Nederlandse krijgsmacht als krijgsgevangenen naar Duitsland af te voeren, met de bedoeling hen in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitsland tewerk te stellen. De plaatselijke registratiekantoren werden al spoedig doelwit van overvallen door gewapende verzetsgroepen, aangeduid als knokploegen. Naarmate het aantal onderduikers toenam, groeide de behoefte aan distributiebonnen en andere bescheiden, wat leidde tot het ontstaan van nieuwe knokploegen voor het plegen van overvallen.

De overgang van Post - die zich eerst van de schuilnaam Hemke van der Zwaag en vervolgens van die van Johannes van Setten bediende - naar het gewapend verzet begon op 23 juni 1943 met overvallen op registratiekantoren in Sleen, Zweeloo, Oosterhesselen en Nieuweroord. Zijn verzetsgroep, waartoe de in Nieuwlande ondergedoken wachtmeester-vlieger J.W. Wildschut behoorde, werkte voornamelijk voor de Trouw -groep. Toen hem de grond te heet onder de voeten werd, dook Post onder. Niettemin werd hij op 16 juli 1943 te Ugchelen op de Veluwe door de Sicherheitspolizei gearresteerd en opgesloten in het politiebureau van Apeldoorn, waar hij de volgende dag een vergeefse poging deed te ontsnappen. Op 18 juli wist een agent van de verkeerspolitie hem uit zijn cel te halen en naar buiten te brengen. Post vond een veilige toevlucht in Rijnsburg bij Leiden, waar zijn broer Henk gereformeerd predikant was. Inmiddels was zijn gehele gezin ondergedoken.

Samen met zijn broer Marinus en Wildschut voerde Post tal van acties uit. In het najaar van 1943 trok hij het land door en legde hij binnen het verzet veel contacten. Vervolgens vestigde hij zich in januari 1944 in Breda, van waaruit hij overvallen pleegde in west-Brabant en Zuid-Holland. Een van Posts opmerkelijkste wapenfeiten is de overval die hij uitvoerde op 19 februari 1944 op het politiebureau in de Archimedesstraat in Den Haag. De buit bestond uit een zestigtal pistolen, patroonhouders en scherpe munitie.

In augustus 1943 werden de verschillende knokploegen samengebracht in één organisatie: de Landelijke Knokploegen (LKP). Het was deze LKP die de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers onder meer van distributiebonnen voorzag. Hoewel Post zich vooral betrokken voelde bij de Trouw -groep, werden zijn banden met de zo hecht dat hij medio maart 1944 werd opgenomen in de top van deze organisatie, met als taak leiding te geven in de noordelijke provincies. In april 1944 reisde hij naar het noorden om de samenwerking tussen de knokploegen van Friesland, Groningen en Drenthe tot stand te brengen.

In mei/juni 1944 kreeg de LKP zware slagen te verduren door de arrestatie van enkele leiders. Voor Post was dit een van de redenen om in de laatste week van mei naar Amsterdam te gaan voor nader overleg. Begin juni arresteerde de Sicherheitspolizei een aantal leden van de knokploegen in Groningen en Drenthe, waardoor een terugkeer naar het noorden voor Post te gevaarlijk werd. Zijn aanwezigheid in het westen was trouwens meer dan noodzakelijk, omdat door de arrestaties in de leiding van de LKP een vacuüm was ontstaan. Hoewel de verdeling van taken en competenties de nodige problemen opleverde, kreeg hij in zekere zin de supervisie over de LKP in westelijk Nederland. Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Amsterdam.

Juist in juni 1944 werd Post betrokken bij de coördinatie van het verzet in Nederland. In februari van dat jaar hadden namelijk verschillende verzetsorganisaties de 'Kern' gevormd, een overlegorgaan om te komen tot een betere technische afstemming van de verschillende verzetsactiviteiten. Tevens ging Post namens de LKP deelnemen aan de 'donderdagmiddagbesprekingen', waarin onder meer de chef-staf van de Orde Dienst (OD), jhr. P.J. Six en Gerben Wagenaar van de Raad van Verzet als representanten van het gewapende verzet overleg pleegden. Juist door dit contact ontstond bij Post waardering voor Six en de OD, wat hem door de LKP'ers niet in dank werd afgenomen.

Een zware slag voor Post was het mislukken op 23 juni 1944 van de overval op het distributiekantoor in Haarlem, waarbij Wildschut gevangen werd genomen. Onder grote druk trof Post voorbereidingen om zijn vriend uit het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam te bevrijden. Een Nederlandse SS-bewaker, die voorgaf de zijde van het verzet te kiezen, zou zijn medewerking verlenen, maar verraadde het plan aan de Sicherheitspolizei. Toen in de nacht van 14 op 15 juli 1944 een knokploeg de gevangenis binnendrong, viel deze in een hinderlaag. Na een vuurgevecht werden zes overvallers gevangengenomen. De volgende dag werd onder meer Post, die volgens plan zelf niet aan de overval had deelgenomen, gearresteerd en op 16 juli, tezamen met twaalf anderen, gefusilleerd in de duinen bij Overveen. Na de bevrijding is het stoffelijk overschot van Post herbegraven op de Erebegraafplaats Overveen te Bloemendaal.

L: Anne de Vries, De levensroman van Johannes Post (Kampen 1948); Rogier van Aerde [e.a.], Het grote gebod. Gedenkboek van het verzet in LO en LKP (Kampen [etc.] 1951); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog VIIb ('s-Gravenhage 1976); G.C. Hovingh, Johannes Post. Exponent van het verzet (Kampen 1995).

I: G.C. Hovingh, Johannes Post. Exponent van het verzet (Kampen 1995) 143.

C.M. Schulten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013