Schoenmaekers, Mathieu Hubertus Josephus (1875-1944)

 
English | Nederlands

SCHOENMAEKERS, Mathieu Hubertus Josephus (1875-1944)

Schoenmaekers, Mathieu Hubertus Josephus, filosoof (Maastricht 13-12-1875 - Laren (N.H.) 18-12-1944). Zoon van Joannes Hubertus Schoenmaekers, winkelier, en Hubertina Elisabeth Antoinetta Eberhard. Gehuwd op 8-9-1904 met Marie Eugénie Hubertine Dehaime (1880-1908). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden gehuwd op 25-11-1910 met Jacomina Jacoba Mallée (1885-1966). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Schoenmaekers, Mathieu Hubertus JosephusDe moeder van Mathieu Schoenmaekers stierf in het kraambed, zodat hij al direct na zijn geboorte werd toevertrouwd aan de goede zorgen van zijn grootouders van vaderszijde. Deze mensen, stijf-burgerlijk en streng-katholiek, hielden hem van jongs af voor dat het priesterambt zijn levensbestemming zou zijn, en zijn gehele opleiding werd daarop afgestemd. Hij doorliep vanaf 1888 het gymnasium in Rolduc en deed daar ook de tweejarige vervolgopleiding in de filosofie. Op voorspraak van de bisschop van Roermond kon Schoenmaekers in 1896 geplaatst worden aan de door de jezuïeten geleide Universitas Gregoriana in Rome. Hij studeerde er theologie en filosofie en onderging er de invloed van de hoogleraar bijbelwetenschappen E. Gismondi. Hij promoveerde in de filosofie in 1899, het jaar waarin ook zijn priesterwijding plaatsvond. In 1900 volgde zijn promotie in de theologie, waarna hij naar Nederland terugkeerde.

Schoenmaekers hoopte in Rolduc een aanstelling te krijgen als hoogleraar in de filosofie, maar naar het heet door verzet van het lerarencorps vond deze benoeming geen doorgang. Zijn kleine gestalte en onaantrekkelijk voorkomen zouden hem ongeschikt maken om de roerige jongelieden in Rolduc in toom te houden. Na korte tijd assistent te zijn geweest van een oude pastoor in Munstergeleen kon Schoenmaekers in februari 1901 naar Amsterdam vertrekken, waar hij aan de gemeentelijke universiteit Nederlandse letteren ging studeren. Nauwelijks was Schoenmaekers in Amsterdam aangekomen of de bisschop riep hem weer terug in verband met een benoeming, in september 1901, als rector van een internaat voor Duitse meisjes van de zusters Franciscanessen in Bunde bij Maastricht. Ook op andere wijze maakte hij zich nuttig voor de katholieke kerk door in 1902 een apologetische brochure te schrijven onder de titel Waarom gelooft gij? Brieven aan menschen met gezond verstand.

Inmiddels had echter de twijfel bij Schoenmaekers toegeslagen. Al gedurende zijn verblijf in Rome had hij de rooms-katholieke kerk als een benauwend instituut ervaren, waarin weinig ruimte was voor authentieke geloofsbeleving. Na terugkeer in Nederland was hij steeds meer de tegenstelling tussen priester-als-beroep en priester-uit-roeping gaan voelen. Tijdens de kerstvakantie van 1902, die hij in enkele Belgische kloosters doorbracht, overdacht Schoenmaekers zijn situatie. In augustus 1903 legde hij tenslotte zijn rectoraat en zijn priesterlijke waardigheid neer. Hij brak met de katholieke kerk, die hij alleen nog maar als een machtsinstituut kon zien, zonder overigens het katholieke geloof geheel vaarwel te zeggen. De van huis uit niet onbemiddelde Schoenmaekers verhuisde naar Amsterdam en begon zich te manifesteren als publicist. Hij schreef een brochure tegen de kerk en verwerkte zijn ervaringen in 1905 in de autobiografische roman Levenswil.

In Amsterdam vond Schoenmaekers aansluiting bij kringen van vrijzinnige christenen en vrijdenkers. Hij richtte in 1904 een anarchistisch getint tijdschrift op, Levensrecht. Maandschrift ter verbreiding der vrije ideeën , waaraan onder anderen ook Frederik van Eeden en F. Domela Nieuwenhuis meewerkten, en sprak geregeld voor de Vrije Gemeente. Vooral in literaire kringen ondervond hij in deze periode veel waardering. Van Eeden, Willem Kloos en Albert Verwey spraken zich waarderend uit over zijn publicaties en zagen in hem een man van de toekomst. Maar het lidmaatschap van de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Concordia vincit anymos' werd hem geweigerd. In 1905 sloot Schoenmaekers zich aan bij de Theosofische Vereeniging, waar hij zijn nieuwe geestelijke thuis dacht te vinden. (Later zegde hij zijn lidmaatschap van de Vereeniging weer op.) Hij schreef in deze tijd verschillende boeken, zoals in 1907 Het geloof van den nieuwen mensch, een van Nietzscheaanse geest doortrokken werk, waarin hij zich opwierp als een nieuwe geestelijke leider voor de werkelijk vrije geesten. Schoenmaekers - inmiddels getrouwd en sinds 1906 wonend in Den Haag - ontwikkelde een eigen christelijke en niet-occulte variant van de theosofie, die hij in 1911 presenteerde in een volgend boek, Christosophie. De eeredienst van de taal.

Na een studieverblijf aan de Meadville Theological School in Pennsylvania, van september 1911 tot maart 1912, keerde Schoenmaekers niet terug naar Den Haag, maar vestigde hij zich eerst enige maanden in Blaricum en vervolgens, in november 1912, in Laren, waar hij een huis aan de rand van de hei betrok. In deze kolonie van kunstenaars en wereldverbeteraars werd de voormalige priester al spoedig een figuur van enig aanzien. Was hij in zijn Amsterdamse en Haagse periode hoofdzakelijk moralist en grondlegger van een nieuw geloof, in Laren ontwikkelde hij zich tot een filosoof die zijn religieus-wijsgerige overtuigingen vooral in boeken en lezingen uitdroeg. Door langdurige nachtelijke gesprekken en nieuwe publicaties, zoals Het nieuwe wereldbeeld uit 1915 en Beginselen der beeldende wiskunde uit 1916, oefende hij invloed uit op enkele avant-gardistische kunstenaars in Laren, in het bijzonder de schilder Piet Mondriaan, met wie hij tussen 1915 en 1917 veelvuldig omging. Hoewel Mondriaan al in de jaren voor 1914, toen hij nog in Parijs woonde, zijn eerste ideeën over het abstracte schilderen had ontwikkeld, bleek nu dat zijn ontwikkelingsgang wonderwel strookte met de denkbeelden die Schoenmaekers inmiddels over kunst en werkelijkheid had ontwikkeld. De term 'de nieuwe beelding', die wel gebruikt wordt om de nieuwe richting in de schilderkunst aan te geven, werd populair dankzij de invloed van Schoenmaekers. Ook de schilders Bart van der Leck en Karel Schmidt, de schilder en literator Theo van Doesburg, de Belgische beeldhouwer Georges Vantongerloo en de componist Jacob van Domselaar ondergingen voor kortere of langere tijd de invloed van de Larense filosoof.

In zijn Larense tijd schreef Schoenmaekers een reeks van boeken, die stuk voor stuk beschouwd kunnen worden als een herschrijving van het voorgaande. Steeds was hij daarbij op zoek naar wat hij noemde het mysterie van de werkelijkheid, dat zijns inziens ten diepste gezocht moest worden in de universele relatie van 'tegendelen': achter de veelheid der verschijnselen ging een structuur schuil die tijdloos was en bestond uit tegendelige relaties, zoals die tussen vrouwelijk en mannelijk of die tussen innerlijk en uiterlijk. Om door te kunnen dringen tot die grondstructuur moest de filosoof de methode van de 'positieve mystiek' hanteren, dat wil zeggen het begripsmatig verhelderen en aanschouwbaar maken van het mysterie zonder het mysterie zelf te laten verdwijnen. Het beste middel om die verhoudingen te kunnen uitdrukken, zo betoogde hij, was de beeldentaal van de wiskunde, bestaande uit cirkels, ellipsen en ovalen; vandaar dat in plaats van positieve mystiek ook de term 'beeldend denken' gebruikt werd. Met de officiële wiskundige wetenschap had deze 'beeldende wiskunde' niets te maken; die wetenschap was volgens Schoenmaekers een steriel bedrijf voor 'verstandsverstijfden'. In zijn Inleiding tot de gewijde wijsbegeerte uit 1933 vatte hij zijn filosofie voor het laatst samen.

Het was toen echter nog maar een kleine schare aanhangers voor wie Schoenmaekers zijn denkbeelden uiteenzette. Al rond 1920 was zijn invloed tanende. Ondanks zijn innemende persoonlijkheid en zijn vriendelijke vollemaansgezicht - 'een hoffelijke en geleerde dwerg' zou de dichter Jan Greshoff hem later noemen (Het Vaderland , 24-1-1957) - was hij iemand die niet graag tegenspraak duldde. In zijn Larense tijd vermeed Schoenmaekers de polemiek met andersdenkenden en beperkte hij zich tot het geduldig uiteenzetten van zijn voor de meeste mensen toch onbegrijpelijke ideeën. Verder beschikte hij over een meeslepend redenaarstalent en had hij een grote behoefte discipelen te maken. Maar juist hierdoor stootte Schoenmaekers allengs meer mensen af dan hij voor zijn ideeën won. Mondriaan, die altijd waardering voor zijn denkbeelden zou blijven koesteren, ergerde zich op den duur zozeer aan diens egocentrische optreden dat hij zich afwendde van deze 'schoolmeester-paus'. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de voordrachten over 'wijsbegeerte als voorconceptie van de kunst', die Schoenmaekers tussen 1921 en 1927 als onbezoldigd docent gaf aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, hem maar weinig aanhang opleverde. In de jaren dertig raakte hij al enigszins in de vergetelheid; dat hij in 1936 een van de oprichters was van het filosofische tijdschrift Synthese. Maandblad voor het geestesleven van onzen tijd en daarin enkele jaren vele, vaak zeer korte artikelen publiceerde, deed daar niets aan af.

Mathieu Schoenmaekers, die zich na zijn breuk met de katholieke kerk in de eerste decennia van de eeuw leek te ontwikkelen als de leider van een nieuw geloof en daarmee de Nederlandse vertegenwoordiger van de bredere Europese stroming van het occultisme en esoterisme, was bij zijn dood in de laatste oorlogswinter zo goed als vergeten. Hij twijfelde echter nooit aan zichzelf en hield tot het einde vast aan zijn innerlijke zekerheden. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd daarom bij zijn sterfbed geen priester toegelaten.

A: Collectie-M.H.J. Schoenmaekers in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.

P: Een volledige bibliografie in de onder L genoemde publicatie van De Jager en Matthes, 149-152.

L: Henk de Jager en Hendrik G. Matthes, Het beeldende denken. Leven en werk van Mathieu Schoenmaekers (Baarn 1992). Hierin: 'Publikaties over M.H.J. Schoenmaekers', 152-154. Verder: M. van Domselaer-Middelkoop, 'Herinneringen aan Piet Mondriaan', in Maatstaf 7 (1959/1960) 269-293; Lien Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum, 1880-1920 (Amsterdam 1994); Yve-Alain Bois [e.a.], Piet Mondriaan, 1872-1944 (Zwolle 1994) 338-340.

I: De Hollandsche Revue 13 (1908) 32.

K. van Berkel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013