Sleeswijk, Reijndert (1907-1978)

 
English | Nederlands

SLEESWIJK, Reijndert (1907-1978)

Sleeswijk, Reijndert, theaterproducent (Amsterdam 1-10-1907 - Bussum 18-3-1978). Zoon van Andries Teunis Sleeswijk, aannemer en architect, en Alida Maria Temme. Op 26-8-1931 gehuwd met Maria Helena de Haas (1907-1987). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Na echtscheiding (6-11-1968) gehuwd op 2-12-1968 met Cornelia Maria Brokken (geb. 1932), zangeres en later rechter. Dit huwelijk, dat op 24-2-1978 werd ontbonden, bleef kinderloos.

afbeelding van Sleeswijk, ReijndertRené Sleeswijk leek aanvankelijk in de voetsporen te treden van zijn vader, een gerenommeerde en in goeden doen verkerende aannemer, die in Amsterdam onder meer betrokken was geweest bij de bouw van de Hortus Botanicus, het Tropenmuseum en verscheidene scholen. Na de vijfjarige HBS ging hij architectuur studeren, eerst aan de Technische Hoogeschool in Delft en daarna in Parijs. Hij maakte de studie niet af, maar merkte jaren later op dat zijn kennis van de bouwkunde hem als theaterproducent nog steeds van pas kwam: 'Dan heb je iets van organisatie meegekregen en daar heb ik nu elke dag nog profijt van' (Van der Meyden).

Via een studiegenoot in Parijs, die een bijverdienste had op de afdeling decor- en kostuumontwerp van de Folies-Bergère, kwam Sleeswijk in contact met de theaterwereld. Ook hij verrichtte er korte tijd hand- en spandiensten. Naar eigen zeggen raakte hij door het bedrijf achter de coulissen zodanig geboeid, dat hij er niet meer los van kon komen. Na terugkeer in Amsterdam, schreef hij een operette, waarmee hij in 1928 aanklopte bij de directie van het Paleis voor Volksvlijt. In zijn script was men niet geïnteresseerd, maar in deze telg van een gefortuneerde aannemersfamilie wel. Louis Bouwmeester jr., directeur van het gezelschap 'Die Haghezangers', dat indertijd operettes opvoerde in het Paleis, zag in hem een potentiële investeerder. 'Vraag je moeder maar om geld', adviseerde hij de jongeman. Sleeswijk gehoorzaamde, legde geld op tafel, en kreeg in ruil daarvoor een directiefunctie bij Bouwmeester. 'En voor ik het wist waren de centen op. Maar ja, toen had ik het voetlicht geroken... Ik bad en smeekte mijn moeder, die gelukkig een engel was, of ik me mocht revancheren' (Frenkel Frank).

Vervolgens wendde Sleeswijk zich in 1929 tot de acteur en regisseur Ko Rentmeester, die niet alleen de grote Bouwmeester-operettes regisseerde, maar ook op eigen risico met minder groots gemonteerde operettevoorstellingen door het land trok. Rentmeester engageerde hem als productieassistent voor het dagelijkse reilen en zeilen, omdat hij er zelf vaak door andere verplichtingen niet bij kon zijn. In deze functie leerde Sleeswijk al gauw op eigen kracht te opereren, en desnoods ook zelf de handen uit de mouwen te steken als de opbouw van een voorstelling dat vereiste. Hij leerde te onderhandelen met artiesten, zaken te doen met zaalhouders en overleg te voeren met plaatselijke autoriteiten. Door zijn zakelijke uitstraling, die contrasteerde met de schilderachtige bonhomie van veel andere theaterproducenten uit die tijd, verwierf hij al snel het aanzien dat hij nodig had om voor zichzelf te beginnen.

Zijn eerste eigen onderneming was de in 1931 opgerichte Nationale Revue, samen met de eveneens jonge en ambitieuze producent Bob Peters, en met de populaire komiek en zanger Lou Bandy in de hoofdrol. Peters wist genoeg geld te lenen om een revue te ensceneren, en Sleeswijk trad op als technisch voorman. Samen maakten ze de onderneming tot een succes. Na twee seizoenen ontstond tussen de compagnons echter grote onenigheid over het feit dat Bandy steeds hogere financiële eisen ging stellen en ook in artistiek opzicht steeds meer zeggenschap wenste. Peters vond dat ze Bandy, die immers de grote trekpleister was, zoveel mogelijk zijn zin moesten geven. Sleeswijk was het daar niet mee eens en wilde hem zelfs ontslaan. Toen de komiek er ten slotte in slaagde enige aandelen in de Nationale Revue te verwerven, en zich verzekerd wist van Peters' steun, was de ruzie zo hoog opgelopen dat zij Sleeswijk ontsloegen.

Daarna braken voor Sleeswijk enkele moeilijke jaren aan. Hij zette een kleine revue op, waarmee hij in 1933 door Duitsland reisde. Eén van de medewerkers was de schriele Willy Walden, die eerder in de schaduw van Bandy bijrolletjes had gespeeld in de Nationale Revue. Sleeswijk en Walden waren bevriend geraakt, en Sleeswijk meende een veelbelovend talent te zien in de aankomende komiek. Hun avontuur strandde echter, waarna Walden voor de financiële zekerheid van de Bouwmeester Revue met de clown Johan Buziau koos. Sleeswijk was intussen in augustus 1931 getrouwd met Rietje de Haas, die hij als revuedanseres had leren kennen in het Paleis voor Volksvlijt. Vier maanden eerder was hun zoon René geboren.

Na het Duitse echec kwam Sleeswijk er pas weer bovenop toen Louis Davids hem in 1935 vroeg de productie op zich te nemen van een nieuwe revue, waarvan deze gevierde artiest het middelpunt zou vormen. Met de Louis Davids Revue was niet alleen het succes in de theaters verzekerd, maar ook ontstond daardoor een hechte band met de AVRO, die Davids graag voor zijn radiomicrofoon zag optreden. De samenstelling van het veelbeluisterde amusementsprogramma De bonte dinsdagavondtrein werd een paar keer per jaar uitbesteed aan Sleeswijk, die daartoe een gevarieerde uitzending zou verzorgen, waarin Davids centraal stond.

Toen Louis Davids het op dinsdag 16 maart 1937 weer eens moest laten afweten, omdat zijn astma hem parten speelde, vroeg Sleeswijk Willy Walden hem uit de brand te helpen. Walden nam Piet Muyselaar mee, een nieuwe collega uit de Bouwmeester Revue, en samen met enkele anderen vulden ze de uitzending met sketches en liedjes. Tijdens de repetities bleek er echter nog een extra scène nodig om het uur en drie kwartier vol te maken. Daarom grepen zij naar een dialoog die tekstschrijver Jacques van Tol eens voor een boek met revueteksten had geschreven. In feite was het een reeks aan elkaar geplakte moppen die in de mond van twee kwebbelende dames waren gelegd. Deze dames 'Snip&Snap' bleken het succesnummer van de week te zijn.

Walden en Muyselaar namen ontslag bij de Bouwmeester Revue en traden toe tot een klein revuegezelschap dat Sleeswijk in opdracht van de AVRO samenstelde voor een propagandatournee. Na één seizoen besloot Sleeswijk daarmee op eigen risico door te gaan. Zijn nieuwe onderneming, die de naam Nederlandsche Revue droeg, maar al snel bekend stond als de 'Snip&Snap-Revue', begon in mei 1938. Het werkterrein werd vooral gevormd door de bioscooptheaters, omdat de grote schouwburgen doorgaans bezet waren door de gevestigde revuegezelschappen met sterren als Buziau en Bandy. Ze speelden hun programma veelal twee keer per avond, 's middags een matinee en op zondag zelfs twee.

De zaken gingen dermate voorspoedig, dat Sleeswijk in september 1940 met zijn vrouw en twee zoons - in 1935 was Hans geboren - uit Amsterdam naar een groot huis in Laren kon verhuizen. Zijn vrouw, die tot dusver had geholpen met het maken van de kostuums en ook nog meedanste in het revueballet, bleef voortaan thuis. Sindsdien noemde hij haar 'Ma'.

Tijdens de mobilisatie, tot diep in de bezettingstijd en ook onmiddellijk daarna bleef de revue draaien. Sleeswijk stond erom bekend dat hij in zijn bedrijf verscheidene mannen schuilhield die werden gezocht voor tewerkstelling in Duitsland. Door het hele gezelschap en bloc aan te melden voor de Kultuurkamer en zich angstvallig aan de tekstcensuur te houden, slaagde hij in zijn belangrijkste doelstelling, namelijk de revue heelhuids door de Duitse bezetting te loodsen. Terwijl andere revuebedrijven één voor één het loodje legden wegens stijgende kosten en dalende populariteit, groeide de 'Snip&Snap-Revue' in die jaren uit tot de grootste en beste revue van het land.

De ware doorbraak kwam in 1950, toen het Amsterdamse theater Carré naar nieuwe bespelers zocht. Sleeswijk besefte dat hij voor Carré een aantrekkelijke partij was en kon hoge eisen stellen. Vijf maanden per jaar was het theater voortaan voor hem. Bovendien kreeg hij een eigen kantoorruimte in het gebouw, waar hij het hele jaar door kon resideren. Met zijn sterren sprak hij niettemin af dat hun gages, gezien de hoge ensceneringskosten, niet exorbitant zouden stijgen. 'Als Walden en Muyselaar toen op grote-stersalarissen hadden gestaan,' zei hij in 1958, 'had ik in de bioscopen moeten blijven. Maar ze begrepen me. Als we nu in Nederland één grote, echte revue hebben, is dat ook in dit opzicht aan Willy en Piet te danken' (Frenkel Frank).

Vooral in de jaren vijftig en zestig was de 'Snip&Snap-Revue' een topattractie. Vijfentwintig jaar lang verliep het optreden volgens een vast schema: de aanloop in theater 'Gooiland' in Hilversum, dan naar Carré en tenslotte nog in andere grote steden als Rotterdam en Den Haag. Zelf zette Sleeswijk de voorstellingen met minutieuze precisie in elkaar. Tijdens jaarlijkse bezoeken aan Parijs en Londen deed hij ideeën op en engageerde hij dansers en variéténummers. Met een stopwatch zat hij tijdens de eerste voorstellingen in de zaal of naast de belichter in de nok. Vaak liep hij 's avonds in een beige stofjas in de coulissen om zelf het gordijn te bedienen; niet uit bescheidenheid, maar door zijn hang naar perfectie en om zijn mensen te tonen dat hij persoonlijk betrokken was bij het welslagen van de revue.

Diezelfde instelling eiste Sleeswijk van zijn medewerkers. Eén van de vaste rituelen was een gezamenlijk kopje koffie om zeven uur 's ochtends. 'Wegblijven van het Kopje Koffie stond zowat gelijk met hoogverraad', zei een revuemedewerker later. 'Dat was iets, wat je ècht niet kon maken. Want Slees had de wind eronder. Er werd hevig voor geknokt om het één team te laten zijn, een éénheid te laten vormen' (Peekel, 137). Zelf zei hij over zijn employés: 'Ik eis heel veel van hen, maar dat doe ik ook van mezelf' (Van der Meyden).

Sleeswijk, die in de wandeling 'Slees' werd genoemd, was een bijgelovig man. 's Morgens trok hij altijd eerst de linkersok en de linkerschoen aan, anders zou alles die dag verkeerd gaan. Ook moest in de titel van de revue steeds een t voorkomen. 'Alleen die revues zijn mislukt waar geen t in de titel zat', zei hij eens. Aan een titel die daartoe geen ruimte liet, zoals Klaar... Over! in 1956, voegde hij de ondertitel Stop! Sta Stil! toe.

Ook zijn twee zoons moesten beantwoorden aan het beeld dat Sleeswijk van hen had. René kwam in 1952 als directieassistent in de zaak, sjouwde 's avonds met decors en requisieten, maar koos in 1954 voor een eigen artiestencarrière onder de naam 'René van Vooren'. Dat leidde tot een jarenlange verwijdering tussen vader en zoon. Met zijn jongste zoon Hans kon Sleeswijk beter overweg; die ging studeren en vond toen, net als vader, emplooi achter de schermen van het amusementsbedrijf.

Naarmate de concurrentie van de televisie groter werd, engageerde Sleeswijk ook televisiesterren om als extra attractie in zijn revues te staan. Een van de eersten was de zangeres Corry Brokken, die in 1960 bij hem debuteerde. Zijn bemoeienis met haar optreden - repertoire, kleding, houding - leidde tot een verhouding. Nadat zijn vrouw haar intrek had genomen in hun huisje in Spanje, en tenslotte ook toestemde in een scheiding, kon hij eind 1968 met zijn vijfentwintig jaar jongere ster in het huwelijk treden.

Met de belangstelling voor de revue ging het allengs bergafwaarts. Het jongere publiek kwam niet meer in drommen af op de traditionele showdans en de sketches van twee komieke zestigers. In 1969 stonden 'Snip&Snap' voor het eerst niet meer in Carré. Buiten de hoofdstad zette Sleeswijk de onderneming op kleinere schaal voort, maar daarnaast produceerde hij, samen met zijn zoon Hans, enkele musicals met bescheiden succes.

Sleeswijks huwelijk met Corry Brokken liep in 1977 stuk. Hij kon in haar slechts de stralende vedette zien, aldus haar versie, terwijl zij de oppervlakkigheid van de showbusiness beu was en rechten wilde studeren. Dit leidde tot een breuk. In hetzelfde jaar kwam er ook, met stille trom, een eind aan de revue. Kort nadat Corry Brokken was hertrouwd met een studievriend, stierf Sleeswijk. Hij was al geruime tijd ziek en had enkele jaren eerder een hartinfarct gehad. Na het opheffen van de revue had hij niets meer om handen. Zijn specialiteit was het theater als avondje uit voor alle rangen en standen, en daaraan wijdde hij zich - ogenschijnlijk koelbloedig - met hart en ziel. Hij streefde ernaar, volgens zijn eigen smaak, pracht en praal te bieden en daarop tegelijk een gezond theaterbedrijf in stand te houden. Maar op zijn zeventigste bracht hij niet meer de energie op daaraan nieuwe inhoud te geven. In het boekje Het fenomeen Snip en Snap zei hij een paar jaar eerder: 'Ik kan niet blijven stilstaan als alles om me heen in beweging is. Of ik er iets mee te maken wil hebben, is een tweede' (p. 125).

A: Persdocumentatie betreffende René Sleeswijk bij het Theater Instituut Nederland te Amsterdam, alwaar ook het revuearchief wordt beheerd.

L: Leo J. Capit, Snap-Snippers. Weggeblazen door Willy Walden en Piet Muyselaar... (Utrecht 1954); Dimitri Frenkel Frank, 'René Sleeswijk's ''Een avondje uit''', in De Telegraaf , 17-7-1958; Henk van der Meyden, 'René Sleeswijk, de dappere eenling', in De Telegraaf , 27-7-1963; C. van Hoboken, 'Portret van ''Slees''', in Trouw , 12-8-1968; Menno Hielkema, Het fenomeen Snip en Snap (Apeldoorn 1970); Dries Krijn, 'De ambitieuze spitsburger: Van Tol', in idem, Bonte pracht, vederdracht. Geschiedenis van de revue in Nederland (Zutphen 1980) 145-156; Han Peekel [e.a.], 100 jaar Carré (Amsterdam 1987) 135-141; Willy Walden, Ja, dat was Revue (Kampen [1990]); Corry Brokken, Wat mij betreft. Memoires (Amsterdam 2000) 107-194.

I: Hans de la Rive Box, Bonte Parade. Een revue van bekende Nederlandse radiosprekers en artisten (Amsterdam [1948]) 37.

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013