Slotemaker de Bruine, Gerardus Hendricus (1899-1976)

SLOTEMAKER DE BRUINE, Gerardus Hendricus (1899-1976)

Slotemaker de Bruine, Gerardus Hendricus, politicus (Beilen (Dr.) 29-1-1899 - 's-Gravenhage 27-12-1976). Zoon van Jan Rudolph Slotemaker (door naamstoevoeging bij KB van 26-6-1889 nr. 28 gewijzigd in Slotemaker de Bruine), Nederlands-hervormd predikant, later hoogleraar en minister, en Cornelia de Jong. Gehuwd op 28-1-1926 met Annie Amalia Bosman (1900-1973). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. Na echtscheiding (26-7-1957) gehuwd op 13-8-1957 met Guurtje Roosdorp (1906-1995). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Slotemaker de Bruine, Gerardus HendricusGerard Slotemaker de Bruine is zijn leven lang vooral bekend gebleven als de zoon van een beroemde vader. Van die beroemdheid was overigens nog geen sprake toen Gerard, de derde van zeven kinderen, werd geboren. Vader Slotemaker stond als predikant onder meer in Beilen, Middelburg, Nijmegen en Utrecht. Dit waren achtereenvolgens de plaatsen van Gerards jeugd. In de laatstgenoemde stad bezocht hij het gymnasium en ging hij, na het vervullen van de militaire dienst, in 1919 aan de Rijksuniversiteit rechten studeren. Slotemaker werd lid van het Utrechtsch Studenten-Corps en was tevens actief in de Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging (NCSV) en de World's Student Christian Federation. Na op 16 december 1924 het doctoraalexamen te hebben afgelegd studeerde hij, eveneens in Utrecht, twee jaar economie bij prof. C.A. Verrijn Stuart. Een poging een proefschrift te schrijven over de verhouding tussen economie en ethiek bleef echter in de fase van het manuscript steken. In 1926 trouwde hij met zijn jeugdvriendin Annie Bosman. Het werd geen goed huwelijk, vooral omdat zij zijn intellectuele belangstelling niet deelde.

Na vele sollicitaties kreeg Slotemaker begin 1927 een betrekking bij de sociaal-economische afdeling van NV Philips Gloeilampenfabrieken te Eindhoven. In januari 1932 trad hij in dienst bij Centraal Beheer, een overkoepeling van bedrijfsverenigingen, te Amsterdam, eerst op de afdeling voor ziekteverzekeringen en daarna als chef van de administratieve afdeling. Vooral bij Philips werd Slotemaker zich in toenemende mate bewust van de grote maatschappelijke tegenstellingen. Maar meer nog dan door het sociale vraagstuk werd hij in de jaren dertig in beslag genomen door de dreiging die uitging van het Duitse nationaal-socialisme. Tijdens enkele reizen naar Duitsland legde Slotemaker hier contacten met de Bekennende Kirche en met de theoloog K. Barth, wiens geschriften hem sterk beïnvloedden. In 1938 benoemd tot secretaris van de Raad van Kerken voor Practisch Christendom, organiseerde hij nog datzelfde jaar, samen met Barth en W.A. Visser 't Hooft, de secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken in oprichting, in Utrecht een conferentie voor Duitse predikanten van de Bekennende Kirche over de vraag welke houding men tegenover het nationaal-socialisme moest aannemen.

Na de Duitse inval behoorde Slotemaker tot de initiatiefnemers van de zogeheten Luntersche Kring, een groep Nederlandse barthianen, die in augustus 1940 in Lunteren voor het eerst bij elkaar kwamen. Deze groep zette de protestantse kerken onder druk om zich te verweren tegen de Duitsers en verspreidde informatie om het verzet te stimuleren. Door de Luntersche Kring raakte Slotemaker betrokken bij de groep rond het illegale blad Vrij Nederland , waaraan hij ook bijdragen leverde. Bij Centraal Beheer was men intussen weinig ingenomen met zijn politieke activiteiten en werd hij hierin tegengewerkt. Daar Slotemaker na de bevrijding werk met meer sociale en politieke inhoud wilde verrichten, nam hij - misleid door de Britse propaganda over een spoedig einde van de oorlog - al in 1942 ontslag. Zodoende was hij gedurende de drie laatste bezettingsjaren werkloos, vrijwel al zijn tijd aan verzetswerk bestedend. Sinds 1943 zat hij ondergedoken.

Toen de in Genève woonachtige Visser 't Hooft in 1942 het plan opvatte een geheime verbindingslijn naar en uit bezet gebied op te zetten, dacht hij meteen aan Slotemaker als één van degenen om dit werk te leiden. Via deze 'Zwitsersche weg' zouden grote hoeveelheden, op microfilm overgebrachte informatie over de situatie in Nederland de regering in Londen bereiken. In 1944 werd Slotemaker tweede secretaris - speciaal voor Amsterdam - van het College van Vertrouwensmannen, een functie die voor hem overigens niet zo veel werk met zich bracht. W. Drees, de vertegenwoordiger van de sociaal-democratische stroming in het College, vroeg hem in datzelfde jaar lid te worden van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en onmiddellijk zitting te nemen in het partijbestuur. In zijn hart was Slotemaker waarschijnlijk al langer socialist, maar hij voelde zich pas echt rijp voor de overstap na de dood, in 1941, van zijn vader, die eerst met zijn sociale denkbeelden een groot voorbeeld voor hem was, doch later steeds conservatiever werd en een neutrale - en in zijn ogen afkeurenswaardige - houding jegens de Duitse bezetter had aangenomen.

Na de bevrijding werd Slotemaker de eerste directeur van het nieuw opgerichte wetenschappelijk bureau van de SDAP, de Dr. Wiardi Beckman Stichting. Hij had gehoopt zich in deze functie aan de studie van maatschappelijke problemen te kunnen wijden, maar de praktijk kwam vooral neer op organisatie- en propagandawerk. Behorend tot de linkervleugel was hij in het partijbestuur de enige die zich fel verzette tegen het opgaan van de SDAP in 1946 in de nieuwe Partij van de Arbeid (PvdA). Altijd al een wat rechtlijnig denker ontpopte Slotemaker zich nu - onder andere in de nieuwe beginselprogrammacommissie van de PvdA - als een orthodoxe, marxistisch denkende socialist, die groot belang hechtte aan de band met de arbeidersklasse. Als lid van de Commissie Indonesië van de partij toonde hij zich een krachtig pleitbezorger van open overleg tussen de Nederlandse regering en de nieuwe republiek. Op de dag van de eerste politiële actie - 'een duidelijke zonde voor een socialist' (Westerhoudt) - bedankte hij voor het partijlidmaatschap. Een maand eerder, in juni 1947, had hij al zijn ontslag genomen als directeur van de Dr. Wiardi Beckman Stichting.

Slotemaker was vervolgens een jaar lang werkloos, totdat PvdA-minister van Financiën P. Lieftinck hem in 1948 aan een betrekking hielp bij het Centraal Bureau voor Organisatie bij de Dienst der Rijksbegroting. Na een jaar werd hij hoofd van deze afdeling. In deze periode deed hij tevens een nieuwe poging tot het schrijven van een proefschrift, ditmaal over socialisatie. Maar wederom bleef het bij een manuscript. In 1951 vertrok Slotemaker bij het ministerie - weggewerkt, naar zijn gevoel, omdat hij volgens de Binnenlandse Veiligheidsdienst omgang zou hebben gehad met een hem overigens onbekend persoon - en kreeg hij een baan op de sociaal-culturele afdeling van het Centraal Plan Bureau. Hier kon hij zich eindelijk met wetenschappelijk werk bezighouden. In de jaren voorafgaand aan zijn pensionering in 1964 heeft hij vooral onderzoek verricht op het gebied van de ruimtelijke ordening. In 1957 scheidde Slotemaker van zijn vrouw om kort daarna te hertrouwen met Guurtje Roosdorp, die hij in het verzet had leren kennen.

Twaalf jaar lang zou Slotemaker partijloos blijven, hoewel hij in die periode wel actief was in een aantal links-georiënteerde verenigingen, zoals de Wereld Federalisten Beweging Nederland, en over uiteenlopende onderwerpen schreef in onder meer De Groene Amsterdammer . In 1959 werd hij lid van de twee jaar eerder opgerichte Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). Dat gebeurde overigens na de nodige aarzelingen over het pacifisme. Hij was steeds een voorstander geweest van de strijd tegen Hitler, maar door de dreiging van atomaire vernietiging vond hij het ten tijde van de Koude Oorlog verstandiger naar ontwapening en vrede te streven. Binnen de PSP was Slotemaker bepaald niet onomstreden, zoals bleek uit de weerstand die zijn partijvoorzitterschap - van 1963 tot 1964 - opriep. Hij was dan ook een opvallende verschijning in de partij: 'Sportjasje, het open vaak veelkleurige hemd met zijden shawl, zijn hoffelijk optreden en de zachte stem, geven hem iets aristocratisch. Iets van de rijke zonderling. In feite is hij noch het één noch het ander' (Van der Lek, 3).

Op 5 juni 1963 kwam hij, samen met drie partijgenoten, in de Tweede Kamer. Ook zijn parlementair optreden ondervond kritiek uit eigen kring, doordat sommigen hem vaak te intellectualistisch vonden. Anderen waardeerden daarentegen zijn stimulerende eruditie. Slotemaker was degene die als eerste het Amerikaanse optreden in Vietnam in de Tweede Kamer ter discussie stelde. In 1965 keerde hij zich fel tegen het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix met de Duitse diplomaat Claus von Amsberg, omdat de beoogde bruidegom in de Tweede Wereldoorlog als achttienjarige dienstplichtige deel had uitgemaakt van de Wehrmacht: 'Claus heeft Hitler beschermd bij zijn nihilisme', luidde zijn oordeel (Schuursma). In verband met zijn leeftijd en gezondheid stelde Slotemaker zich in 1967 niet herkiesbaar. Twee jaar later baarde hij opzien door in een interview in de Volkskrant (28-6-1969) te verklaren dat er in 1947 plannen hadden bestaan voor een rechtse staatsgreep in verband met het weinig doortastende optreden van de Nederlandse regering jegens Indonesië. Bewijzen hiervoor zijn echter nooit boven tafel gekomen.

Omstreeks 1970 kon Slotemaker zich steeds minder verenigen met de koers van de PSP, toen deze, in de tijd van het opkomende jongerenprotest, radicaliseerde en nadruk ging leggen op buitenparlementaire actie. Het in zijn ogen te pro-Arabische standpunt inzake het Midden-Oostenconflict was voor hem - en voor enkele andere bekende partijgenoten - in 1973 een reden zijn lidmaatschap op te zeggen. Behoudens deelname aan verscheidene studie- en discussiegroepjes was Slotemaker na zijn vertrek uit de Kamer niet meer politiek actief. Hij begon weer te studeren, wat leidde tot de omvangrijke studie 'Ekonomie als politiek ontleedmes', waarvoor evenwel geen uitgever kon worden gevonden. Ook publiceerde hij opnieuw vele artikelen in allerlei bladen over uiteenlopende onderwerpen. In 1974 verscheen van hem in eigen beheer Geest en natuur. Het menselijk eigene, een moeilijk toegankelijk betoog over de onzekerheid van de hedendaagse mens. Twee jaar later overleed hij, na een langdurige ziekte.

Gerard Slotemaker de Bruine was een man die er, door zijn onbuigzaamheid en geringe neiging tot compromissen, slechts gedeeltelijk in slaagde zijn onmiskenbare talenten te ontplooien. Wel maakten deze karaktertrekken hem tot een vooraanstaand verzetsman, in het bijzonder door zijn rol bij het tot stand brengen en openhouden van de 'Zwitsersche weg'. Tegenover de zeer beperkte directe politieke invloed die Slotemaker na 1945 heeft kunnen uitoefenen, stond evenwel de waardering die hij bij enkelen voor zijn principiële standpunten ondervond.

A: Archief-G.H. Slotemaker de Bruine in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicatie en verscheidene artikelen: Is christelijke politiek mogelijk? [Brochure] (Nijkerk 1937); Een andere grondwet? Naar aanleiding van het boekje van prof.mr. C.P.M. Romme 'Nieuwe grondwetsartikelen' [Brochure] (Amsterdam [1946]); Het signaal van 1848. Betekenis en invloed van het Communistisch Manifest. Onder red. van G.H. Slotemaker de Bruine (Amsterdam [1948]); Het apparaat der rijksoverheid. Opmerkingen en suggesties [Brochure] ('s-Gravenhage 1952); De cultuurfinanciering in Nederland [Nota in opdracht van het Prins Bernhard Fonds] (Z.pl. 1953). Een uitvoerige publicatielijst is in het bezit van de auteur.

L: Behalve interviews in Het Vaderland, 28-1-1964; in Nieuwe Haagse Courant, 4-1-1966; door Mariëtte Stork, in De Vragende Mens, april 1967; door Bram van der Lek, in Radikaal, 23-1-1969; door Igor Cornelissen, in Vrij Nederland, 9-8-1969. Reactie hierop van W. Drees, 'De geschiedverhalen van Slotemaker de Bruine', met een naschrift van G.H. Slotemaker de Bruine, ibidem, 30-8-1969; door Th.W. Westerhoudt, in Nieuwe Rotterdamse Courant, 15-10-1970: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 IVc en VIIc ('s-Gravenhage 1950); Ger van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 1933-1941 (Utrecht [etc.] 1973); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog VII, IX en Xb-II ('s-Gravenhage 1976, 1979, 1982); Jan H. de Groot, in De Gelderlander, 31-1-1977; Paul Denekamp, 'Gerard Slotemaker de Bruine', in Onstuimig maar geduldig. Interviews en biografische schetsen uit de geschiedenis van de PSP. Onder red. van Paul Denekamp [e.a.] (Amsterdam 1987) 78-87; Gerard Mulder en Paul Koedijk, H.M. van Randwijk. Een biografie (Amsterdam 1988); Paul Denekamp, 'Gerard Slotemaker de Bruine. De eerste WBS-directeur', in Socialisme en Democratie 53 (1996) 175-182. Interview op geluidsband door R.L. Schuursma uit februari 1969 bij het Nederlands Audiovisueel Archief te Hilversum.

I: Onstuimig, maar geduldig. Interviews en biografische schetsen uit de geschiedenis van de PSP. Onder red. van Paul Denekamp [e.a.] (Amsterdam 1987) 78.

Paul Denekamp


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013