Spoelstra, Cornelis Johannes George (1901-1994)

 
English | Nederlands

SPOELSTRA, Cornelis Johannes George (1901-1994)

Spoelstra, Cornelis Johannes George, (pseudoniem A. den Doolaard), schrijver en journalist (Zwolle 7-2-1901 - Hoenderloo (Gld.) 26-6-1994). Zoon van Kornelis Spoelstra, Nederlands-hervormd predikant, en Alida Hunningher. Gehuwd in 1930 met Daisy Roulôt (?-?). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na echtscheiding (1935) gehuwd op 6-10-1937 met Johanna Maria Wilhelmina Meijer (1916-1999). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

afbeelding van Spoelstra, Cornelis Johannes GeorgeCornelis ('Bob') Spoelstra's vader was door zijn werkzaamheden als predikant en kerkhistoricus bij de Nederduitsch Gereformeerde Kerken in Suid Afrika veel van huis, waardoor de zoon opgroeide in een omgeving van voornamelijk vrouwen: zijn moeder en twee zusters. Een moederskind wilde hij echter niet worden, zodat hij zich in Den Haag - waar het gezin in 1908 kwam te wonen - fanatiek op de sportbeoefening stortte. Spoedig hoefde hij niet meer stoer te doen, omdat hij stoer geworden was. Ook in andere opzichten bleek zijn zelfstandig gedrag: omstreeks zijn zeventiende viel het besluit met kerk en geloof te breken, al zou hij een ethisch-christelijke bevlogenheid behouden.

Het overlijden van zijn vader in 1918 bracht Spoelstra ertoe om in 1919, na het eindexamen aan de Christelijke vijfjarige HBS in Den Haag, een baan te zoeken. Die vond hij op het Haagse kantoor van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM). Zijn werk daar als administrateur en boekhouder was gortdroog en saai, maar hij wist dat vol te houden door in zijn vrije tijd veel goede literatuur te lezen, gedichten te schrijven en met literaire vrienden als Albert Kuyle en Jan Campert bij de Amsterdamse bohème vertier te vinden.

Voor Spoelstra's jongensachtige dadendrang en branie was de toen internationaal opgang makende levens- en kunstleer van het vitalisme bijzonder inspirerend. Volgens die leer moest 'het Leven' met volle teugen worden genoten en in al zijn intensiteit tot uitdrukking worden gebracht in een kunst, waarbij eerder de intuïtie dan het verstand diende te worden gevolgd. Vanaf 1921 tot 1932 kreeg Spoelstra vele vitalistische verzen in verscheidene literaire tijdschriften en vervolgens in drie eigen dichtbundels geplaatst. Hij koos spoedig als auteurspseudoniem 'A. den Doolaard', een naam die zozeer bij hem paste dat hij er ook in het gewone leven mee werd aangesproken. Zijn gedichten haalden intussen niet het niveau van overeenkomstig werk dat zijn kunstbroeder Hendrik Marsman in die tijd het licht deed zien, maar maakten in literaire kring toch indruk.

Eind september 1928 besloot Den Doolaard zijn 'burgerbestaan' bij de BPM eraan te geven en voortaan van de pen te leven. Pas nadat zijn spaargeld met plezierreisjes naar Parijs en de Franse wintersportplaats Chamonix erdoor was gejaagd en hij Daisy, een Parisienne, had ontmoet, met wie hij kort daarna zou trouwen, zag Den Doolaard zich gedwongen de kost te verdienen. Een in 1929 geschreven 'sportroman', De laatste ronde , werd een flop, en hij besloot door een trektocht in het buitenland stof op te doen voor een nieuw werk.

In 1930 zwierf Den Doolaard als gastarbeider door Frankrijk. Hij was daar afwisselend steenhouwer en druivenplukker, dorser en sjouwer. Dergelijk zwaar werk was hem zeker niet te min, en hij kon het lichamelijk door zijn sporttraining ook goed aan, maar van schrijven kwam het voorlopig niet. Toch kon in 1931 de - ook letterlijk - met vaart geschreven roman De druivenplukkers verschijnen, die in Nederland vele kopers vond. Het is een breed opgezette raamvertelling over vooral ruwe en eerlijke seizoenarbeiders die tijdens de druivenoogst in een Franse wijngaard hun hartstocht voor vrouwen, drank en geld niet bedwingen. Het lezerspubliek vond zijn spannende en in erotisch opzicht vrijmoedige verhalen verfrissend.

Aangemoedigd door dit succes zette Den Doolaard zijn zwervend bestaan voort. Jaren achtereen bleef hij op pad, ook al werd zijn eerste huwelijk erdoor verstoord. Hij trok onder meer door Joegoslavië, Albanië en Bulgarije. Geld verdiende hij met incidentele reportages in het Algemeen Handelsblad en lezingen en met het schrijven van vijf succesromans. Het bekendst werd Den Doolaard met zijn op de Balkan spelende avonturenverhalen. De Herberg met het Hoefijzer uit 1933, een lange en als volwaardige literatuur erkende novelle, handelde bijvoorbeeld over de bloedwraaktraditie in Albanië. Het een jaar later gepubliceerde Orient Express trok niet alleen belangstelling vanwege het actuele belang van de daarin weergegeven vrijheidsstrijd in Macedonië, maar ook om de beschrijving van sensationele terreur en samenzwering. De in 1936 gepubliceerde roman De groote verwildering gaat over de eerste beklimming van de Mont Blanc en werd geïnspireerd door Den Doolaards liefde voor de bergsport. Terwijl zijn romantisch getinte boek De bruiloft der zeven zigeuners uit 1939 opnieuw Joegoslavië als decor kreeg, speelde het een jaar eerder verschenen Wampie. De roman van een zorgeloze zomer zich bij wijze van uitzondering geheel in Nederland af. Het boek was sterk persoonlijk gekleurd. Met lichte toets wordt daarin beschreven hoe Den Doolaard het meisje het hof had gemaakt dat kort tevoren zijn tweede echtgenote was geworden. Deze ruim veertien jaar jongere vrouw - Erie - zou hem op veel van zijn reizen vergezellen en hem in zijn verdere leven bij zijn werk ter zijde staan.

De ontvangst van Den Doolaards romans was intussen in de Nederlandse literaire kritiek niet onverdeeld enthousiast. Recensenten als Menno ter Braak vonden dat de auteur handelingen en gebeurtenissen wat al te doorzichtig verzonnen en tot drama opgevijzeld had en in de tekening van zijn vele romanfiguren, voorzover zij geen replica's waren van hemzelf, de psychologische diepgang miste (Ter Braak, Verzameld werk V, 319-325; VI, 275-280). Van dergelijke kritiek trok Den Doolaard zich weinig aan: door zijn rondtrekkende levenswijze was hij inmiddels trouwens enigszins van het Nederlandse literaire wereldje losgeraakt. Wel trad hij op verzoek van zijn vriend Albert Kuyle in 1934 toe tot de redactie van het nieuw opgerichte tijdschrift De Nieuwe Gemeenschap . Toen dit blad al snel een fascistische en antisemitische koers ging varen, stapte hij in 1935 op.

In 1935 kreeg Den Doolaard - lid geworden van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij - een aanstelling als reisreporter bij het socialistische dagblad Het Volk . Als 'vliegende verslaggever' trok hij door heel Europa en Noord-Afrika, per vliegtuig de landen bezoekend die in het nieuws waren. Zijn buitenlandse reizen maakten Den Doolaard voor het eerst bewust van de onvrijheid in autoritair geregeerde landen. Die onvrijheid ondervond hij aan den lijve in Bulgarije, Oostenrijk en Italië, waar hij na politieverhoor het land werd uitgezet. Met schrik en verontwaardiging nam hij de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland waar. Onder de titel 'Rondom het Derde Rijk' maakte hij in de zomer van 1937 een serie politiek geladen reportages over nazi-infiltratie en -intimidatie in Duitslands buurlanden. Deze verslagen bleken maar al te vaak strijdig met de neutrale houding die Het Volk intussen in zijn berichtgeving in acht had genomen. Meningsverschillen met de redactie - vooral ook van persoonlijke aard - deden hem eind september 1937 ontslag nemen. De reportagereeks werd een jaar later onder de titel Het hakenkruis over Europa gebundeld.

Voor Den Doolaard kwam de Duitse inval in Nederland dan ook niet als een verrassing. Al in februari 1940 naar het landelijke Heide-Kalmthout bij Antwerpen verhuisd konden hij en zijn vrouw vandaar in mei en juni, voor de Duitse legers uit, op de fiets naar Zuid-Frankrijk vluchten. In Bordeaux zagen zij er op het laatste moment van af met een gereedliggend schip naar Groot-Brittannië te ontsnappen; het was het schip dat kort daarna door de Duitsers werd getorpedeerd, waarbij onder anderen Marsman omkwam. In Vichy-Frankrijk moest Den Doolaard, strikte politiecontrole en een arbeidsvergunning ontlopend, zich opnieuw met zware handenarbeid, nu als landarbeider en houthakker, zien te redden. Pas een jaar later gelukte het hem en zijn vrouw om met hulp van Nederlandse diplomaten de nodige visa te bemachtigen en via Spanje en Portugal naar Groot-Brittannië te ontkomen, waar zij op 10 mei 1941 veilig aankwamen.

In Londen werd Den Doolaard vanaf 18 juni 1941 redacteur en omroeper, eerst samen met H.J. van den Broek bij zeeliedenomroep 'De Brandaris' en, na samenvoeging op 1 november 1942, bij het vernieuwde 'Radio Oranje'. In september 1944 volgde hij hier Van den Broek op als chef. Zijn duidelijke, sonore stemgeluid van nieuwslezer en commentator - de voor de oorlog gehouden lezingen hadden hem in dictie en voordracht goed getraind - werd in bezet Nederland al gauw populair, en zijn felle anti-naziteksten, soms in versvorm gegoten, vonden een gretig gehoor.

In de kleine Nederlandse kolonie van Londen was Den Doolaard een bekende persoonlijkheid, die met zijn zelfverzekerd en opgewekt optreden tot de hoogste kringen wist door te dringen. Over zijn ontmoetingen met koningin Wilhelmina haalde hij later - in het autobiografische Ogen op de rug uit 1971 - geestig-hartelijke herinneringen op. Zijn contacten met Nederlandse geheime diensten in de Britse hoofdstad gaven Den Doolaard een goed inzicht in de wijze waarop het er daar - vaak amateuristisch en ruziënd - aan toe kon gaan. Nog in 1980 zou hij daarover in een rake kritiek op het negende deel van L. de Jongs Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog met kennis van zaken een brochure publiceren: Londen en de zaak Van 't Sant .

In februari 1945 was Den Doolaard voor 'Radio Oranje' op bezoek in het als gevolg van oorlogshandelingen overstroomde Walcheren. Het bracht hem op de gedachte om, wanneer bij de bevrijding van geheel Nederland zijn radiowerk tot een einde zou komen, over de dijkdichting een boek te schrijven. Ingelijfd bij het Militair Gezag wist Den Doolaard verbindingsofficier bij de Dienst Droogmaking Walcheren te worden, en in die functie kon hij zien en beleven hoe het eiland met succes werd drooggelegd. In 1947 schreef hij in vijf maanden de roman Het verjaagde water , die in binnen- en buitenland een bestseller werd.

Inmiddels had Den Doolaard zijn zwervende levenswijze van voor de oorlog hervat. Veel verbleef hij weer in Joegoslavië, door hem zijn 'tweede vaderland' genoemd; hij had zich daar zelfs met zijn gezin definitief willen vestigen, wanneer voor hem niet, na een tweejarig verblijf in 1952/1953, de daar heersende onvrijheid onverdraaglijk was geworden. Zijn vaste woonplaats werd van 1954 tot aan zijn dood het Veluwse dorpje Hoenderloo, van waaruit hij grote reizen maakte. Reeds vanaf 1948 was hij reizend correspondent geworden bij het katholieke dagblad De Gelderlander , waar hem als niet-katholiek toch de vrijheid gelaten werd alles wat hij te berde wilde brengen te publiceren. Vrijwel ieder jaar ging Den Doolaard naar Joegoslavië, later vooral naar Griekenland. Ook kwam hij herhaaldelijk buiten Europa: de Verenigde Staten had hij reeds in 1948 en in 1949/1950 leren kennen, en in 1960 en in 1961 bezocht hij India en Thailand. De verslagen die hij hiervan in de krant publiceerde, verschenen, met aanvullingen, in per land gebundelde reisboeken, waarvoor Cas Oorthuys vaak de fotoreportage verzorgde.

Het reizende bestaan bleef zijn weerslag vinden in Den Doolaards literaire werk, met name in de romans Kleine mensen in de grote wereld uit 1953 en Het land achter Gods rug uit 1956. Toch begon Den Doolaards journalistieke werk het in kwaliteit en productie van zijn romankunst te winnen. Als politiek commentator was hij zichzelf in zijn opvattingen gelijk gebleven. Naar eigen zeggen wilde hij de 'anarchistische individualist' zijn met links-progressieve sympathieën die niet bij enige politieke partij was aangesloten. Zijn lidmaatschap van de Partij van de Arbeid had hij na de politiële acties tegen Indonesië opgezegd. Den Doolaard waarschuwde voor gevaarlijke verschijnselen van toenemende onvrijheid in vele staten en - na Hiroshima - voor de dreiging van een atoomoorlog. Praktisch-politieke wenken of alternatieve oplossingen bood hij niet.

Ook op gevorderde leeftijd bleef Den Doolaard schrijven, zij het in trager tempo. Twee romans en een verhalenbundel hadden weinig succes. Later werk miste vaak de vaart en de spontaniteit van vroeger en kon soms verglijden in breedsprakigheid en herhalingen. Den Doolaards energie en levendigheid verflauwden in latere jaren echter allerminst. Hij 'doolde' nog steeds, zij het op den duur meer als vakantieganger en congresbezoeker dan als reporter. Uiterst actief was hij nog lang - als bestuurslid en vice-voorzitter - in de schrijversorganisatie International PEN, waarbij hem vooral de persvrijheid ter harte ging. Voor iemand die fysiek altijd zoveel had gepresteerd, waren de kwalen van de ouderdom niet gemakkelijk te dragen. Bijzonder kwellend werden in zijn laatste levensjaren een toenemende doofheid en een vermindering van het gezichtsvermogen. Het einde kwam op de hoge ouderdom van 93 jaar.

Den Doolaard was een man met uitzonderlijk veel durf en panache, avontuurlijk en ondernemend. In de Nederlandse literatuur blijft hij bekend als een - vooral in de jaren dertig tot voorbij de jaren zestig - bijzonder populair romanschrijver. Zijn verhalen hadden talrijke lezers geboeid en vooral op jongeren die na hun jeugdlectuur voor het eerst dergelijke spannende en emotionerende boeken voor volwassenen onder ogen kregen, een blijvend diepe indruk gemaakt.

A: Collectie-C.J.G. Spoelstra, persdocumentatie en geluids- en beeldmateriaal betreffende Spoelstra in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage; persdocumentatie betreffende C.J.G. Spoelstra in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: A. den Doolaard publiceerde twee autobiografieën: Het leven van een landloper [1958] (4de herz. dr.; Amsterdam 1979) en Ogen op de rug. Terugkijkend naar boeken en tijdgenoten (Amsterdam 1971). 'Bibliografie A. den Doolaard' in de onder L genoemde publicatie van Van de Waarsenburg, 168-171.

L: Secundaire bibliografie van publicaties over A. den Doolaard in: Siem Bakker, 'A. den Doolaard' [aug. 1998], in Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur (Alphen aan den Rijn [etc.] 1980- ). Verder: H.J. van den Broek, Hier Radio-Oranje. Vijf jaar radio in oorlogstijd (Amsterdam 1947); verhoor van C.J.G. Spoelstra, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 VIIc ('s-Gravenhage 1955) 17-18, 788-790; Joos Florquin, 'A. den Doolaard', in idem, Ten huize van ... IX (Brugge 1973) 87-136; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IXa, X en XIV ('s-Gravenhage 1979, 1980-1982, 1991); Hans van de Waarsenburg, A. den Doolaard. Gesprekken over zijn leven en werk (Amsterdam 1982); interview door Igor Cornelissen, in Vrij Nederland , 17-4-1982; Frank van Vree, De Nederlandse pers en Duitsland, 1930-1939. Een studie naar de vorming van de publieke opinie (Groningen 1989); L. de Jong, Herinneringen I en II ('s-Gravenhage 1993, 1996); Harry van Wijnen, 'Strijdbaar tot het laatst', in NRC Handelsblad , 2-7-1994.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Den Doolaard in maart 1942].

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013