Steenbergen, Paul Jozef (1907-1989)

 
English | Nederlands

STEENBERGEN, Paul Jozef (1907-1989)

Steenbergen, Paul Jozef, acteur en regisseur (Amsterdam 22-3-1907 - 's-Gravenhage 8-5-1989). Zoon van Johannes Steenbergen, acteur, en Adriana van de Griendt, actrice. Gehuwd op 14-11-1928 met Nelly Gijswijt (1906-1977), actrice. Uit deze verbintenis werden 3 zoons en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (20-5-1938) gehuwd op 6-7-1938 met Gerarda Jacoba Everdina Taytelbaum (bekend onder de naam Caro van Eyck) (1915-1979), actrice. Na echtscheiding (26-9-1945) gehuwd op 13-10-1945 met Marie Louise Emelie Broda (1915-1949), adjunct-directrice van een bontzaak. Na haar overlijden gehuwd op 2-10-1950 met Myra Sijrier (bekend onder de naam Myra Ward) (1916-1990), actrice. De drie laatste huwelijken bleven kinderloos.

afbeelding van Steenbergen, Paul JozefPaul Steenbergen, derde in een gezin van zes kinderen, groeide op in financieel benarde omstandigheden. Hoewel de vader was opgeleid bij het beroepstoneel, lukte het hem niet een vast engagement te krijgen. Hij moest daarom de kost verdienen als reizend artiest, in kermistent en feestzaal, terwijl de moeder bijverdiensten zocht als wasvrouw en strijkster. Nog op de lagere school - eerst in Gouda, daarna in Rotterdam - stond Paul zijn vader als hulpje ter zijde. Omstreeks 1923 begon Steenbergen senior voorstellingen te organiseren - sprookjestoneel voor kinderen, melodrama voor volwassenen -, waarbij hij samen met zijn vrouw en drie oudste zoons de troep vormde. Deze minimale bezetting dwong tot vele dubbelrollen en herhaalde verkleedpartijen tijdens de voorstelling. Bij uitvoeringen van Sneeuwwitje moest Paul zelfs toeschouwertjes uit de zaal halen om op het podium aan zeven dwergen te komen.

Toen Steenbergen in 1928 bij zijn trouwplannen op tegenstand van zijn ouders stuitte, besloot hij op eigen kracht emplooi te zoeken. Dat wilde in Rotterdam, waar hij ging wonen, niet zo lukken. Na een verzoening keerde hij in 1930 terug bij het gezelschap van zijn ouders, dat inmiddels in Nijmegen was neergestreken. Nu ging Steenbergen grote rollen spelen in bekende toneeldraken als De twee weezen en De man met het ijzeren masker , in een stijl die hij van zijn vader had afgekeken. Nijmeegse toneelliefhebbers attendeerden Cor van der Lugt Melsert, de artistiek leider van de N.V. Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel, op het talent van de jonge Steenbergen. In 1933 werd hij bij dit gezelschap, dat de Koninklijke Schouwburg bespeelde, geëngageerd, waartoe hij naar Den Haag verhuisde.

In deze nieuwe toneelomgeving werd Paul Steenbergen in spraak en manier een ander man. Zo paste hij zich aan aan hetgeen hier van hem werd verwacht en maakte hij zich door zelfstudie en adviezen van medespelers een literair-kunstzinnige smaak en eruditie eigen. Het belangrijkste was evenwel dat hij van de ouderwetse komediant uit de provincie een moderne, grootsteedse toneelkunstenaar werd. Dit had hij mede te danken aan de manier waarop Van der Lugt Melsert het gezelschap regisseerde: hoewel deze zijn acteurs veel vrijheid liet, was hij toch degene die de sfeer en de stijl van hun spel bepaalde. Rekening houdend met het beschaafde Haagse publiek moedigde hij hen aan de bedoeling en betekenis van de tekst op zo natuurlijk mogelijke wijze recht te doen in een sobere voordracht en mimiek. De metamorfose die Steenbergen aldus in korte tijd doormaakte, was een klein wonder, zij het met als schaduwzijde dat hij van zijn vrouw en jonge gezin vervreemdde. Na echtscheiding zou hij in 1938 met een actrice uit het eigen gezelschap, Caro van Eyck, trouwen.

Bij het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel kon Steenbergen zich in een vol en afwisselend repertoire van niet te zware klassieke en moderne stukken bekwamen. Al in 1934 prees de toneelkritiek hem om zijn rol als 'Arnold von Melchtal' in Schillers Wilhelm Tell , en in hetzelfde jaar speelde hij met succes de hoofdrol van de jonge dokter in Sidney Kingsley's Strijders in het wit . Toen Van der Lugt zich in 1937 als toneelleider naar Amsterdam liet lokken, kwam het voortbestaan van het Haagse gezelschap, en daarmee Steenbergens baan, op het spel te staan. Door financiële hulp van een mecenas en een reorganisatie kon het ensemble echter in 1938 worden gered. Het kreeg nu de naam van Residentie Tooneel, en de acteurs Dirk Verbeek en Bets Ranucci-Beckmann namen daarvan de leiding op zich. Steenbergen werd in deze groep een van de vooraanstaande jonge spelers; zijn jeugdig en knap voorkomen maakten hem bovendien geschikt voor de rollen van jeune premier. Indruk maakte zijn vertolking van de zoon 'Oswald' in Ibsens Spoken uit 1939, met Fie Carelsen als de moeder, terwijl hij in het voorjaar van 1942 'Romeo' speelde, met Caro van Eyck als 'Julia', en in de herfst van dat jaar zijn 'Hamlet'-interpretatie op de planken bracht.

Oorlog en bezetting gingen intussen niet aan Steenbergen en het gezelschap voorbij. Zo moest de Koninklijke Schouwburg spoedig op Duits bevel Stadsschouwburg heten en werd even later het spelen van moderne Engelse en Amerikaanse stukken verboden. Mede onder departementale en Duitse druk besloot men zich bij het Residentie Tooneel begin 1942 - na aarzeling en discussie - voor het toneelgilde van de Kultuurkamer te melden, zoals ook de meeste toneelspelers elders in het land deden. Hierdoor kon Steenbergen blijven spelen; de half-joodse Caro van Eyck werd verder optreden evenwel uitdrukkelijk verboden. Samen met haar zou Steenbergen in 1943 nog clandestiene huisvoorstellingen geven. Nadat het Residentie Tooneel al in de herfst van 1942 uit de Stadsschouwburg naar de Princesseschouwburg was verdreven, kwam daar ten slotte in juni 1944 aan alle opvoeringen van het gezelschap een voorlopig einde.

De bevrijding betekende voor Steenbergen zowel hervatting als nieuw begin. Reeds in 1943 waren hij en Caro van Eyck - bij blijvende vriendschap - uit elkaar gegaan, maar omwille van haar veiligheid als half-joodse vond de echtscheiding pas plaats in 1945, waarna Steenbergen kon hertrouwen. Aanvankelijk leek het Residentie Tooneel zich, ondanks plannen tot zuivering en toneelhervorming, te kunnen handhaven. Vroeger ingestudeerde stukken, zoals Spoken , werden opnieuw opgevoerd, en in 1946 speelde Steenbergen de hoofdrol van 'Mackie Messer' in Brechts toen al klassieke zangspel De driestuiversopera .

Kort daarop echter werd het voortbestaan van het Residentie Tooneel onzeker. Strubbelingen met de gemeente en vooral het eigen bestuur deden Verbeek en Ranucci-Beckmann in 1947 besluiten zich uit de directie terug te trekken. Na geharrewar kreeg het gezelschap de nieuwe naam van Haagse Comedie en werd de acteur Cees Laseur de directeur. Bij deze herboren toneelgroep vierde Steenbergen in 1948 zijn 25-jarig toneeljubileum met een heropvoering van Hamlet , dit keer geregisseerd door de nestor van het Nederlands toneel, Eduard Verkade. Na het onverwachte overlijden van zijn derde echtgenote in 1949 leek Steenbergen zich met zo mogelijk nog meer energie en toewijding op zijn toneelwerk te werpen. In de rollen van 'Ezra' en 'Orin Mannon' maakte hij in diezelfde, voor hem zo bittere, dagen de grootse opvoering van O'Neills Rouw past Electra mede tot een groot succes.

Desalniettemin bleek al spoedig dat Laseurs leiding van de Haagse Comedie, vooral in zakelijk en organisatorisch opzicht, niet geheel voldeed, zodat in 1950 Steenbergen tot mededirecteur werd benoemd. Bij de uitoefening van deze zware functie werd hij aanvankelijk geholpen door de actrice Myra Ward - met wie hij in hetzelfde jaar in het huwelijk trad - en later, na Laseurs plotselinge overlijden begin 1960, ook door anderen. Zo kon hij het gezelschap met succes tot 1971 leiden.

Steenbergen bleek een organisator die er met veel tact en charme in slaagde de klippen van kritiek of onwil te omzeilen. Bij de keuze van nieuwe medewerkers - acteurs, regisseurs en managers - was hij ruimhartig en meestal buitengewoon gelukkig. Verrassend was bijvoorbeeld zijn besluit om met instemming van Laseur de in een Amsterdamse, dus andere, toneeltraditie groot geworden Albert van Dalsum voor de Haagse Comedie als gastacteur te engageren en van 1953 tot 1965 te behouden. Even vindingrijk en vrij van 'jalousie de métier' was zijn keuze van Ko van Dijk als vaste medespeler van 1967 tot 1975. Met dezelfde soepelheid werden vaak buitenlandse gastregisseurs geworven, van Pjotr Sjarov en Michael Langham tot Erwin Piscator en Peter Wood toe.

Van een gelijke openheid voor andere toneelopvattingen dan de zijne gaf Steenbergen blijk bij zijn initiatief om - naast de Comedie in de Schouwburg - het Haagse Ontmoetingscentrum voor Theaterkunsten (HOT) op te richten, waar jonge acteurs uit zijn gezelschap de kans werd geboden het experimentele toneel te beproeven. Dit HOT-theater opende juist in november 1969 zijn poorten toen in Amsterdam en Rotterdam door enkele protesteerders uit plotselinge woede over wat zij als versuft en verduft toneelspel wilden beschouwen, tijdens voorstellingen met tomaten naar de spelers werd gegooid. Steenbergen dacht later dat zijn HOT-initiatief verstoringen door de 'Aktie Tomaat' in Den Haag had voorkomen. Maar zonder twijfel was het tevens te danken aan de toen zo bloeiende toneelbeoefening van de Haagse Comedie en niet in de laatste plaats aan Steenbergens eigen roem en prestige als toneelspeler dat actievoerders hier op weinig steun en instemming konden rekenen. Bij alle directiebeslommeringen was Steenbergen namelijk na 1950 blijven spelen en regisseren en werd hij bij een nog ruimer publiek bekend toen hij herhaaldelijk aan televisiespelen meewerkte.

De kracht van Steenbergen als acteur en regisseur lag in blijspelen, komedies en moderne ernstige stukken, minder in klassieke drama's en tragedies. Zijn 'Hamlet' was al door de kritiek niet onverdeeld gunstig ontvangen en zelfs saai en traag gevonden, en zijn 'Macbeth' uit 1963 of zijn 'Hendrik IV' in Pirandello's gelijknamige stuk uit 1973 bleef evenmin lang in de herinnering hangen. Exuberantie of pathos, hoewel soms nodig bij drama of tragedie, lagen hem niet. Steenbergen moest het hebben van het 'understatement', van naar binnen gekeerd spel, en daarin haalde hij dan telkens weer een hoog niveau. 'Ik ben geen olieverfman, als Van Dalsum. Ik ben aquarellist', zo typeerde hij zichzelf treffend in een interview (Carmiggelt, 29). Beroemd bleef Steenbergens optreden als 'Gajev' in Tsjechovs Kersentuin in 1951 - opnieuw opgevoerd in 1960 en 1961 -, waarbij hij veel had te danken aan de regie van Sjarov. Andere glansrollen waren onder meer die van 'Archie Rice' in Osbornes De humorist , door hemzelf geregisseerd in 1958 en 1969, 'Bitos' in Anouilhs Arme Bitos uit 1961 of 'Quentin' in Millers Na de zondeval , dat onder eigen regie in 1964 op de planken werd gebracht.

Viermaal was Steenbergen 'acteur van het jaar' en even vaak ontving hij een Louis d'Or, terwijl hem in 1963 de Albert van Dalsum-ring werd uitgereikt. Bij zijn afscheid in 1973 als vaste speler bij de Haagse Comedie wilde hij geen nieuwe huldiging, omdat dit nog geen einde betekende van zijn toneelcarrière en hij tot in 1982 als gastspeler bij eigen gezelschap of in vrije productie zou blijven optreden. Steenbergen was, mede door een serieuze en enigszins melancholieke inslag van zijn karakter, bescheiden gebleven. Bij zijn 75ste verjaardag kon hij er echter niet aan ontkomen nog één keer te worden gehuldigd. Hij had toen meer dan tachtig rollen gespeeld en ruim zestig regies gevoerd.

Was het symbolisch dat de laatste levensjaren van zowel Steenbergens gezelschap als van hemzelf moeilijk waren? De Haagse Comedie bleek op den duur niet meer bestand tegen de systematisch afkrakende kritieken van op vernieuwing beluste recensenten en kunstraden en werd einde 1988 opgeheven. Steenbergen wachtten nog lange jaren van toenemende invaliditeit en depressie vóór in 1989 de dood hem riep. Met die opheffing en met dit overlijden leek een einde te zijn gekomen aan een bloeiperiode in de Nederlandse toneelgeschiedenis.

A: Dossier-Paul Steenbergen (knipsels, foto's, programma's) en geluids- en beeldmateriaal bij het Theater Instituut Nederland te Amsterdam. Archiefcollectie Koninklijke Schouwburg in het Haags Gemeentearchief.

P: Tekst van een autobiografische lezing in Het Vaderland , 24 t/m 27-8-1971. Een overzicht van de gezelschappen waarbij Steenbergen speelde en van de rollen en titels van stukken (toneel, televisie en film) waarin hij optrad in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 884-885. Een chronologisch overzicht van Steenbergens acteerwerk in de onder L genoemde publicatie van Dubois, Kaleidoscopie van een acteur , 193-205.

L: Behalve necrologieën bij Steenbergens overlijden: interview door Bibeb, in Vrij Nederland , 18-2-1967; Joop Bromet, 'De Haagse Comedie over 25 jaar Haagse Comedie', in Elseviers Magazine , 19-8-1972; S. Carmiggelt, 'In gesprek met Paul Steenbergen', in 25 jaar Haagse Comedie. Jubileum-uitgave, 1947-1972 ('s-Gravenhage 1972) 22-31; Caro van Eyck, 't Is maar geleend... je mag het even vasthouden [Autobiografie] (Bussum [1972]); Pierre H. Dubois, Kaleidoscopie van een acteur. Profielen van Paul Steenbergen ('s-Gravenhage 1985); André Rutten, Haagse Comedie 40 jaar ('s-Gravenhage 1987); Robert H. Leek, Shakespeare in Nederland. Kroniek van vier eeuwen Shakespeare in Nederlandse vertalingen en op het Nederlandse toneel (Zutphen 1988); P.H. Dubois, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1989-1990 (Leiden 1991) 115-121.

I: Pierre H. Dubois, Kaleidoscopie van een acteur. Profielen van Paul Steenbergen ('s-Gravenhage 1985) 61 [Steenbergen in 1943].

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013