Steenhorst, Lambertus (1907-1992)

 
English | Nederlands

STEENHORST, Lambertus (1907-1992)

Steenhorst, Lambertus, (wijziging geslachtsnaam in Van Klaveren op 31-5-1916), bokser (Rotterdam 26-9-1907 - Rotterdam 12-2-1992). Zoon van Maria Cornelia Steenhorst. Gehuwd op 23-4-1935 met Margarite Olivera (?-?). Na echtscheiding (5-11-1936) gehuwd op 9-9-1946 met Joan Georgina Hogan (1928-?), verpleegster. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (16-9-1959) gehuwd op 8-3-1967 met Anna Maria Arnst (geb. 1933). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

afbeelding van Steenhorst, LambertusBep Steenhorst werd geboren als zoon van een ongehuwde kasteleinsdochter. Hij was acht jaar toen zijn moeder op 31 mei 1916 trouwde met de handelaar in automobielen Pieter van Klaveren, wiens achternaam hij vanaf toen ging dragen. Bep groeide op in de oude Rotterdamse volksbuurt Crooswijk. Hij leerde er al vroeg hoe hij zijn vuisten moest gebruiken. Na de lagere school werkte Bep als slagersjongen; in zijn vrije tijd was hij vaak in de boksschool van Piet Dijksman te vinden.

Als zestienjarige bokste Van Klaveren zijn eerste partij als amateur. Hij viel op door zijn bereidheid keihard te trainen. Nadat iemand hem had verteld dat vlees eten slecht was voor zijn sportieve prestaties, werd de boksende slagersjongen onmiddellijk vegetariër. Zijn eerste titel behaalde Van Klaveren in 1926, toen hij Nederlands kampioen vlieggewicht werd. Van 1927 tot en met 1929 was hij in het vedergewicht Nederlands kampioen bij de amateurs.

Een nog groter succes behaalde Van Klaveren in 1928 tijdens de Olympische Spelen in Amsterdam. Door snelle overwinningen in de voorrondes bereikte hij de finale van het vedergewicht, waarin hij de Argentijn Victor Peralta versloeg. Als winnaar van een van de zeven door Nederlanders behaalde gouden medailles op die Spelen werd Van Klaveren voorgesteld aan koningin Wilhelmina en prins Hendrik. In Rotterdam viel hem een geweldige ontvangst ten deel. Hij werd rondgereden in een koets bespannen met vier paarden. Geen zes, want dat aantal was, naar zijn zeggen, alleen voorbehouden aan leden van het koninklijk huis.

Spoedig daarna, in 1929, werd Van Klaveren professional en kwam hij onder de hoede van de Rotterdamse bokstrainer en -manager Theo Huizenaar. Al in 1930 won hij het kampioenschap van Nederland in het lichtgewicht en in het jaar daarop, door een knock-out zege in twee ronden op de Belg François Sybille, het Europese kampioenschap in deze gewichtsklasse. De titel prolongeerde hij vier gevechten lang, totdat hij in juni 1932 verloor van de Italiaan Anacleto Locatelli.

Meer dan om een fraaie stijl stond Van Klaveren van het begin af aan bekend om zijn ontembare wil te winnen. Hij stortte zich altijd volop in de strijd, maar zonder zijn verdediging te verwaarlozen. Daarbij had hij een 'eindstoot', wat betekent dat hij veel partijen door een knock-out in zijn voordeel wist te beslechten. 'Je gaat de ring in om de ander te vernietigen, anders ken je beter zakkies gaan plakken. Dan moet je niet gaan boksen. Het is ik eronder of hij eronder, makkelijk zat. Afmaken die gozer, liefst zo vlug mogelijk' (Deelder, 78).

De successen van de kleine Rotterdammer - hij mat slechts 1 meter 64 - en zijn opwindende manier van boksen leidden in maart 1932 tot een uitnodiging om naar de Verenigde Staten te komen. Dit eerste bezoek aan het boksland bij uitstek liep echter uit op een teleurstelling. Van Klaveren, in een wit pak gestoken en ondergebracht in een wolkenkrabber, bleek het lawaai en de drukte van New York niet te verdragen. Geplaagd door heimwee nam hij al na enkele maanden de boot naar Rotterdam, zonder ook maar één partij te hebben gebokst.

Goed en wel thuis zag Van Klaveren in dat zijn toekomst toch in de Verenigde Staten lag, en in oktober 1932 ging hij terug. Nu met meer succes. Als 'The Dutch Windmill', een bijnaam die hij dankte aan zijn beweeglijkheid - 'Ik bleef maar duiken en bewegen en stoten' (Deelder, 112) - boekte hij veel overwinningen. Van Klaveren genoot van het spannende leven in de Verenigde Staten. Hij maakte kennis met 'filmstars' uit Hollywood, zoals Mae West ('Lollig wijf hoor'), Norma Shearer, Spencer Tracy, Bing Crosby ('Bink Rosbief') en Johnny Weismuller. Maar hij kreeg ook te maken met de schaduwzijden van de Amerikaanse samenleving. Hij ontmoette kopstukken van de maffia - onder wie Al Capone, de gangsterkoning van Chicago - en zag tegelijk de slachtoffers van de georganiseerde misdaad. Zelf zei hij hierover later: 'Hoe het nou kwam, ik zocht het misschien zelf op, maar ik kwam er altijd mee in aanraking, met dat soort gasten. Maar ja, die hele boksbeweging was een zootje' (Deelder, 55-56).

Van Klaveren bokste voor volle zalen en kreeg soms vele tienduizenden dollars als gage. Grof geld verdienen was een nieuwe ervaring, hoewel hij altijd weigerde 'gemaakte partijen' te vechten. 'Ik boks liever voor niks dan zo iets te doen. Ik boks om te winnen, alleen om te winnen. Hoe ik win kan me niet schelen... Ik had schathemeltjerijk kunnen worden als ik het wèl had gedaan' (Deelder, 105). Enige tijd was Van Klaveren eigenaar van een farm met fruitbomen in Pico, een plaatsje in Californië. In 1935 trouwde hij met de bankiersdochter Margarite Olivera. Het huwelijk liep al snel op de klippen. Hij beklaagde zich erover dat zijn spilzieke echtgenote zijn geld erdoor joeg: meer dan eens kwam zij van het winkelen terug met tientallen paren schoenen of een enorme garderobe. 'Daar viel niet tegenop te boksen!', zo luidde zijn conclusie (Deelder, 126). Bovendien werd hij in datzelfde jaar bedrogen door een manager die er met zijn gage vandoor ging.

Nadat Van Klaveren zijn vrouw tijdens een ruzie knock-out had geslagen, kreeg hij een jaar gevangenisstraf wegens mishandeling. Drie maanden later kwam hij op borgtocht vrij en vertrok hij onmiddellijk, met achterlating van al zijn bezittingen, naar Rotterdam. Daar kwam hij, na echtscheiding, eind december 1936 geheel berooid aan: ''k Had nog precies twee knaken in mijn zak' (Deelder, 136). Ondanks deze zakelijke en persoonlijke tegenspoed was Van Klaveren er in de Verenigde Staten in sportief opzicht wel op vooruitgegaan. Hij had oog in oog gestaan met de beste boksers van de wereld èn van hen gewonnen. Daardoor stond hij in deze Amerikaanse jaren hoog op de wereldranglijst. Van een gevecht om de wereldtitel is het echter - ondanks aankondigingen - nooit gekomen. Waarschijnlijk wensten de Amerikanen niet het risico te lopen dat deze titel, die groot financieel voordeel opleverde, in handen van een buitenlander zou komen.

In 1937 ging Van Klaveren tijdens een partij in Rotterdam tegen de Duitser Gustav Eder voor het eerst van zijn leven knock-out. Het jaar daarop stond hij weer, geheel hersteld, in de ring: in juli 1938 versloeg hij voor meer dan twintigduizend toeschouwers in het Feijenoordstadion de Fransman Edouard Tenet en werd hij daardoor Europees kampioen middengewicht. In november van datzelfde jaar moest hij deze titel door een verloren wedstrijd tegen de Griek Anton Christoforides weer afstaan.

Eind september 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, vertrok Van Klaveren opnieuw naar Amerika. In 1942 liet hij zich inlijven bij het Nederlandse leger in de Verenigde Staten. Hij werd sportinstructeur bij de luchtmacht en was, in de rang van sergeant, betrokken bij de conditietraining van piloten. Hij werkte vervolgens ook op Nieuw-Guinea, Aruba en in Suriname. In 1944 werd hij overgeplaatst naar Australië. Daar ontmoette hij de verpleegster Joan Hogan, met wie hij trouwde.

Enkele maanden na zijn terugkeer in Rotterdam werd hij in de zomer van 1947 in het Feijenoordstadion door een overwinning op de Nederlandse bokser Luc van Dam opnieuw kampioen in het middengewicht, een titel die hij overigens een maand later door een nederlaag in Amsterdam tegen diezelfde Van Dam weer moest afstaan. Op aandringen van zijn vrouw zette Van Klaveren in december 1948 weer koers naar Australië. Tijdens zijn vijfjarig verblijf daar werkte hij onder meer als sportleraar, bootwerker en uitsmijter. Hij verscheen er niet in de ring, wel gaf hij bokslessen aan de politie.

Eind 1953 keerde hij opnieuw naar zijn geboortestad terug, nu voorgoed. Zijn Australische vrouw bleek niet in Rotterdam te kunnen aarden. In 1959 werd de scheiding uitgesproken, nadat ze eerder plotseling naar haar land was vertrokken. 'Dat was maar goed ook, want anders had ik ze verzopen. Een moeder die twee kinderen achterlaat is geen moeder' (Swart, 75). Van Klaveren, inmiddels 48 jaar oud, nam direct weer zijn oude beroep op: boksen. Gezien zijn leeftijd leek dit ondoenlijk, maar hij doorstond alle testen waartoe de Nederlandse Boksbond hem verplichtte. Hij trainde opnieuw fanatiek, en in 1955 stond hij in de ring voor de titelstrijd om het Europees kampioenschap weltergewicht. Van Klaveren moest het, vijftien ronden lang, opnemen tegen de 22 jaar jongere Fransman Idrissa Dione. De Rotterdammer verloor op punten: 'had ik nog twee gebroken ribben óók...' (Deelder, 164). Op 19 maart 1956 bokste hij zijn laatste wedstrijd, en wel tegen de Duitser Werner Handtke. Door een blessure moest hij opgeven.

In 1967 hertrouwde hij met een Rotterdamse, uit welk huwelijk Van Klaveren, als 57-jarige, nog een zoon kreeg. Het echtpaar dreef nog enkele jaren een sigarenwinkel, maar dat was geen succes: 'Bep was liever als een kwajongen onderweg, in training of in de kantine van zijn geliefde voetbalclub Excelsior' (Zevenbergen, 150).

Bep van Klaveren was tot op hoge leeftijd uiterst populair. 'Ik hoef ook in geen enkel café te betalen. Overal krijg ik mijn koffie gratis' (Swart, 75). Hij was een rondborstige volksjongen, die van zijn hart geen moordkuil maakte. Mede hierdoor wist hij velen voor zich in te nemen. In de talrijke vraaggesprekken die hem werden afgenomen, wist hij zich kernachtig uit te drukken. Zo placht hij over verslagen tegenstanders die hij goed geraakt had te zeggen: 'Ik gaf hem een klap, hij hep nooit meer gebokst'.

Als beroepsbokser behoorde Bep van Klaveren lange tijd tot de besten van Europa: hij bokste 102 wedstrijden, waarvan hij er 77 won; hij verloor er 18, terwijl 7 partijen onbeslist eindigden. Al had Van Klaveren de ring vaarwel gezegd, tot op hoge leeftijd bleef hij volhouden menig bokser nog een pak slaag te kunnen geven. Hij volhardde, tot kort voor zijn dood, in zijn levenslange gewoonten stug te trainen, niet te roken en niet te drinken. Elke dag ging hij naar zolder om een uur lang intensief op een bokszak te beuken. Op zijn tachtigste viel hem in Rotterdam een laatste grootse huldiging ten deel. Zonder lang ziek te zijn geweest overleed hij op 84-jarige leeftijd. In september 1992 werd op de Boezemsingel in Rotterdam een standbeeld van de bokser Bep van Klaveren onthuld.

L: H.J. Oolbekkink, 'Bep van Klaveren', in Weet je nog wel de jaren dertig ... Samengest. door Friso Endt (Amsterdam 1960) 68-74; J.A. Deelder, Bep van Klaveren. The Dutch windmill (Utrecht 1980); Ardie den Hoed, Bep van Klaveren [Particuliere uitgave] (Rotterdam 1992); Jan D. Swart, 'Er is een Crooswijker doodgegaan', in Friends in Business 6 (apr. 1992) nr. 1, 71-77; Henri de By en Gaston Melis, 'The Dutch Windmill', in HP/De Tijd , 20-3-1992; Cees Zevenbergen, in Rotterdams Jaarboekje 1993 (Rotterdam 1993) 144-150. Op 16-9-1982 zond de VARA-televisie de documentaire The Dutch Windmill van Joost Kraanen uit.

I: Televizier. Onafhankelijk Radio/TV-blad , 11-9-1982 (p. 108) [Van Klaveren in 1928].

P. van der Eijk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013