Tammes, Jantina (1871-1947)

 
English | Nederlands

TAMMES, Jantina (1871-1947)

Tammes, Jantina, plantkundige en genetica (Groningen 23-6-1871 - Groningen 20-9-1947). Dochter van Beerend Tammes, banketbakkersknecht, later fabrikant van chocolade, en Swaantje Pot.

afbeelding van Tammes, JantinaTine Tammes groeide met vier broers en een zuster op in een pas tot welstand gekomen middenklassegezin. In 1888 deed zij eindexamen aan de vijfjarige gemeentelijke Middelbare School voor Meisjes (MSM) in Groningen. Een academische studie was in haar milieu niet gebruikelijk. Na privé-lessen wis-, natuur- en scheikunde te hebben genomen schreef Tine zich in 1890 - als een van de zeer weinige vrouwelijke studenten - in aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Haar einddiploma van de MSM gaf geen toegang tot de academische examens, maar zij volgde de universitaire colleges ter voorbereiding op MO-aktes. In 1892 behaalde zij de MO-akte natuur- en scheikunde en kosmografie (K III) en in 1897 deed ze eveneens met succes examen voor de akte plant-, dier-, delfstof- en aardkunde (K IV).

Na vanaf april 1894 te hebben gewerkt als lerares natuur- en scheikunde - vanaf september 1895 ook in de plant- en dierkunde - op haar vroegere MSM, werd Tine Tammes begin januari l897 aan de Groningse universiteit benoemd tot assistente bij de hoogleraar botanie J.W. Moll. Door diens bemiddeling kon zij aan het eind van 1898 en het begin van 1899 een aantal maanden onderzoek doen in het laboratorium van de Amsterdamse hoogleraar plantkunde Hugo de Vries. Bij hem kwam zij in aanraking met vraagstukken van variatie, evolutie en genetica, een nieuwe wetenschapsrichting die appelleerde aan haar wiskundige aanleg en waarover zij als een van de eersten in Nederland publiceerde. Haar bij De Vries begonnen onderzoek naar 'Die Periodicität morphologischer Erscheinungen bei den Pflanzen' verscheen in maart 1903 in de Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (2e sectie, IX, nr. 5).

Met ingang van 1 januari 1900 aanvaardde Tine Tammes een baan als lerares plant- en dierkunde aan de Rijks-HBS te Groningen, een aanstelling die ze per 1 november om gezondheidsredenen - zij was niet sterk en had last van faalangst en drempelvrees - alweer moest beëindigen. Moll bood haar daarop een onbezoldigde onderzoeksplaats aan op zijn laboratorium. Bijna twaalf jaar zou zij daar werken, een vruchtbare periode waarin zij haar belangrijkste artikelen schreef. Een bescheiden bron van inkomsten vond Tammes in de praktische oefeningen en colleges die zij vanaf 1908 - tot 1925 - gaf voor de Vereeniging voor Hooger Landbouwonderwijs in Groningen aan studenten en landbouwers. Aannemelijk is dat zij voorts enkele jaren financieel werd gesteund door haar ouders en broers.

In 1901 kreeg Tine Tammes een beurs toegewezen uit het Buitenzorgfonds, die eenmaal per twee jaar werd toegekend aan een jonge bioloog om enkele maanden onderzoek te doen in 's Lands Plantentuin op Java. Tammes was de eerste vrouw die deze eer te beurt viel, wat des te opmerkelijker was omdat meestal alleen gepromoveerden de beurs ontvingen. Tammes ging uiteindelijk niet naar Java, omdat artsen haar een Indisch verblijf wegens de warmte ontraadden.

In 1904 werd op instigatie van Moll en de Delftse hoogleraar biologie M.W. Beijerinck door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem aan Tine Tammes opdracht gegeven voor een onderzoek naar de vlasstengel. Haar alom geprezen onderzoeksverslag van 285 pagina's over 'Der Flachsstengel. Eine statistisch-anatomische Monographie' verscheen in 1907 in de Natuurkundige verhandelingen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (3de verzameling VI, stuk 4). Voor dit onderzoek had Tammes gebruikgemaakt van statistiek en waarschijnlijkheidsrekening. Zij profiteerde daarbij van het contact met de Groningse astronoom prof. J.C. Kapteyn, die eveneens een grote belangstelling had voor wiskunde en statistiek. Al eerder had Kapteyn Tammes geadviseerd met betrekking tot haar artikel 'Over den invloed van de voeding op de fluctueerende variabiliteit bij eenige planten', dat in 1904 verscheen in het Verslag van de gewone vergaderingen der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam (XIII (1904-1905) 328-342). Hierin introduceerde zij het nieuwe begrip 'gevoeligheidscoëfficiënt'. Van statistiek en waarschijnlijkheidsrekening maakte zij ook gebruik in twee van haar latere publicaties over genetica: 'Das Verhalten fluktuierend variierender Merkmale bei der Bastardierung' en 'Die genotypische Zusammensetzung einiger Varietäten derselben Art und ihr genetischer Zusammenhang', respectievelijk verschenen in Recueil des travaux botaniques néerlandais 8 (1911) 201-288 en 12 (1915) 217-277.

Op 5 juli 1911 verleende de Groningse senaat Tine Tammes een eredoctoraat in de plant- en dierkunde. Met ingang van april 1912 nam zij, ter vervanging van Moll, wiens gezichtsvermogen sterk achteruit ging, de dagelijkse leiding over de praktische oefeningen in de microscopie op zich, aanvankelijk als 'tijdelijke hulp' en vanaf april 1914 in de rang van conservator. Al in april 1911 had de Groningse universiteit, op voorspraak van Moll, bij het departement een aanvraag ingediend Tammes tot buitengewoon hoogleraar in de leer der variabiliteit en erfelijkheidsleer te benoemen. Acht jaren gingen voorbij totdat het ministerie in 1919 instemde met het hoogleraarschap, na een hernieuwd offensief van de opvolger van Moll. Zij was daarmee de eerste leerstoelhouder in dit vak in Nederland.

In haar oratie op 20 september 1919 over De leer der erffactoren en hare toepassing op den mensch gaf Tine Tammes een uiteenzetting over de erfelijkheidswetten van G.J. Mendel, het chromosomenonderzoek van Th.H. Morgan en de mutatietheorie van De Vries. In het tweede deel van haar rede, over erfelijke factoren bij de mens, liet zij zich sceptisch uit over de eugenetica, de beweging die door toepassing van erfelijkheidswetten het mensenras wilde verbeteren. Zij was ook tegenstander van de wetten die in sommige staten van Amerika de overheid het recht gaven zwakzinnigen, misdadigers en dronkaards te steriliseren. Over de erfelijke aanleg van de mens was volgens haar nog veel te weinig bekend om tot zulke maatregelen te besluiten. Uit het slot van haar oratie spraken ook een duidelijk sociaal engagement en instemming met de argumenten van vooruitstrevende artsen, die meenden dat de staat zich primair moest richten op verbetering van economische omstandigheden. Tammes pleitte ervoor dat iedereen zijn aanleg moest kunnen ontwikkelen. Een betere arbeidsverdeling, waardering voor elke soort van arbeid en verbetering van milieufactoren waren daartoe noodzakelijk.

Ook later bleef Tine Tammes zich verzetten tegen een eugenetische bevolkingspolitiek, zoals bijvoorbeeld in 1927 in de Commissie van de Nationale Vrouwenraad die het bevolkingsvraagstuk bestudeerde. Ondanks haar gereserveerde houding was Tammes bestuurslid van enkele eugenetische organisaties, die in 1924 werden gebundeld tot het Centraal Comité, vanaf 1930 de Nederlandsche Eugenetische Federatie geheten. Het orgaan van de Federatie, Afkomst en toekomst , publiceerde in 1941 opnieuw Tammes' voorzichtig getoonzette oratie van 1919, als een impliciet protest tegen de rassentheorieën van de Duitse bezetter.

Tammes' hoogleraarschap betekende een keerpunt. Het lijkt erop dat de erkenning van haar wetenschappelijke kwaliteiten haar zelfvertrouwen deed toenemen. Met haar studenten ondernam zij geregeld buitenlandse excursies. Zij bezocht internationale congressen, was actief in Nederlandse en buitenlandse organisaties en maakte deel uit van redacties van wetenschappelijke tijdschriften, zoals Genetica (1932-1943). Deze activiteiten en haar onderwijstaken vroegen echter zoveel van haar tijd dat zij weinig meer publiceerde. Wel begeleidde zij acht promovendi, en ze was tevens betrokken bij enkele promoties van medici.

Na de Eerste Wereldoorlog behoorde Tine Tammes tot de Nederlandse onderzoekers die de wetenschappelijke contacten met Duitsland spoedig wilden herstellen. In augustus 1921 bezocht zij een vergadering van de Deutsche Gesellschaft für Vererbungswissenschaft in Berlijn. Daarnaast was zij in 1922 medeorganisator van de herdenking van Mendels honderdste geboortedag te Brünn.

In de vrouwenbeweging vervulde Tine Tammes geen rol van betekenis. Wel zette zij zich in voor organisaties van studentes of gestudeerde vrouwen. Tijdens haar studie had ze met enkele medestudentes in 1896 een Wandel- en Debatingclub opgericht, die twee jaar later zou uitgroeien tot de Groningsche Vrouwelijke Studentenclub. Ook voor de in 1918 opgerichte Nederlandsche Vereeniging van Vrouwen met Academische Opleiding (VVAO) zette ze zich in. Ze vervulde een bestuursfunctie in het - aan de VVAO gerelateerde - 'Fonds Catharine van Tussenbroek', dat toelages gaf aan studerende en afgestudeerde vrouwen. In 1934 richtte zij, samen met andere academicae, een Groningse afdeling op van de VVAO. Aanleiding hiervoor vormde de verontrusting over de geringe arbeidskansen voor pas afgestudeerde vrouwen ten gevolge van de toenemende werkloosheid.

In 1937 legde Tine Tammes haar buitengewoon hoogleraarschap neer om zich meer aan onderzoek te kunnen wijden. Een huldigingscomité van 35 personen bood haar een geldbedrag aan, dat zij bestemde voor verdere genetische onderzoekingen. Na haar overlijden kreeg het Genetisch Instituut van de Groningse universiteit de beschikking over haar bibliotheek. Haar geschilderd portret, dat door haar familie in 1948 aan de universiteit werd geschonken, vond een plaats in de Senaatskamer: het is het enige vrouwenportret op een wand met uitsluitend schilderijen van heren in toga.

P: Bibliografie van de wetenschappelijke publicaties van Jantina Tammes, in Genetica 22 (1941) 1-180. In deze aflevering werden de zeven belangrijkste artikelen van J. Tammes herdrukt. Verder o.a.: 'Meisjesstudentenleven in Groningen in het laatst van de vorige eeuw', in Lustrum-Almanak 1898-1928 [Uitgegeven door de Vrouwelijke Studentenclub 'Magna Pete'] (Z.pl. 1929) 50-53.

L: Behalve herdenkingsartikelen en necrologieën o.a. door E.W. Wijnaendts Francken-Dyserinck, in Nieuwe Rotterdamsche Courant , 22-6-1941, door J. Westerdijk, in Mededeelingen van de Nederlandsche Vereeniging van Vrouwen met Academische Opleiding 8 (juli 1937) 12-13, ibidem 14 (maart 1948) 2-3, door S., in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1948 (Groningen [etc.] 1948) 62-63, door E. Schiemann, in Der Züchter. Zeitschrift für theoretische und angewandte Genetik 19 (1949) Heft 7, 181-184: Jan Noordman, Om de kwaliteit van het nageslacht. Eugenetica in Nederland, 1900-1950 (Nijmegen 1989); I.H. Stamhuis, 'Statistiek en waarschijnlijkheidsrekening in het werk van Tine Tammes (1871-1947)', in Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 15 (1992) 195-207; idem, 'A female contribution to early genetics. Tine Tammes and Mendel's laws for continuous characters', in Journal of the History of Biology 28 (1995) 495-531; Inge de Wilde, 'Nieuwe deelgenoten in de wetenschap'. Vrouwelijke studenten en docenten aan de Rijksuniversiteit Groningen, 1871-1919 (Assen 1998); Marga Coesèl en Erik Zevenhuizen, 'Op heterdaad betrapt? Hugo de Vries en zijn houding tegenover vrouwen in de wetenschap', in Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 23 (2000) 266-284.

I: Afkomst en Toekomst 7 (1941) tegenover p. 65.

Inge de Wilde


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013