Tets, jhr. Dirk Arnold Willem van (1844-1930)

 
English | Nederlands

TETS, jhr. Dirk Arnold Willem van (1844-1930)

Tets, jhr. Dirk Arnold Willem van, (bekend onder de naam Van Tets van Goudriaan), diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 3-10-1844 - 's-Gravenhage 25-1-1930). Zoon van jhr. Jacob George Hieronymus van Tets (bekend onder de naam Van Tets van Goudriaan), referendaris bij de Raad van State, later minister, en Catharina Daniëla barones van Slingelandt. Gehuwd op 21-7-1881 met Henriette Marie Sophie barones Schimmelpenninck van der Oye (1856-1925). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Tets, Jhr. Dirk Arnold Willem vanArnold van Tets groeide, samen met vier broers en een zuster, op in een Haags aristocratisch milieu. In 1856 stuurden de ouders hun twee oudste zoons, Arnold en Hendrik, naar het Instituut Noorthey, een deftige jongenskostschool bij Voorschoten, waar zij zeven jaar zouden blijven. In deze periode maakte hun vader, eerst als minister van Binnenlandse Zaken en later als minister van Financiën, deel uit van twee kabinetten. Het was vanzelfsprekend dat Arnold van Tets in 1863 aan de Leidse universiteit rechten ging studeren. Weer volgde Hendrik zijn oudere broer, en beiden werden lid van het Leidsche Studenten-Corps. Arnold leidde een actief studentenleven, en hij toonde een meer dan gemiddelde belangstelling voor wapens. Hij zat in het bestuur van schietvereniging 'Kolonel Colt' en behoorde tot de oprichters van de Leidse studentenweerbaarheid. Zijn studie leed er niet onder. Na zeven jaar, op 30 april 1870, sloot hij die magna cum laude af met het proefschrift De nationaliteit van personen en goederen naar het oorlogsrecht .

Ondanks zijn belangstelling voor militaire zaken ambieerde Van Tets geen carrière binnen de krijgsmacht. De diplomatie trok hem meer. Hij meldde zich, na zijn promotie, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken aan voor het attaché-examen, behaalde dat in 1871 en werd op 23 september 1871 aangesteld tot attaché bij het departement in Den Haag. In juli 1872 werd Van Tets bevorderd tot legatiesecretaris. Als zodanig was hij werkzaam bij de gezantschappen te Brussel (1872 en 1875), Wenen (1873-1875) en Berlijn (1875-1877). Op de laatstgenoemde post werd hij, in april 1877, bevorderd tot legatieraad. In die diplomatieke rang werkte hij nog een jaar in Berlijn, en daarna was hij korte tijd - van 1878 tot 1879 - verbonden aan het gezantschap te Londen.

In meer dan één opzicht bleken de daaropvolgende jaren beslissend voor Van Tets' leven. Hij keerde in 1879 terug naar Den Haag en werd benoemd tot kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken, de invloedrijkste ambtelijke functie op het departement. Dat beloofde veel voor het vervolg van zijn carrière, want wie het er in die functie goed van afbracht, wachtte meestal de leiding van een van de meer vooraanstaande gezantschappen in het buitenland. Zijn bevordering tot zaakgelastigde in december 1881, kort na zijn huwelijk, vormde daarvoor een eerste stap.

Tegen deze achtergrond was de benoeming tot minister-resident te Constantinopel in juni 1884 een beloning waarmee Van Tets tevreden kon zijn. De Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger bij de sultan van het Ottomaanse Rijk genoot het voorrecht te resideren in het imposante 'Palais de Hollande', destijds de enige Nederlandse diplomatieke ambtswoning in het buitenland die rijkseigendom was. Negen jaar lang voerde Van Tets er de staat van een vorst. In februari 1890 werd hij op persoonlijke titel bevorderd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. Daarmee werd definitief de weg geëffend naar de top van de Nederlandse diplomatie. Ongetwijfeld was dit in overeenstemming met zijn capaciteiten. Van Tets hield zich zonder veel moeite staande in de gecompliceerde diplomatieke wereld van de Ottomaanse hoofdstad en wist met gevoel en inzicht de juiste contacten te leggen, ook met de afstandelijke omgeving van het hof van de sultan.

Van Tets was daarom in december 1893 de kandidaat bij uitstek voor de vacante functie van gezant in Berlijn. De formele sfeer van de Duitse hoofdstad, waar het diplomatieke verkeer strikt werd gedicteerd door de regels van het protocol, was hem wel toevertrouwd. Met de plaatsing in Berlijn ging een droomwens in vervulling. Van Tets was een bewonderaar van de Duitse cultuur en het Duitse Rijk. Het was voor hem logisch dat dit land op het Europese continent een leidende rol speelde. Zijn welgezindheid ten opzichte van Duitsland was algemeen bekend, ook in vooraanstaande Duitse kringen. Maar hoe sterk die voorkeur ook was, zij deed geen afbreuk aan zijn opvatting over de koers van het Nederlandse buitenlands beleid: hij was een overtuigde aanhanger van neutraliteit, die volgens hem de beste waarborg vormde voor de nationale onafhankelijkheid.

Van Tets ergerde zich dan ook buitengewoon aan het optreden van Abraham Kuyper. Die bemoeide zich als eerste minister tussen 1901 en 1905 openlijk met buitenlandse politiek en wekte de indruk meer aansluiting bij Duitsland te willen zoeken. Bovendien handelde Kuyper bij zijn bezoeken aan Duitsland buiten de gebruikelijke officiële diplomatieke kanalen om en voerde hij besprekingen met Duitse autoriteiten zonder de gezant daarin te kennen. Klagen bij de minister van Buitenlandse Zaken, R. Melvil baron van Lynden, hielp Van Tets niet. Hij merkte dat Van Lynden niet tegen Kuyper was opgewassen. Met lede ogen zag hij aan hoe de verstoorde verhouding tussen de twee ministers het functioneren van het departement van Buitenlandse Zaken in het voorjaar van 1905 ernstig belemmerde.

Die situatie was in feite de aanleiding voor de onverwachte overstap van Van Tets naar de politieke arena in Den Haag. De jonge koningin Wilhelmina schrok er bij de kabinetsformatie in 1905 niet voor terug zich actief met ministersbenoemingen te bemoeien. Zij wilde dat de leiding van het departement van Buitenlandse Zaken in handen kwam van een vakman, een diplomaat. Reeds in april 1905 - na het ontslag van de in haar ogen incompetente Melvil van Lynden - had zij persoonlijk bewerkstelligd dat de Nederlandse gezant te Wenen, jhr. W.M. van Weede van den Berencamp, gedurende de resterende tijd van het kabinet-Kuyper het ministersambt van Buitenlandse Zaken op zich zou nemen. Voor het na de verkiezingen van 1905 nieuw aan te treden kabinet viel haar keuze op Van Tets. Zij had groot vertrouwen in hem. De gezant weigerde aanvankelijk, omdat hij zichzelf ongeschikt achtte voor het ministerschap. Maar de gezamenlijke druk van de vorstin en kabinetsformateur H. Goeman Borgesius weerstond hij uiteindelijk niet, zodat hij op 17 augustus 1905 werd beëdigd als minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-De Meester.

Bij zijn aantreden als minister kreeg Van Tets zowel van het parlement als van de pers en andere politieke waarnemers het voordeel van de twijfel. Terwijl er vanwege zijn partijloosheid wel enige onduidelijkheid bestond over zijn affiniteit met het politieke kleur van het kabinet, koesterde men over het algemeen de verwachting dat hij, gezien zijn ervaring, weinig moeite zou hebben met de regie over de buitenlandse betrekkingen. Maar al snel wekte de nieuwe minister de indruk alsof hij zich niet op zijn plaats voelde. Hij bleek in het openbaar een slecht spreker en kon zich in het debat amper staande houden. De politieke implicaties van zijn houding en uitspraken drongen laat tot hem door, en soms leek het alsof hij zijn hoofd er niet bij had.

De buitenlandse politiek leed inhoudelijk overigens nauwelijks onder het onvermogen van de minister om zijn persoon en beleid op aantrekkelijke wijze te presenteren. Van Tets week zo min mogelijk af van het uitgangspunt dat Nederland zich buiten internationale verwikkelingen diende te houden. Hij was doof voor kritiek uit antirevolutionaire hoek, die hem een te voorzichtig beleid verweet. Wel groeide, op den duur ook bij politieke medestanders, in algemene zin irritatie over de passiviteit en politieke argeloosheid van de minister. Zo hield Van Tets in 1906 bij de eerste confrontatie van de grote Europese mogendheden over Marokko zo halsstarrig vast aan een verondersteld juridisch correcte en zelfstandige Nederlandse koers dat hij het zicht verloor op het politieke effect daarvan. Die opstelling wekte bij Frankrijk en Duitsland verbazing. Ook schoot Van Tets in 1907 tekort bij het opstellen van een duidelijke instructie voor de Nederlandse delegatie op de Tweede Vredesconferentie in Den Haag. Volgens zijn critici gaf Van Tets eenvoudig te weinig leiding aan het buitenlands beleid. Op 12 februari 1908 kwam er alweer een einde aan zijn ministerschap, toen het kabinet-De Meester struikelde als gevolg van de verwerping van de oorlogsbegroting in de Tweede Kamer.

De toen 63-jarige Van Tets verdween naar de achtergrond. De enige functie die hem na zijn aftreden restte, was die van kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina. Ruim twintig jaar leidde hij nog het bestaan van een deftige Haagse heer, die dagelijks een wandelingetje maakte over het Lange Voorhout. Hij overleed in 1930, en voor zijn begrafenis was opvallend veel publieke belangstelling. Die had meer te maken met waardering voor zijn vriendelijke persoonlijkheid dan met bewondering voor zijn beleid tijdens zijn ambtsperiode als minister.

A: Collectie-D.A.W. van Tets van Goudriaan in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

L: Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, 1848-1919. Derde periode, 1899-1919. II: 1903-1907. Uitgegeven door C. Smit ('s-Gravenhage 1958); Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort, 1874-1918. Uitgegeven door J.P. de Valk en M. van Faassen (2 dln.; 's-Gravenhage 1993); Bert van der Zwan en Jelle Gaemers, 'Bescheidenheid ten top. Dirk Arnold Willem Tets van Goudriaan (1905-1908)', in De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw. Vijfde jaarboek voor de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse politiek in de twintigste eeuw. Onder red. van Duco Hellema [e.a.] ('s-Gravenhage 1999) 40-53.

I: De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw. Vijfde jaarboek voor de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse politiek in de twintigste eeuw. Onder red. van Duco Hellema [e.a.] ('s-Gravenhage 1999) 45.

A.C. van der Zwan


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013