Verbrugge, Carel (1926-1985)

 
English | Nederlands

VERBRUGGE, Carel (1926-1985)

Verbrugge, Carel, (artiestennaam Willy Alberti), liedjeszanger (Amsterdam 14-10-1926 - Amsterdam 18-2-1985). Zoon van Jacobus Wilhelm Verbrugge, kelner, en Sophia Jacoba van Musscher. Gehuwd op 23-11-1944 met Hendrika Geertruida Kuiper (geb. 1921). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Verbrugge, Carel'Mensen die in de Jordaan zijn geboren en er opgroeien, zijn nu eenmaal niet alleen sentimenteel, maar ook muzikaal,' schreef Willy Alberti in 1973 op de hoes van de langspeelplaat Van levenslied tot opera , ter gelegenheid van zijn 35-jarig zangersjubileum. 'Je krijgt het van huis uit mee'. In zijn geval was dat laatste zelfs letterlijk waar: behalve de spreekwoordelijke muzikaliteit van de vooroorlogse bewoners van deze Amsterdamse volksbuurt, was er ook het feit dat vader Verbrugge bekend stond als 'de zingende kelner'. In zijn voetspoor werd zoon Careltje - één uit een gezin van acht kinderen - al op zesjarige leeftijd op het biljart gezet om een liedje te zingen voor de cafébezoekers. Als hij dat goed had gedaan, kreeg hij een reep chocolade. Of soms zelfs een stuiver, die dan een aardige aanvulling vormde voor het karige huishoudbudget van moeder Verbrugge. Datzelfde gold voor de centen en stuivers die hij op zijn tiende vergaarde door met zijn neef Jantje van Musscher - de latere Johnny Jordaan - op straathoeken smartlappen en andere succesnummers uit die tijd te zingen.

Op de lagere school leverde de jonge Verbrugge geen grootse prestaties, omdat al zijn aandacht uitging naar het zingen. Een beslissende rol in zijn leven speelde de tegelzetter Henk Swarts, bijgenaamd 'Ome Henk', die bij wijze van hobby de artistieke en zakelijke leidsman van het jonge zangertje werd. Swarts betaalde diens zanglessen, gaf hem kledingadviezen en drong er bij zijn pupil op aan dat hij zijn stemmetje niet langer bloot zou stellen aan rokerige cafés. Ook opperde hij dat Carel Verbrugge geen goede artiestennaam was. Een kennis, lid van het acrobatenduo de Wilco's, suggereerde toen de naam Willy Alberti.

Op voorspraak van 'Ome Henk' kwam Willy Alberti in 1940 als 'Nederlands jongste jongenssopraan' terecht in de operette Rosemarie in theater Carré in Amsterdam, waar hij het publiek vertederde met het liedje 'Alleen is maar alleen'. Lang duurde de glorie echter niet. Toen de kinderpolitie ontdekte dat Willy Alberti geen vijftien was - zoals hij had beweerd - maar dertien, werd hij door twee agenten van het podium gehaald. Hij mocht pas weer optreden toen hij, in oktober van dat jaar, veertien was geworden. Begin 1941 maakte hij zijn eerste plaatopname, Alleen is maar alleen . Tijdens de middagpauze van de lagere school in de Elandsstraat, tussen twaalf en twee uur, repte hij zich naar het City-Theater in Amsterdam om het lied in de microfoon te zingen, begeleid door organist Cor Steyn. De rest van de bezettingstijd heeft Alberti grotendeels doorgebracht bij het volkstoneelgezelschap van de acteur en tekstschrijver Henk Voogd, die zich Henvo noemde. Aan de lopende band speelde hij zielig zingende weesjongetjes. Tussen de bedrijven door haalde hij, met andere jeugdige spelertjes uit het gezelschap, kattenkwaad uit.

Via zijn vriend en collega Johnny Kraaykamp, die als jongenstenor ook een concurrent van hem was, kwam Alberti in 1944 in contact met de uit Arnhem afkomstige Ria Kuiper, met wie hij eind dat jaar trouwde. Hun eerste kind - Willeke - werd in de hongerwinter geboren. De kersverse vader was destijds zo klein en schriel, dat in het ziekenhuis werd aangenomen dat hij naar zijn pas geboren zusje kwam kijken. Eerder was Alberti er met zijn jongensachtige gestalte in geslaagd te ontkomen aan de arbeidsplicht in Duitsland; door ook op straat een korte broek te dragen, had hij bij elke voorbijganger de indruk gewekt nog lang geen achttien te zijn.

De bevrijding ging gepaard met een golf van Amerikaanse songs op een aanstekelijk swingritme, waarmee Alberti als zanger niet uit de voeten kon. Nog een paar jaar kon hij zich echter handhaven in het volkstoneel en bij de operette. Verder was er niet veel werk; voor zijn belcantogenre bestond in die tijd namelijk weinig belangstelling. Op aandringen van Henk Voogd leerde Alberti een paar Italiaanse liedjes uit zijn hoofd, hoewel hij nog nauwelijks wist wat ze betekenden en de gaten in de tekst opvulde met fantasiewoorden: 'Amore amore buena sera la spaghetti...' Met dit repertoire kreeg hij in 1948 een engagement bij de nachtclubzangeres Dolly Dolores. Eén van haar begeleiders, de pianist Tom Erich, bezorgde hem vervolgens een auditie bij De Bonte Dinsdagavondtrein , de populaire radioshow van de AVRO. 'Vanaf dat moment is het mij in stijgende lijn gegaan', aldus Alberti's eerdergenoemde hoestekst.

Het succes kwam van twee kanten. Eerst zette Alberti een liedje op de plaat van zijn overbuurman Willy Rex: 'Ik hou van jou, mooi Amsterdam', gevolgd door diens 'Als een wilde orchidee'. Korte tijd later ging hij er een gewoonte van maken zo snel mogelijk eigen versies op de markt te brengen van de nummers die op het jaarlijkse liedjesfestival van San Remo werden gelanceerd, zoals 'Come prima', 'Volare' en 'Piove'. Alberti ontwikkelde een scherp gevoel voor wat bij het grote publiek in de smaak zou vallen. En ook op publicitair gebied wist hij spoedig van wanten. Zijn dochter Willeke, die zangeres wilde worden, leerde hij bijvoorbeeld dat een artiest op groepsfoto's altijd moet proberen in het midden te gaan staan; wie aan de zijkant staat, loopt nu eenmaal het risico er te worden afgesneden als zo'n foto wordt gepubliceerd.

Toen zijn plaatopname van de hit 'Marina' in 1959 via een KLM-steward in de Verenigde Staten belandde, en daar op één van de hitlijsten zelfs de eerste plaats bereikte, werd Alberti naar New York gehaald. Hij trad er op en legde veel contacten, maar brak de zegetocht voortijdig af om de kerstdagen bij zijn gezin te kunnen doorbrengen. Andere internationale kansen die hem werden geboden, greep hij evenmin aan. Zijn heimwee naar Amsterdam weerhield hem. Hoewel de Alberti's in de jaren zestig verhuisden naar een Amsterdamse buitenwijk, wenste hij na een vakantie in het buitenland - vaak Italië - altijd eerst even een rondje om de Westertoren te rijden om pas daarna naar huis te rijden.

In de jaren 1965 en 1966 maakte Willy Alberti voor de AVRO-televisie een serie maandelijkse shows met zijn dochter Willeke, die intussen een van de populairste tienersterretjes van Nederland was geworden. Hun gezamenlijke optreden werd uitgezonden onder de titel Zaterdagavond met Willy&Willeke , maar stond al snel bekend als 'de Willy&Willeke Show'. De combinatie van vader en dochter vertederde het publiek. Met hun opeenvolging van duetjes, soli, samenspraakjes en graag geziene gasten uit de artiesten- en sportwereld werden deze shows uiterst populair.

Begin jaren zeventig, toen Alberti aanvoelde dat de muzikale smaak van het Nederlandse publiek ingrijpend aan het veranderen was, begon hij een platenzaak, met zijn zoon Tonny als inkoper. Toch trad hij nog geregeld op en maakte hij ook platen. Opvallend was een langspeelplaat met opera-aria's, onder supervisie van de zangpedagoog Len del Ferro. Het was een genre dat hem na aan het hart lag, maar eerder had hij dit zwaardere werk nooit aangedurfd. In het repertoire van Alberti hielden de Nederlandse liedjes - vaak van vooroorlogse makelij - en de Italiaanse nummers elkaar in evenwicht. Hij zong beide genres op een zeer zorgvuldige manier, volgens critici soms zelfs overgecultiveerd, en bracht daarmee vaak repertoire dat al bijna vergeten was terug in de aandacht. Hoewel zijn latere successen - 'De glimlach van een kind', 'Niemand laat zijn eigen kind alleen' - smartlapachtige trekken vertonen, ging hij zelden over de schreef.

Buiten de schijnwerpers was Willy Alberti vaak onzeker over zijn zangprestaties, maar naar buiten toe was hij meestal de vrolijke gangmaker, die zich het meest op zijn gemak voelde met veel familie, vrienden en collega's om zich heen. Daarin weerspiegelde zich zijn Jordaanverleden, met al het bijbehorende, eerlijke sentiment. Ook uit zijn geestdrift voor voetbal (Ajax), wielrennen, hengelen en andere volkssporten bleek dat het succes hem niet wezenlijk had veranderd. Door een langdurige maag- en leverziekte raakte Willy Alberti in het begin van de jaren tachtig sterk vermagerd. Op 12 oktober 1984 verscheen hij nog één keer in de openbaarheid, toen presentatrice Mies Bouwman een aflevering van haar televisieprogramma In de hoofdrol aan hem wijdde. Het was een hommage aan een typisch Nederlandse amusementsartiest, die het adagium 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' tot zijn lijfspreuk had gemaakt.

A: Persdocumentatie betreffende Willy Alberti in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: Willy Alberti maakte ruim 300 platen. In 1997 verscheen de dubbel-cd De onvergetelijke Willy Alberti (ABCD 30016-2), in 1998 gevolgd door De onvergetelijke Willy Alberti, deel II (ABCD 30118-2). Een overzicht van de toneel-, operette en revuegezelschappen, waarbij Willy Alberti speelde en van de films waarin hij optrad in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 6.

L: Jan Liber, 'Als je zingt dan ben je blij' [Artikelenserie], in Het Vrije Volk , 26-8-1966 t/m 20-10-1966; Theo Gerritse, 'Levenslied', in Vrij Nederland , 23-3-1985. Op 11 en 18 maart 1998 zond de AVRO de tweedelige televisiedocumentaire De onvergetelijke Willy Alberti van Henk van Gelder en Guus van Waveren uit.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 52111 [Willy Alberti in maart 1980].

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013