Vermaseren, Bernard Antoon (1912-1989)

 
English | Nederlands

VERMASEREN, Bernard Antoon (1912-1989)

Vermaseren, Bernard Antoon, historicus (Nijmegen 16-2-1912 - Breda 12-1-1989). Zoon van Bernard Vermaseren, hoofd van een lagere school, en Paulina Christina Fredericks. Gehuwd op 28-12-1940 met Ada Dorothea Jacoba Maria Velthuijsen (geb. 1913). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden dochter, 3 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Vermaseren, Bernard AntoonBen Vermaseren groeide op in een rooms-katholiek milieu als oudste in een gezin van vier kinderen. Na in zijn geboortestad bij de paters dominicanen het St. Dominicus-College te hebben doorlopen studeerde hij tussen 1931 en 1936 geschiedenis aan de Roomsch-Katholieke Universiteit te Nijmegen. Niet alleen de katholieke omgeving oefende aantrekkingskracht op hem uit. Ook onderging hij daar de invloed van denkbeelden omtrent een 'Dietsche' cultuur. In zijn studentenjaren was Vermaseren lid van het Dietsch Studenten Verbond (DSV), waarvan het doel was de gemeenschappelijke cultuur van Noord-Nederlanders, Vlamingen en Zuid-Afrikaanders te versterken.

Na het doctoraalexamen op 7 oktober 1936 koos Vermaseren voor de wetenschap. Werkloosheid liet hem de tijd onderzoek voor zijn proefschrift te doen, en in 1938 stelde een beurs hem in staat enige tijd voor studie in België te verblijven. Vervolgens werd hij leraar geschiedenis: eerst, eind 1939, enkele maanden aan het Twentsch Carmellyceum in Oldenzaal, daarna vanaf 1940 gedurende zeven jaar aan het Bisschoppelijk College in Roermond, de stad waar hij zich in dat jaar metterwoon vestigde. Intussen had Vermaseren voldoende materiaal verzameld voor zijn dissertatie, waarop hij op 23 juni 1941 in Nijmegen cum laude promoveerde bij prof. J.D.M. Cornelissen. Dit proefschrift, De katholieke Nederlandsche geschiedschrijving in de XVIe en XVIIe eeuw over den Opstand , behandelt het thema van de scheiding van de Nederlanden, een historiografische studie, met accent op de politieke en vooral godsdienstige factoren en de katholieke kant van het conflict. Het boek werd door vakgenoten geprezen en verenigt alles wat ook Vermaserens latere werk zou kenmerken: speurzin, eruditie en precisie.

Deze lof bracht Vermaseren niet het professoraat waarnaar hij uitzag toen in 1947 Cornelissen overleed. De faculteit plaatste L.J. Rogier hoger op de voordracht, en Vermaseren voelde zich gepasseerd. Toch bleef hij een wetenschappelijke loopbaan ambiëren. Hij nam in datzelfde jaar een betaald redacteurschap aan voor het samenstellen van een Nederlandse rooms-katholieke kerkgeschiedenis, waaraan zowel Nederlandse als Belgische historici zouden deelnemen. De initiatiefnemer, de archivaris en franciscaan P. Gerlach, en de katholieke uitgever J.J. Romen&Zonen probeerden al vanaf 1943 Nederlandse en Belgische historici te verenigen. Dit lukte onvoldoende, en tot een publicatie is het niet gekomen. In 1948 keerde Vermaseren terug naar het onderwijs en werd hij leraar aan het Titus Brandsma Lyceum in Oss. Al snel zag hij om naar een grotere school, en in 1952 verhuisde hij met zijn gezin van Roermond naar Breda. Daar was hij van 1951 tot 1968 leraar aan het Onze Lieve Vrouwe Lyceum.

In de jaren vijftig liet Vermaseren menig artikel of kleine bronnenpublicatie het licht zien: het waren variaties op en uitwerkingen van het door hem in zijn proefschrift betreden terrein. Persoonlijke aantekeningen getuigen van de weidsere ambitie een groot werk te schrijven over de 'ontwikkeling van de Nederlandse Stam ... om aan de verheffing van ons volk en land mee te werken' (aantekening uit 1948). Daartoe liet zijn baan hem - naar eigen zeggen - weinig ruimte. Uit zijn privé geuite beklag over de 'infantilisering' van het middelbaar onderwijs en de 'geestelijke machteloosheid' van de leraar bleek zijn teleurstelling. Hoezeer Vermaseren de wetenschappelijke contacten zocht, blijkt wel uit de omvangrijke briefwisseling die hij onderhield met een veelheid van personen. Graag liet hij anderen in zijn kennis delen, terwijl hij in het dagblad De Tijd De Maasbode als vaste recensent nieuw verschenen historische boeken onder de aandacht van de lezer bracht.

Eind 1956 deed zich een reële mogelijkheid voor zijn loopbaan in wetenschappelijke richting te verleggen toen Vermaseren solliciteerde naar een plaats als wetenschappelijk ambtenaar bij het Bureau van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis. Nog voordat een beslissing was genomen, trok hij zijn kandidatuur echter in, omdat hij er in salariëring fors op achteruit zou gaan. Ook een milde reprimande van Rogier, lid van de Rijkscommissie, die hem voorhield dat nu de kans verkeken was dat een katholiek in deze functie zou worden aangesteld, bracht hem niet op andere gedachten.

Deze mislukte sollicitatie gaf Vermaseren opnieuw het gevoel dat zijn wetenschappelijke inspanningen onbeloond bleven. Hij sloeg nieuwe wegen in. Hij breidde in 1958 zijn leraarstaak uit door ook les te geven op een avondschool en aanvaardde het jaar daarop het conrectoraat van zijn school. Als leraar had hij de naam scherp te oordelen over zijn leerlingen, maar ook zijn enthousiaste manier van lesgeven en persoonlijke aandacht werden geroemd. Van wetenschappelijk publiceren kwam nu weinig meer. Hij nam de taak op zich de Geschiedkundige Schoolatlas der algemeene en vaderlandsche geschiedenis van A.L. de Bont uit 1893 - waarvan in 1957 de vijftiende druk was verschenen - te herzien. De opeenvolgende drukken van de Atlas der algemene en vaderlandse geschiedenis , die vanaf 1960 zouden verschijnen, werden bekend als de 'Atlas van Vermaseren'. Zijn meest persoonlijke vernieuwing was een meer 'gemeenschappelijke' geschiedenis van Nederland, België en Luxemburg letterlijk in kaart te brengen. Het voorwoord bij de negentiende druk uit 1963, waarin de Utrechtse hoogleraar geschiedenis, P. Geyl, de Atlas prees om de ingetekende taalgrens en het ruime begrip van de Nederlanden, deed hem genoegen. De Atlas was een succes en voor Vermaseren ook financieel lucratief.

Het waren drukke jaren voor Vermaseren. Zijn zondagochtendse tijdverdrijf, het verzamelen van postzegels, schoot er vaak bij in. Het werk werd hem te veel, en overspannenheid hield hem - eerst in 1960/1961, maar ook in latere jaren - geruime tijd van school. In 1963 gaf hij zijn avondschool en het conrectoraat op. Naast oververmoeidheid speelde ook teleurstelling over zijn loopbaan hem parten. Zo verzuchtte hij in zijn correspondentie: 'ik heb hoe langer hoe meer zin in niets doen' (brief uit 1963) en 'de wereld rolt toch wel, of ik nu wel of niet iets schrijf (wat dan dikwijls toch niet gelezen wordt)' (brief uit 1965). Het belette hem echter niet een actieve rol te spelen binnen de Vereniging van Geschiedenisleraren in Nederland: in 1964 werd hij lid van de Commissie Vaderlandse Geschiedenis, die de verhouding tussen algemene en nationale geschiedenis moest onderzoeken. Vermaserens Groot-Nederlandse zienswijze bracht hem in 1965 in conflict met zijn medecommissielid D.J. Roorda, docent didactiek aan de Leidse universiteit, die een relativerende nota over het belang van de vaderlandse geschiedenis uitbracht; de commissie ging aan deze botsing ten onder. De jaren zestig gaven Vermaseren ook om andere redenen ergernis. Aan vernieuwing en de zich wijzigende mentaliteit kon hij moeilijk wennen. De veranderingen in de rooms-katholieke kerk deden hem deze voortaan mijden. De progressieve discussies op het Pastoraal Concilie te Noordwijkerhout deed hij in kleine kring af als 'lawaai' van 'schertsfiguren'.

Op bijna 56-jarige leeftijd viel Vermaseren toch nog datgene ten deel, waarnaar hij zo lang had uitgezien. In januari 1968 kon hij eindelijk zijn leraarsbaan verruilen voor de functie van wetenschappelijk hoofdambtenaar in dienst van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis in Den Haag. Hij werd hier belast met het uitgeven van de 17de-eeuwse resolutiën van de Staten-Generaal. Deze opdracht paste Vermaseren slecht. Zijn wetenschappelijke neiging taalde niet naar het samenvatten van de inhoud van resoluties en zijn hart al evenmin naar de afgescheiden Noordelijke Nederlanden. Daarom stelde hij nog in 1968 voor een project op te zetten tot inventarisatie van de correspondentie van Willem van Oranje. De Rijkscommissie liet zich - niet zonder irritatie over deze wending - overhalen. Men wilde een man van zijn leeftijd niet dwingen en was onder de indruk van zijn plan.

Vermaseren begon energiek met het werk waarvoor hij vanwege zijn kennis van zaken en speurzin bij uitstek geschikt was. Toen in april 1970 het directeurschap van het Bureau van de Rijkscommissie vacant raakte, werd Vermaseren als hoogste in rang tot waarnemend directeur benoemd en vervolgens tot directeur. Naar de traditie wilde zou hij directeurschap en onderzoek combineren. Dat uitgangspunt bleek in een tijd van uitbreiding onhoudbaar. Voor zijn medewerkers wist hij weliswaar een ontspannen werksfeer te creëren, maar voor onderzoek had hij weinig tijd. Om zich aan zijn project te kunnen wijden èn het ambtelijke werk voortgang te laten vinden, wist Vermaseren te bewerkstelligen dat in 1974 een onderdirecteur werd aangetrokken, aan wie hij veel van het directeurswerk delegeerde. Vermaseren werd toegestaan zich met zijn echtgenote voor zijn archiefonderzoek te vestigen in Brussel, het oude middelpunt van de Nederlanden. In Den Haag zag men hem niet vaak meer. Zonder wrevel werd dat daar niet ervaren. Zijn project leverde veel vondsten op, maar was, toen hij in februari 1977 afscheid nam, niet voltooid. In de daaropvolgende jaren heeft Vermaseren de pen weer opgepakt en enkele studies het licht doen zien, waaronder, in 1981, een tweede, aangevulde druk van zijn proefschrift. Met zijn gezondheid ging het bergafwaarts, en hij overleed in 1989.

Ben Vermaseren was een erudiete speurder op een tamelijk smal historisch terrein. In zijn werk vroeg hij om aandacht voor de katholieke kant van de strijd in de 16de-eeuwse Nederlanden, en hij richtte zijn blik bij voorkeur op de zuidelijke gewesten. De Groot-Nederlandse gedachte bleef hem zijn leven lang inspireren, zowel wetenschappelijk als in het werk voor zijn historische Atlas . Verder reikende ambities dan detailstudies kwamen niet van de grond. In het leraarschap voelde Vermaseren zich niet op zijn plaats. Ook zijn wetenschappelijke benoeming hielp hem niet over dit dode punt in zijn loopbaan heen.

A: Archief-B.A. Vermaseren in het Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: Bibliografie van dr. B.A. Vermaseren . Samengest. door Th.S.H. Bos en J.G. Smit ('s-Gravenhage 1977). Na 1977 verschenen o.a.: 'Twee onderzoekingen over Vlaanderen en prins Willem van Oranje' I en II, in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis gesticht onder de benaming Société d'émulation te Brugge 120 (1983) 5-44 en 121 (1984) 5-96.

L: Behalve een necrologie door O. Hendriks, in Katholiek Nieuwsblad , 17-2-1989: bijdragen van F.W.N. Hugenholtz en E.H. Waterbolk, in de onder P genoemde Bibliografie , 3-4 en 5-7; A.E.M. Janssen, 'Pennestrijd om den gelove. Enige kanttekeningen naar aanleiding van de heruitgave van ''De katholieke Nederlandsche geschiedschrijving in de XVIe en XVIIe eeuw over den Opstand'' van B.A. Vermaseren', in Theoretische Geschiedenis 9 (1982) 340-345.

I: Bibliografie van dr. B.A. Vermaseren . Samengest. door Th.S.H. Bos en J.G. Smit ('s-Gravenhage 1977) 2.

D. Haks


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013