Voûte, Edward John (1887-1950)

 
English | Nederlands

VOÛTE, Edward John (1887-1950)

Voûte, Edward John, burgemeester (Amsterdam 17-9-1887 - Amsterdam 18-6-1950). Zoon van Meinhard Voûte, makelaar in verfwaren, lood en petroleum, en Catharine Henriette Perk, directrice van een ziekeninrichting in Nederlands-Indië. Gehuwd op 7-7-1914 met Ernestine Louise Fransen van de Putte (1891-1965). Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren.

afbeelding van Voûte, Edward JohnEdward Voûte stamde uit een Hugenotengeslacht, waarvan de leden gedurende enkele generaties fortuin maakten in de handel met Nederlands-Indië. Zijn vader vestigde zich in 1890 in Batavia, waar Edward zijn kinderjaren doorbracht. Op elfjarige leeftijd stuurden zijn ouders hem naar een tante in Arnhem om daar de HBS te bezoeken. Van 1907 tot 1910 volgde hij de officiersopleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder. Hij toonde zich een vriendelijke, serieuze student, die goed kon omgaan met zowel medestudenten als ondergeschikten.

Na zijn beëdiging tot adelborst der eerste klasse diende Voûte korte tijd in Indische wateren. In 1913 vergezelde hij - sinds een jaar luitenant-ter-zee der tweede klasse - de kroonprins van Soerakarta als adjudant bij diens verblijf in Nederland. In deze tijd trouwde hij met de dochter van een oud-directeur van een Indische suikeronderneming, die zich als assuradeur in Arnhem had gevestigd. Toen de prins naar Indië terugkeerde, bleef Voûte in Nederland en vestigde hij zich met zijn vrouw in Den Helder. Begin 1915 maakte een incident een abrupt einde aan Voûtes veelbelovende marinecarrière. Toen hij opdracht kreeg met zijn manschappen een op het Vlissingse strand aangespoelde mijn te demonteren, werd hij bevangen door zo'n sterke angst dat hij weigerde. Op 1 mei 1915 volgde eervol ontslag wegens lichamelijke ongeschiktheid.

Familieconnecties bezorgden Voûte een baan, zodat hij in het levensonderhoud van zijn jonge gezin kon blijven voorzien. In 1915 werd hij inspecteur van de Nautische Dienst van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, een jaar later tevens secretaris van de Pakhuismeesteren van de Thee, de vereniging van theehandelaren, te Amsterdam, waarvan zijn zwager bestuurslid was. Hij ging toen in Amsterdam wonen. In 1923 werd hij bevorderd tot adjunct-hoofdinspecteur van de Technische Dienst van de Koninklijke Hollandsche Lloyd en aangewezen als procuratiehouder van de Pakhuismeesteren van de Thee. In oktober 1925 werd Voûte secretaris van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), een functie die hij tot 1941 zou vervullen. Hij bewoog zich met genoegen te midden van de kopstukken uit handel en wetenschap die het bestuur van het Genootschap uitmaakten, ontplooide grote activiteit en zocht daarbij geregeld zelf de publiciteit. Als secretaris en bovendien als gedelegeerde van de Nederlandse regering bezocht hij verscheidene internationale congressen en hield daar bij gelegenheid ook toespraken. Gebruikmakend van de opgedane kennis schreef hij in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap artikelen over onder meer de recente aardrijkskundige ontdekkingen en de exploratie van Siberië.

Voûte had zich inmiddels met zijn gezin gevestigd in het Noord-Hollandse kustplaatsje Bergen. In 1931 werd hij daar lid van de gemeenteraad als vertegenwoordiger van het zogeheten Middenblok, waarvan de leden zich er nadrukkelijk op lieten voorstaan dat zij op persoonlijke titel optraden. De meesten van hen hadden affiniteit met de Liberale Staatspartij. Als gemeenteraadslid maakte Voûte zich sterk voor de voor Bergen aanzienlijke belangen van het toerisme. Het Middenblok, dat reeds geruime tijd deelnam aan het lokale bestuur, zag zich begin jaren dertig geconfronteerd met de lokale groei van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) als gelijkwaardige tegenspeler. Terwijl de wethouders van het Middenblok, in het voetspoor van de dynamische burgemeester H.D.A. baron van Reenen, gingen samenwerken met de sociaal-democraten, zocht Voûte de polarisatie. Door bovendien onophoudelijk aan te dringen op bezuinigingen vervreemdde hij zich nog meer van zijn politieke omgeving. Een wethouderschap zat er niet in.

Als secretaris van het KNAG organiseerde Voûte in 1938 in Amsterdam een internationaal aardrijkskundig congres. In die rol was hij de Duitse delegatie terwille door te verhinderen dat deelnemers uit andere landen politieke vraagstukken aan de orde stelden. Dit optreden was voor een van de leden van de delegatie aanleiding om kort na de Duitse inval in Nederland Voûte bij het Rijkscommissariaat naar voren te schuiven. In een gesprek met Generalkommissar für Verwaltung und Justiz F. Wimmer verklaarde Voûte zich graag bereid een vacerende hoge bestuurspost te bezetten. Met als doel de sollicitatie te ondersteunen meldde hij zich eind 1940 aan als lid van de Germaansche SS. Naar verluidt, werd hij afgewezen omdat hij weigerde lid te worden van de NSB. Wel werd hij geaccepteerd als begunstigend lid. Aangespoord door zijn Duitse vrienden zette Voûte zijn kaarten op het Amsterdamse burgemeesterschap. Een aanbod om dat ambt in Den Haag te bekleden wees hij af. Na de Februaristaking ontsloeg de bezetter het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders en gaf Voûte op 3 maart 1941 de begeerde post.

Binnen het Amsterdamse establishment kon Voûte bij zijn aantreden op enige welwillendheid rekenen, omdat hij uit een vooraanstaand Amsterdams geslacht stamde en geen lid was van de NSB. Als uitvloeisel van de introductie van het zogeheten leidersbeginsel in het openbaar bestuur beschikte hij als burgemeester over bijzondere volmachten. Voûte toonde zich aanvankelijk zeer bevlogen. In het gemeentelijk bestuur droeg hij gedurende zijn eerste jaar de opvattingen van zijn Duitse superieuren krachtig uit en ontsloeg hij zonder aarzelen personeelsleden die zich tegen de bezetter keerden.

Bij zijn inspanningen gericht op het ongestoord functioneren van het stedelijk bestuursapparaat boekte Voûte enkele successen, doordat hij beter dan menig ander aanvoelde wanneer hij zich voor bepaalde zaken hard kon maken zonder met het Rijkscommissariaat in conflict te geraken. Zo had hij snel in de gaten dat de Wehrmacht en de Duitse politie, evenals hijzelf, vreesden dat het plan van de Amsterdamse Beauftragte van de Rijkscommissaris om de joden in de hoofdstad in een getto samen te dringen, hen voor onoverkomelijke bestuurlijke problemen zou plaatsen. Stap voor stap wierf hij vervolgens bij de Duitse autoriteiten voldoende steun om de uitvoering van dat plan van de baan te schuiven: in Amsterdam zou nooit een getto worden opgericht.

In de meeste gevallen gaf Voûte evenwel stipt uitvoering aan Duitse instructies. Onder zijn verantwoordelijkheid werden joden verwijderd van de scholen, verdrongen uit het openbare leven, verdreven van markten, uitgesloten van een groot deel van de levensmiddelenvoorziening en opgepakt en gedeporteerd. Als president-curator van de Universiteit van Amsterdam - een positie die hij uit hoofde van zijn burgemeesterschap bekleedde - spanden Voûte en de gelijkgezinde secretaris-generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, J. van Dam, zich in om de rector magnificus en de hoogleraren in het gareel te dwingen. Tweemaal leidde hun optreden tot een golf van ontslagen. Alleen veel behendig manoeuvreren van de faculteiten voorkwam dat Voûte op de openvallende posten Duitsgezinde personen benoemde.

Voûtes overtuiging dat Duitsland een duurzaam overwicht in Europa had gevestigd, kreeg rond de jaarwisseling van 1942/1943 een forse knauw door de nederlagen van de Wehrmacht in Noord-Afrika en bij Stalingrad. Voorzichtig zocht hij toenadering tot de zittende leiding van zijn eigen ambtelijke apparaat. Op 1 april 1943 kreeg hij tijdelijk de leiding over het politiekorps in de schoot geworpen, omdat het Rijkscommissariaat geen geschikte opvolger kon vinden voor de in oktober 1942 overleden Duitsgezinde hoofdcommissaris S. Tulp. Voûte droeg daarop zijn bevoegdheden als waarnemend politiepresident informeel over aan het niet-Duitsgezinde deel van de korpsleiding, dat een steunpunt had gevonden in het zogeheten Kabinet politiepresident. Gedekt door hem kon dit orgaan het politiekorps stapsgewijs onttrekken aan optreden tegen de eigen bevolking. De nieuwe korpschef die de bezetter op 1 december 1943 benoemde, slaagde er niet meer in de machtspositie van dit ambtelijk orgaan af te breken.

Rijkscommissaris A. Seyss-Inquart, die Voûte uitsluitend nog als een loyale toezichthouder zag, belastte hem in het voorjaar van 1944 met de waarneming van het burgemeesterschap van Diemen, maar honoreerde diens verzoeken niet of nauwelijks meer. Tevergeefs protesteerde een wanhopige Voûte in de septemberdagen tegen de Duitse vernielingen in de haven. Wel wist hij enkele maanden later Amsterdamse mannen naar Friesland te sturen om daar voor de stad aardappels te rooien en zo de voedselschaarte in de stad tijdelijk te verminderen.

Na de bevrijding genoot Voûte de steun van een deel van de leiding van het bestuursapparaat en de politie. Nadat hij door een arrestatieploeg was opgepakt als collaborateur, werd hij tot tweemaal toe vrijgelaten, maar onder druk van de publieke opinie steeds weer opgepakt. Tijdens zijn proces in april 1946 traden enkele ambtenaren voor Voûte in het krijt. Er waren echter bewijzen te over van zijn dienstbaarheid aan de bezetter en van zijn identificatie met Duitsland. In eerste aanleg werd hij twee maanden later veroordeeld tot zes jaar gevangenis. Na cassatie werd deze straf in december 1947 teruggebracht tot drie jaar en zes maanden. Ruim een jaar na zijn vrijlating overleed hij in een Amsterdams ziekenhuis.

Zijn benoeming tot burgemeester van de stad waar zijn voorouders respectabele posities hadden bekleed, vervulde een lang gekoesterde wens van Voûte, een wens gestoeld op een verlangen dat door zijn falen bij de marine slechts was verhevigd. De historicus L. de Jong beschouwt hem als een gematigd foute burgemeester, daarbij wijzend op zijn koerswijziging in het voorjaar van 1943. Stellig is het zijn verdienste dat de gemeentelijke diensten en eigendommen relatief ongeschonden uit de bezetting zijn gekomen. De groepen van de Amsterdamse bevolking die doelwit waren van de Duitse repressie en vervolging, hebben echter weinig steun van hun burgemeester ondervonden.

A: Documentatiedossier-E.J. Voûte bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam; strafdossier van E.J. Voûte bij het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage.

P: 'Een en ander over de ontwikkeling van de aardrijkskundige wetenschap in verband met den wereldoorlog', in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap . Tweede serie XLVII (1930) 942-956; 'De economische ontwikkeling van Siberie', ibidem , Tweede serie LIV (1937) 723-729.

L: L. de Jong , Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog VI ('s-Gravenhage 1975) 431; P.J. Knegtmans, Een kwetsbaar centrum van de geest. De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950 (Amsterdam 1998); F. Roest en J. Scheren, Oorlog in de stad. Amsterdam, 1939-1941 (Amsterdam 1998); G. Meershoek, Dienaren van het gezag. De Amsterdamse politie tijdens de bezetting (Amsterdam 1999).

I: G. Meershoek, Dienaren van het gezag. De Amsterdamse politie tijdens de bezetting (Amsterdam 1999) fotokatern tussen pp. 224-225.

A.J.J. Meershoek


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013