Vries, Hessel de (1916-1959)

 
English | Nederlands

VRIES, Hessel de (1916-1959)

Vries, Hessel de, natuurkundige (Annen (Dr.) 15-11-1916 - Groningen 23-12-1959). Zoon van Klaas de Vries, hoofdonderwijzer, en Rinske Robroch. Gehuwd op 9-10-1946 met Gezina Wendelina Nijboer (geb. 1923). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren.

afbeelding van Vries, Hessel deHessel de Vries doorliep de HBS te Assen en Sappemeer en kwam in 1934 naar de Groningse universiteit om wis- en natuurkunde te studeren. Op 25 juli 1939 haalde hij zijn doctoraal, en op 23 april 1942 promoveerde hij cum laude bij prof. D. Coster op een kernfysisch onderwerp: De resonantieniveaux van zilver, zink, koper en aluminium voor het invangen van neutronen. Een paar maanden later werd hij aan de Groningse universiteit benoemd tot lector in de 'propaedeutische natuurkunde aan studenten in de geneeskunde'.

De biofysica had toen al enige tijd bezit genomen van De Vries' denken. In het bijzonder de fysica van de zintuigen fascineerde hem. Al in 1943 publiceerde hij het artikel 'The quantum character of light and its bearing upon threshold of vision, the differential sensitivity and visual acuity of the eye' (in: Physics 10 (1943) 553 e.v.) over de invloed van de eigenschappen van het licht op het zien. Het oog krijgt de lichtenergie in pakketjes aangeboden, maar die pakketjes zijn soms kleiner dan de drempelgevoeligheid van het oog. Hij formuleerde zijn hypothese: de warmtebeweging van de moleculen in het oog vult de energie van de pakketjes aan, waardoor ze de drempel wel kunnen nemen. Dan moet extra warmte de gevoeligheid van het oog vergroten, zo redeneerde hij verder, en hij bedacht een proef om zijn hypothese te toetsen. Hij plaatste een badkuip in zijn laboratorium en warmde zijn proefpersonen erin op van 37 naar 42 graden. Vooral mensen met kleurenblindheid moesten het ontgelden; bij hen was de temperatuurgevoeligheid het best te meten.

De Vries' leermeester Coster, zelf een autoriteit op het gebied van de röntgenspectroscopie, kon intussen om gezondheidsredenen zijn hoogleraarsambt moeilijk vervullen, en vanaf 1945 moest De Vries, Costers briljantste leerling, een groot deel van zijn colleges en de zorg voor het natuurkundig laboratorium overnemen. Die organisatorische taken weerhielden de jonge geleerde er niet van om van zich te doen horen. Zijn naam dook geregeld op in krantenberichten, vooral als het ging om de toepassingsmogelijkheden van kernernergie. 1950 werd een cruciaal jaar in zijn leven en carrière. Begin dat jaar overleed Coster, waarna H. Brinkman hem opvolgde. De Vries kon zich nu weer volledig aan zijn wetenschappelijke werk wijden. In datzelfde jaar werd hij buitengewoon hoogleraar in de propaedeutische en biologische natuurkunde.

Het jaar 1950 was om nog een andere reden cruciaal voor De Vries. De Amerikaanse chemicus W.F. Libby had vlak na de oorlog ontdekt dat al het plantaardig en dierlijk materiaal een klok in zich herbergt, een klok die gaat lopen op het moment dat de plant of het dier sterft. Die klok heet koolstof-14 (C-14). De kosmische straling zorgt ervoor dat er in de kooldioxide van de atmosfeer een constante verhouding is tussen dit radioactieve C-14 en de normale koolstof, ontdekte Libby. Een verhouding die ook in alle leven voorkomt, omdat er een voortdurende uitwisseling van koolstof plaatsvindt. Eindigt het leven, dan eindigt de uitwisseling. De hoeveelheid C-14 neemt af, omdat de stof radioactief vervalt: de klok is gaan lopen.

Toen de Groningse archeoloog A.E. van Giffen in 1950 bekend raakte met deze ontdekking, zag hij er meteen het grote belang ook voor eigen onderzoek van in. Hij besloot deze methode in Groningen bij de bepaling van de ouderdom van archeologische materiële vondsten toe te passen. Van Giffen liet zijn blik over het hooglerarencorps gaan en stuitte op die briljante fysicus. De Vries zag aanvankelijk zijn eigen wetenschappelijke belang bij deze onderneming niet in. Maar Van Giffen drong aan, en hij liet zich door de grand old man van de Nederlandse archeologie overhalen.

Allengs begon het onderzoek De Vries te fascineren. Hij bestudeerde de publicaties van Libby en doorzag dat diens methode onbetrouwbare resultaten moest opleveren. Libby verkoolde zijn preparaat, zuiverde het tot pure koolstof en smeerde dit aan de binnenwand van zijn geigerbuis. De Vries begreep dat dit niet goed kon gaan; de fouten waren gewoon ingebouwd. Hij besefte dat Libby's onnauwkeurigheden vermeden konden worden wanneer hij de radioactiviteit van kooldioxide en niet die van pure koolstof mat. Het was geen eenvoudige opgave die hij zich daarmee stelde, want het gas moest zeer zuiver zijn, maar na het nodige geëxperimenteer klaarde hij deze klus. Het dateren van de oudheidkundige preparaten kon beginnen.

Niet lang daarna kreeg De Vries zijn eerste grote opdracht. Van Giffen was in die periode bezig met opgravingen op het Groningse Martinikerkhof en stuitte daarbij op houten funderingspalen van de oude Sint Walburgkerk. De archeoloog stuurde monsters van de palen op aan Libby, en die dateerde ze op ruim tweeduizend jaar oud. Dat maakte de vondst van Van Giffen opzienbarend. Het zou betekenen dat de geschiedenis van de kerk terugging tot de Romeinen. Alvorens deze theorie in een artikel te publiceren besloot Van Giffen ook De Vries de palen te laten dateren. Deze kwam tot een veel minder spectaculaire leeftijd. De palen waren volgens hem ongeveer duizend jaar oud: niet veel ouder dan de Sint Walburgkerk zelf. Aanvankelijk twijfelde Van Giffen aan de kwaliteit van De Vries' dateringen. Maar er waren inmiddels verscheidene C-14-laboratoria opgericht, en de monsters van de palen gingen de hele wereld rond. Al deze laboratoria bevestigden in 1952 de uitkomst van De Vries, waarmee diens naam definitief gevestigd werd.

In de daaropvolgende jaren bracht De Vries - sinds januari 1954 gewoon hoogleraar te Groningen - nog enkele wezenlijke verbeteringen aan. Hij vergeleek zijn dateringen met de jaarringen van bomen en ontdekte dat hij de ouderdom van zijn preparaten systematisch onderschatte. Een van Libby's aannames is onjuist, concludeerde hij: de hoeveelheid C-14 is niet altijd even groot geweest. Het fenomeen kwam als het 'De Vries effect' in de boeken terecht.

In 1956 werd De Vries lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Twee jaar later werd hij 'research associate' van het Carnegie Institute te Washington. 1959 leek voor De Vries een zeer voortvarend jaar te worden, maar dat pakte anders uit. In september werd de Derde Internationale C-14 Conferentie in Groningen gehouden, en een paar maanden eerder was eindelijk een begin gemaakt met de bouw van zijn nieuwe laboratorium met de 25 meter diepe, stralingsvrije put. De gevierde onderzoeker had tot dan toe moeten werken in een onooglijk aanbouwsel van het natuurkundelab (vloeroppervlak vijf bij vijf meter).

De Vries was een gedreven man, die zich zowel op zijn vakgebied als daarbuiten volledig op iets kon storten. Deze neiging tot monomanie zou hem ook in de liefde op tragische wijze parten spelen. Eind december 1959 beroofde de hoogleraar zichzelf van het leven. Enkele maanden eerder had zijn assistente, Anneke Hogeveen, op wie hij ongeveer een jaar lang verliefd was geweest, duidelijk gemaakt dat zij deze liefde niet kon beantwoorden en was ze op een ander laboratorium van de universiteit gaan werken. De Vries kon deze afwijzing niet verwerken. Hij probeerde eerst nog zijn liefde te bewijzen door apart van zijn vrouw en kinderen te gaan wonen. Toen zij zich hierdoor niet op andere gedachten liet brengen, zag hij nog maar één uitweg: hij bracht haar in haar ouderlijke woning met beitelsteken om het leven en slikte vervolgens zelf cyaankali. Iedereen was geschokt en verbijsterd. Een verklaring voor deze wanhoopsdaad leek er niet te zijn. Een van zijn collega's zocht de verklaring in een tekortkoming in De Vries' karakter. Hij zou iets monomaans, iets gedrevens hebben gehad, zonder ooit te hebben geleerd dat niet alles wat men nastreeft te verwezenlijken is.

In 1960 kreeg Libby de Nobelprijs voor zijn ontdekking van de C-14-methode. In de ogen van de archeologen zou De Vries eerder voor deze prijs in aanmerking zijn gekomen, zo hij nog had geleefd. Het is immers niet Libby geweest die de C-14-methode heeft gepresenteerd, die een revolutie heeft ingeluid voor de archeologie. Dat is volgens de archeologen de verdienste van De Vries geweest.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties o.a.: De structuur van de materie [Openbare les] (Groningen [etc.] 1942); Biophysica [Inaugurele rede] (Groningen [etc.] 1951); 'Physical aspects of the sense organs', in Progress in biophysics and biophysical chemistry 6 (1956) 207 e.v.; 'Toepassing en meting van de natuurlijke radioactiviteit van koolstof', in Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 23 (1957) 277-292; 'Onderzoek van de laatste ijstijd met behulp van radioactieve koolstof', in Akademiedagen. Verslagen en voordrachten gehouden te Groningen op 3 en 4 april 1959 11 (1959) 38-47.

L: H. de Waard, in Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 26 (1960) 30-34; H. B[rinkman], in Jaarboek der Rijksuniversiteit Groningen 1960 (Groningen 1960) 34-36; idem, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1960-1961 (Amsterdam 1961) 298-301; Joep Engels, 'De man die geen Nobelprijs kreeg. Grondlegger C14-methode zag geen uitweg uit persoonlijk drama', in Universiteitskrant [van de RU Groningen], 23-6-1994; A. de Kool, Pin-pointing the Prehistoric (Hilversum z.j.).

I: Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 26 (1960) 30.

J.J.M. Engels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013