Vries, Jan Eduard de (1808-1875)

 
English | Nederlands

VRIES, Jan Eduard de (1808-1875)

Vries, Jan Eduard de, decorateur en theaterdirecteur (Amsterdam 16-3-1808 - Amsterdam 25-9-1875). Zoon van Willem de Vries, schilder, en Catharina Sara Vis. Gehuwd op 9-8-1837 met Katrina Sophia Karel (1809-1842). Na haar overlijden gehuwd op 29-6-1865 met Maria Francisca Bia (1809-1889), actrice en zangeres. Beide huwelijken bleven kinderloos.

afbeelding van Vries, Jan Eduard deOfschoon hij volgens enkele necrologieën een nazaat zou zijn van de legendarische admiraal Maarten Harpertsz. Tromp, was Eduard de Vries van eenvoudige komaf. Evenals zijn vader bleek hij schilderstalent te bezitten, wat hem al op twaalfjarige leeftijd in het decoratelier van de Amsterdamse Stads-Schouwburg deed belanden. Hij kwam daar in de leer bij de indertijd fameuze toneelschilder F.J. Pfeiffer jr. In diezelfde tijd volgde hij een opleiding aan de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. In het veelzijdige theaterbedrijf was De Vries geheel op zijn plaats. Zo trad hij in de Stads-Schouwburg niet alleen op als decorschilder, maar ook als souffleur.

Als decorateur werd De Vries allengs de rechterhand van Pfeiffer. Pas toen zijn leermeester in 1835 overleed en hij werd aangezocht diens taken over te nemen, ontstonden zijn eerste zelfstandige werken. Met ontwerpen als die voor Aladijn en de wonderlamp , een ballet van A.P. Voitus van Hamme uit 1837, plaatste hij zich, wat genre en stijl betreft, in de traditie van zijn voorganger: grote romantische toneelschilderingen met veel opsmuk en effecten, die met hun perspectivische illusie een geweldige ruimtelijkheid op het toneel konden suggereren. Met het realisme van zijn ontwerpen en constructies ging De Vries ver, ja soms zo ver dat ook de figuranten echt niet meer van onecht konden onderscheiden: van zijn montage van een zwalkend toneelschip in De schipbreuk van de Medusa zouden zij - naar verluidt - zeeziek zijn geworden.

Toen de exploitatie van de Stads-Schouwburg in 1841 door de gemeenteraad tijdelijk werd uitbesteed aan particulieren, was De Vries een van de zeven sociétaires die met de leiding werden belast. Vier jaar later werd dit zevenhoofdige bestuur al weer ontbonden en kregen De Vries en Marten Westerman de directie in handen. Na het overlijden van laatstgenoemde in 1852 trad De Vries als enige directeur op, zonder daarbij overigens zijn werkzaamheden als toneelontwerper te staken. Als decorateur van de Stads-Schouwburg had hij, naast de aankleding van het gebouw bij festiviteiten, tevens de zorg voor de versiering van de stad bij bijzondere gebeurtenissen. Veelgeroemd was zijn tableau vivant van 'De nachtwacht' in de Stads-Schouwburg ter gelegenheid van de onthulling van het Rembrandtmonument in mei 1852.

Als directeur drukte 'het schildersbolletje' - zoals J.A. Alberdingk Thijm De Vries eens spottend aanduidde (Hunningher, 29) - een omstreden, maar sterk persoonlijk stempel op de programmering van de Stads-Schouwburg. Door zijn geringe dramatische interesse en zijn voorkeur voor 'pronkerig opgetuigde, brullende draken' (ibidem) waren de stukken die hij op de planken bracht, vooral gericht op de weinig verfijnde smaak van een breed publiek. De verdiensten van De Vries lagen dan ook niet zozeer op het terrein van het toneel, als wel op het gebied van de harlekinades en het romantisch ballet, dat door zijn toedoen een laatste grote bloeitijd zou doormaken. Bovendien was De Vries - van 1846 tot 1852 tevens exploitant van een Hoogduits operagezelschap in de Amstelstraat - degene die het versnipperde operabedrijf in de hoofdstad enigszins concentreerde in de Stads-Schouwburg. De 'spullebaas van het Leidscheplein' organiseerde voorstellingen van de grote Duitse, Italiaanse en Franse opera's van zijn tijd en liet het publiek kennismaken met verschillende muziekdramatische werken. Zo vond op zijn instigatie in 1858 - veel eerder dan in Parijs of Londen - in de schouwburg de eerste Nederlandse opvoering van Richard Wagners Tannhäuser plaats. De Vries' geringe belangstelling voor het toneel deed zowel het niveau van de opgevoerde stukken als van het publiek steeds verder dalen. Toen hij in 1858 besloot tot de invoering van de zogeheten remuneratiebiljetten, 'die voor een kwartje in kroegen en tabakswinkels te koop waren, voerde het plebs in de schouwburg geheel de boventoon' (ibidem, 26). Om deze kwalitatieve neergang te keren werd De Vries een jaar later, na hoogoplopende ruzies met zijn eerste acteur, door de gemeenteraad als directeur vervangen.

Na zijn ontslag verzorgde De Vries, artistiek entrepreneur in hart en nieren, voorstellingen in het Théâtre Vaudeville Français aan het Singel en vervolgens in Frascati in de Nes. In 1860 aanvaardde hij het aanbod om in Rotterdam directeur-gérant te worden van het Hollandsch Tooneel en de Hoogduitsche Opera, twee gezelschappen die gezamenlijk het initiatief hadden genomen de plaatselijke schouwburg te bespelen. Zijn theateractiviteiten hadden De Vries intussen geen windeieren gelegd. Zo was hij reeds in 1855 eigenaar geworden van de Utrechtse Stads-Schouwburg aan het Vreeburg. Toen hij in 1867 Rotterdam verliet - ook hier was zijn werk niet onomstreden - had hij het plan zich geheel met de exploitatie van dit theater en met zijn decorateurswerk bezig te houden.

Het liep echter anders. In 1868 werd namelijk vanuit het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt een dringend beroep op De Vries gedaan de bedrijfsvoering van dit tentoonstellings- en concertgebouw op zich te nemen. Met succes paste hij de programmering aan op de wijze zoals hij voorheen in de Stads-Schouwburg had gedaan, met harlekinades en groots opgezette balletten. Ook werden door zijn toedoen in het Paleis de eerste opera's opgevoerd, waarvoor hij - samen met zijn leerling J.D.G. Grootveld - de decors verzorgde. In het najaar van 1874 werd De Vries getroffen door een beroerte. Het daaropvolgende jaar overleed de man van wie bij die gelegenheid werd geschreven: 'Met taai geduld wist hij miskenning, hoon en smaad te dragen, zonder zich te laten afbrengen van den weg dien hij zich had afgebakend' ( Amsterdamsche Courant , 26/27-9-1875).

A: Een beperkt aantal archiefstukken berust o.a. in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam en in het Gemeentearchief van Amsterdam.

L: Behalve herdenkingsartikelen in De Volksvlijt (1875) 313-317, Amsterdamsche Courant , 26 en 27-9-1875, door [J.J.F.] Wap, ibidem , 1-10-1875 en door P.H. Witkamp, in Noord- en Zuid-Nederlandsche Toneel-Almanak voor 1876 (Amsterdam 1876) 127-138: A.E. Koller, Statistische Uebersicht der Wirksamkeit der Deutschen Oper im grossen National-Theater in Amsterdam unter Direktion des Herrn J. Eduard de Vries, vom 12. October 1854 bis 1. Januar 1856 (Amsterdam 1856); Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd VI (Amsterdam 1863) 1805-1810; W.G.F.A. van Sorgen, De tooneelspeelkunst in Utrecht en de Utrechtsche Schouwburg ('s-Gravenhage 1885) vooral 56-58; B. Hunningher, Een eeuw Nederlands toneel (Amsterdam 1949); E. Rebling, Een eeuw danskunst in Nederland (Amsterdam 1950) vooral 196-198; S.A.M. Bottenheim, De opera in Nederland (2de herz. dr.; Leiden 1983) ; idem, Het Paleis voor Volksvlijt (1864-1929). 'Edele uiting eener stoute gedachte!' ('s-Gravenhage 1999).

I: Noord- en Zuid-Nederlandsche Tooneel-Almanak voor 1876 (Amsterdam 1876) t.o. 127 [Lithografie door Emrik en Binger].

Emile Wennekes


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013