Vroom, Wilhelmus Hermannus (1850-1925)

 
English | Nederlands

VROOM, Wilhelmus Hermannus (1850-1925)

Vroom, Wilhelmus Hermannus, ondernemer (Veendam 5-9-1850 - Amsterdam 14-1-1925). Zoon van Bernardus Henricus Vroom, winkelier in manufacturen, en Catrina Maria Vinke. Gehuwd op 10-1-1883 met Emilia Francisca Tombrock (1862-1946). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden zoon, 6 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Vroom, Wilhelmus HermannusWillem Vroom stamde uit een rooms-katholiek geslacht van welgestelde landbouwers uit Groningen die zich, door contacten met Duitse kooplieden, tevens op de handel hadden toegelegd. Zijn vader was, na een korte carrière als notarisklerk, samen met zijn echtgenote een manufacturenzaak in Veendam begonnen. Het echtpaar Vroom kreeg in totaal tien kinderen, van wie er zes jong overleden. In 1855, toen Willem vierenhalf jaar oud was, overleed zijn moeder, waarna een eveneens in Veendam woonachtige tante de opvoeding van hem en zijn jongste broer op zich nam. In 1862 vertrok Willem naar Huissen bij Arnhem, waar hij gedurende tweeënhalf jaar de particuliere kostschool van H.J. Wansink bezocht. Vandaar ging hij in 1865 met zijn oudere broer naar Groningen om er praktijkervaring op te doen in de manufacturenzaak van Johan Alofs, die gehuwd was met een nicht van Willems vader. Hier werden de jonge Vroom gedurende ruim twee jaar de fijne kneepjes van het koopmansvak bijgebracht, en met deze kennis keerde hij begin juni 1867 terug naar Veendam. Hij ging als winkelbediende werken in de zaak van zijn vader, waarbij hij als marskramer geleidelijk de zogeheten 'buitenklanten' ging bedienen.

Eind april 1881 vertrok de inmiddels dertigjarige Vroom naar Amsterdam, waar hij zich vestigde in een winkelpand aan de Leliegracht. Waarschijnlijk zag hij in het snel groeiende Amsterdam mogelijkheden die hem in het Groninger land niet werden geboden. Ook is het mogelijk dat zijn eerder naar de hoofdstad vertrokken neef Hendrikus Johannes (H.J.) Vroom hem overhaalde te verhuizen. Hoe het ook zij, de onderneming was goed voorbereid, want al binnen een week kon hij in het door hem gekochte pand zijn winkel openen. Hiervoor had hij in totaal 1500 gulden van familieleden geleend. Dat Vroom zelf toen niet geheel onbemiddeld was, moge blijken uit het feit dat hij zich een dienstbode kon veroorloven.

In zijn winkel verkocht Vroom manufacturen, verschillende stoffen, tafellakens, molton, handschoenen en ook 'gemaakte kleding', zoals broeken, overhemden en mantels. In de daaropvolgende twee jaar bouwde hij een zaak op die redelijk liep, in ieder geval genoeg opbracht om in zijn levensonderhoud te voorzien. Wel is opmerkelijk dat de winkel van de katholieke Vroom vanaf de opening op zondag gesloten was, wat ongebruikelijk was, omdat een algemene zondagssluiting toen niet bestond. Mogelijk door zakelijke contacten raakte hij bevriend met Anton Dreesmann, een andere Amsterdamse katholieke ondernemer. Ook buiten hun werk kwamen zij elkaar tegen. Zo waren zij beiden lid van een door de paters jezuïeten geleide mannencongregatie en deelden zij een stamtafel in een café. Dreesmann stelde zijn zakenvriend voor aan de jongere zusters van zijn vrouw, wat in 1883 leidde tot een huwelijk tussen Vroom en Cisca Tombrock. Daarmee werden zij zwagers.

De winkel van Vroom aan de Leliegracht bleek - mede door de oude detailhandelsgewoontes die hij bleef hanteren - op den duur toch onvoldoende vooruitzichten te bieden. Dreesmann adviseerde zijn zwager daarom een tweede winkel te openen op de Wittenburgergracht. Vroom begon hier onmiddellijk met een grote uitverkoop, waarbij hij met succes Dreesmanns (voor die tijd) ongebruikelijke verkoopstrategie overnam om zijn waren tegen 'lage, doch vaste prijzen, uitsluitend à contant, zonder eenige korting' aan de man te brengen. De nieuwe zaak liep zo goed dat Vroom in oktober 1885 zijn oude winkel aan de Leliegracht sloot, waarna hij met zijn vrouw en kinderen boven de zaak aan de Wittenburgergracht ging wonen. Vrooms gezin zou uiteindelijk twee dochters en zeven zoons tellen. Van deze zoons overleed er een op tienjarige leeftijd en zou er een arts worden. De overige vijf kwamen allen, na hun studie, in de zaken van hun oom en vader.

Allengs gingen Vroom en Dreesmann, ieder de eigenaar van een aantal eigen zaken, steeds meer samenwerken. Eerst gebeurde dat nog in de vorm van het gezamenlijk inkopen van goederen, maar per 1 mei 1887 kwam het tot een nauwere samenwerking toen beide zwagers een gezamenlijke zaak aan de Weesperstraat in Amsterdam openden. Aangezien Vroom de oudste van de twee was, kreeg de nieuwe firma de naam 'Vroom&Dreesmann' of kortweg V&D. Dreesmann verschafte het bedrijfskapitaal, en een van zijn jongere broers werd als bedrijfsleider van de nieuwe zaak aangesteld. Volgens hetzelfde concept werden daarop nog twee winkels geopend, waarna beide ondernemers al hun zaken per 1 januari 1890 in een combinatie onderbrachten. Sindsdien werden deze bedrijven voor gezamenlijke rekening gedreven.

De samenwerking tussen beide ondernemers verliep naar wens, en tussen hen ontstond een duidelijke taakverdeling: Vroom verzorgde de administratie en de financiën van de firma, terwijl Dreesmann de in- en verkoop voor zijn rekening nam. Deze taakverdeling, hun specifieke kennis van de manufacturenbranche en het feit dat beide zwagers elkaar zo goed aanvulden, zouden de gezamenlijke firma tot grote bloei brengen. De invloed van Vroom was te herkennen in de sluiting van de V&D-zaken op zondag, wat, behalve op de zondagsrust, waarschijnlijk ook op de achterblijvende omzet op die dag is terug te voeren. Het zou nog jaren duren voordat het voorbeeld van Vroom en Dreesmann algemene navolging vond.

De goede resultaten van de firma stelden beide ondernemers in staat om 'op stand' te gaan wonen. Vroom verhuisde in 1890 eerst naar de woning boven de zaak aan de Vijzelgracht, vanwaar hij zich vier jaar later aan de Prinsengracht vestigde. Het kantoor van de firma ging toen met hem mee. Hier bespraken beide zwagers de algemene zakelijke aangelegenheden, en elke zaterdagochtend, vóór tien uur, brachten de bedrijfsleiders van de verschillende zaken de ontvangen gelden van de voorafgaande week persoonlijk bij Vroom. Deze telde het geld dan na en betaalde er nog dezelfde dag de rekeningen van de leveranciers mee.

Kenmerkend voor de beide ondernemers was dat zij, na de vestiging van hun gezamenlijke firma in Amsterdam, in snel tempo nieuwe filialen elders openden. Doordat zij inmiddels over voldoende eigen financiële middelen beschikten en bovendien een beroep konden doen op een groot aantal geschikte en goed katholieke familieleden, kon het bedrijf snel uitbreiden, zodat aan het begin van de 20ste eeuw vrijwel elke grote Nederlandse stad een V&D-vestiging had. Een uitzondering hierop vormde Groningen, waar Caspar Vroom, een oudere broer van Willem, een eigen manufacturenzaak dreef. Vroom heeft zijn broer nooit concurrentie willen aandoen.

Toen het aantal filialen zich uitbreidde, wensten Vroom en Dreesmann hun privé-vermogen af te zonderen van het bedrijfskapitaal. Daartoe werden de verschillende vestigingen van de firma, na afweging van de voor- en nadelen, vanaf 1905 een voor een omgezet in besloten naamloze vennootschappen. Hierdoor werd de firma onafhankelijk van de activiteiten van beide ondernemers. In het genoemde jaar waren zij inmiddels 54 en 50 jaar oud, de leeftijd waarop de continuïteit van de onderneming een belangrijke rol ging spelen. De Amsterdamse vestigingen gingen op 23 mei 1905 als eerste op in de Naamloze Vennootschap Amsterdamsche Manufacturenhandel van Vroom&Dreesmann. De directie van deze NV werd gevormd door de enige twee aandeelhouders: Vroom en Dreesmann. Het maatschappelijke kapitaal van de NV bedroeg 600.000 gulden, verdeeld in 120 aandelen à 5000 gulden, waarvan beide zwagers ieder de helft bezaten. Van de andere NV's, waarvan zij commissaris werden, zouden Vroom en Dreesmann ieder 25 procent van de aandelen krijgen. Deze verdeling was een bewuste keuze van beide ondernemers; aldus hadden zij grote invloed op de besluitvorming binnen deze NV's en daarmee op de besteding van de winsten. Tot 1919 zouden Vroom en Dreesmann de enige commissarissen van de vennootschappen blijven, waarna zij het roer aan de tweede generatie overgaven. In datzelfde jaar ging het directeurschap van de Amsterdamse vennootschap over op de oudste zoons van beide oprichters.

Als financieel specialist hechtte Vroom veel waarde aan de versterking van de stille en open reserves van de Amsterdamsche NV. Om die reden bleef het uit te keren dividendpercentage van deze vennootschap altijd ver achter bij die van de andere NV's. Op deze manier kon de Amsterdamsche NV haar centrale rol als 'moedermaatschappij' bestendigen. Daarnaast was Vroom een groot voorstander van het versneld afschrijven van investeringen en het vormen van afschrijvingsfondsen. Hierdoor kon de jaarlijkse winst flink worden verminderd, waardoor er minder vennootschapsbelasting hoefde te worden betaald.

Vroom, die zijn zaak met geleend geld was begonnen, was een geslaagd zakenman. Voorzover zijn werk voor de firma dat toeliet, zette hij zich actief en persoonlijk in voor tal van katholieke organisaties op charitatief en sociaal gebied. Vroom was, behalve zakenman, ook een trouwe zoon van de katholieke kerk, wat onder meer tot uiting kwam in de nevenfuncties die hij bekleedde. Hij had bijvoorbeeld jarenlang zitting in de besturen van verschillende kerkelijke en maatschappelijke instellingen zoals het kerkbestuur van de St. Willibrordusparochie binnen de Veste ('De Duif'), en hij was president van de Amsterdamse St. Vincentius Vereeniging voor Armenverzorging. Tevens interesseerde hij zich voor de R.K. Militairen Vereeniging en de R.K. Vereeniging voor Vacantiekoloniën. Daarnaast schonk hij jaarlijks grote sommen geld aan kerkelijke en liefdadigheidsinstellingen.

Na een lang ziekbed overleed Willem Vroom op 74-jarige leeftijd in Amsterdam. Daarmee eindigde het leven van een van de twee grondleggers van het lange tijd succesrijkste grootwinkelbedrijf in Nederland. Als telg uit een welgestelde familie heeft Vroom gedurende zijn leven een onmiskenbaar katholiek stempel op de onderneming van V&D gedrukt. Zijn zakelijke en financiële inzicht en zijn opvattingen betreffende dividenden en afschrijvingen hebben een belangrijke rol gespeeld in de groei en bloei van de firma.

A: Persoonlijke bescheiden betreffende W.H. Vroom in het Historisch Archief van Vroom&Dreesmann Nederland BV te Amsterdam.

L: N.A. Hamers, Samenvatting van de genealogieën der geslachten verbonden met het concern Vroom&Dreesmann (Nijmegen 1967); H.Ph. Hondelink, 'Vroom en Dreesmann, de oprichters en hun onderneming, 1887-1912' in Jaarboek voor de geschiedenis van bedrijf en techniek 9 (Amsterdam 1992) 159-184.

I: N.A. Hamers, Samenvatting van de genealogieën der geslachten verbonden met het concern Vroom & Dreesmann (Nijmegen 1967) 158.

H.Ph. Hondelink


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013