Walraven, Willem (1887-1943)

 
English | Nederlands

WALRAVEN, Willem (1887-1943)

Walraven, Willem, (pseudoniem Maarten Cornelis), journalist en schrijver (Dirksland (Z.H.) 7-6-1887 - Gevangenkamp 'Kesilir' bij Banjoewangi (Java, Nederlands-Indië) 13-2-1943). Zoon van Frans Walraven, kruidenier, en Antje van Kassel. Gehuwd in 1922 met Itih (1898-1969). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 3 zoons en 5 dochters geboren.

afbeelding van Walraven, WillemMet een mengeling van onverholen weerzin en vertedering herinnerde Willem Walraven zich zijn jeugd in Dirksland op het eiland Goeree en Overflakkee. De verhouding met zijn ouders was ronduit slecht. Walravens vader, die een kruidenierswinkel dreef en zich tot redelijke welstand had opgewerkt, was zeer materialistisch ingesteld en toonde een diepe minachting voor cultuur. Voor zijn moeder, een schippersdochter, koesterde Walraven aanvankelijk meer sympathie, maar bitter stelde hij vast dat zij in conflicten tussen vader en zoon de kant van haar man koos.

Hoewel het gezin - dat verder uit een jongere broer en zuster bestond - in een orthodox-protestantse streek woonde, werd Walraven liberaal opgevoed. Hij ging naar de openbare lagere school, waar hij zich een vlotte leerling toonde. Naar de HBS mocht hij echter niet. Na nog wat les in Frans, Duits, Engels en boekhouden, werd Walraven begin 1902 naar Delft gestuurd om als volontair te werken op het kantoor van de handelsonderneming Van Schaik. Hij zou er een betrekkelijk gelukkige tijd beleven, met veel theaterbezoek. In deze jaren werd Walraven ook politiek bewust. Tijdens de grote spoorwegstakingen van 1903 kreeg hij een sterke sympathie voor het socialisme.

In januari 1904 keerde Walraven terug naar zijn ouderlijk huis in Dirksland. Het werd een periode van voortdurende conflicten met zijn vader en moeder, onder meer over zijn politieke opvattingen. Het ernstigste conflict hield verband met een liefdesrelatie, die door zijn moeder onmogelijk werd gemaakt. Het meisje in kwestie, dat van een vroeg overleden dochtertje beviel, kreeg hij niet meer te zien. Eind 1907 vertrok Walraven naar Rotterdam, waar hij een baantje vond als loopjongen, dat hij kon combineren met een bohémienachtig bestaan. In Rotterdam was hij ook politiek actief. Sinds november 1907 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, bezocht hij lezingen van socialistische voormannen en nam hij deel aan een cursus marxistische economie.

Aangezien Walraven in Rotterdam geen zelfstandig bestaan wist op te bouwen, besloot hij te emigreren naar Canada, waar hij eind 1909, na een zeereis vol ontberingen, aankwam. Ook daar slaagde hij er niet in een vaste betrekking te vinden. Vijf jaar lang trok Walraven door Noord-Amerika, met allerlei kleine baantjes de kost verdienend. Het waren jaren van armoede, eenzaamheid en heimwee, maar in geen enkele periode van zijn leven heeft hij zoveel gelezen. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bracht Walraven ertoe terug te keren naar Europa. Zonder een cent op zak meldde hij zich eind 1914 bij zijn ouders, doch met hen ontstond al snel opnieuw een conflict. Onder zware druk van zijn moeder, wie hij dit nooit zou vergeven, tekende Walraven in augustus 1915 een driejarig contract bij het Nederlandsch Indisch Leger. Zijn familie zou hij van zijn belevenissen op de hoogte houden door brieven aan zijn broer en, later, aan zijn zuster en zijn neef.

Na aankomst in Indië werd de 28-jarige Walraven bij de verbindingstroepen in de west-Javaanse garnizoensplaats Tjimahi gestationeerd, eerst als telegrafist; later deed hij bureauwerk. Als militair had hij het over het algemeen naar zijn zin, vooral als hij op manoeuvre de natuur introk. Bovendien vond hij er de rust om te lezen. In het inheemse winkeltje waar hij geregeld at, ontmoette hij Itih, een jonge Soendanese vrouw. Na zijn diensttijd begon Walraven in juli 1918 als assistent-boekhouder bij een vestiging van de N.V. Oliefabrieken 'Insulinde' te Banjoewangi aan de oostkust van Java. Twee maanden later liet hij Itih overkomen, die zich na een treinreis van 800 kilometer begin september 1918 bij hem voegde. Een jaar later werd hun eerste kind geboren. Al spoedig kreeg Walraven - inmiddels boekhouder-correspondent - de leiding over de hele administratie van de fabriek.

Hoewel Walraven van Indië hield, waren zijn gevoelens ambivalent. Alleen al het zien van een Nederlandse krant was voldoende om hem naar West-Europa te doen verlangen. Hij toonde zich bovendien een uitgesproken tegenstander van het koloniale bestel. Op grond van zijn marxistische overtuiging zette hij zich af tegen de Europeanen die zich 'rijk gappen' in de Oost ten koste van de inheemse bevolking. Dergelijke opvattingen brachten Walraven in een geïsoleerde positie tegenover de Europese gemeenschap, een isolement dat nog werd versterkt door zijn huwelijk met een inheemse vrouw. Verindischen deed Walraven echter niet. Hij bleef Hollands eten, rookte zelf worsten en bereidde erwtensoep, waarvoor hij zijn familie de ingrediënten liet sturen; het was een vorm van heimwee. Al snel kookte Itih Europese gerechten voor hem. Hun huwelijk was goed, maar gecompliceerd. Zijn liefde voor haar zou hij beschrijven in zijn mooiste novelle, De clan uit 1941.

Na het faillissement van de Oliefabrieken 'Insulinde' in 1922 trad Walraven als boekhouder in dienst van verschillende suikerfabrieken in midden- en noord-Java. Zijn vakkennis werd alom gewaardeerd, maar zijn openhartigheid bracht hem steeds weer in moeilijkheden, zeker toen hij vanaf augustus 1925 geregeld artikelen ging schrijven voor De Indische Courant . Walravens kritiek richtte zich vooral op de arbeidsverhoudingen in de suikerindustrie. Om zijn socialistische idealen te verwezenlijken trad hij in juni 1926 in dienst van de Suikerbond, de vakvereniging voor (Indo-)europese werknemers in deze bedrijfstak, als 'thesaurier' en redacteur van het gelijknamige bondsblad. Het werd een grote teleurstelling. De verenigingsleden reageerden, naar zijn oordeel, benepen of onverschillig op zijn humoristische, maar kritische artikelen in De Suikerbond . Na een scherpe analyse van het financieel beheer van de vakvereniging werd hij in 1927 zelfs uit het hoofdbestuur gezet; twee jaar later verliet hij de Suikerbond. Naar eigen zeggen 'zenuwziek' trok hij zich terug in zijn woonplaats Lawang.

Aan zijn dienstverband bij de Suikerbond hield Walraven voldoende geld over om naar Europa terug te keren. Hij durfde echter het verblijf in Nederland met zijn Indische vrouw en grote gezin - inmiddels zes kinderen - niet aan. In juli 1929 verloor hij in een dramatisch halfjaar vrijwel al zijn geld door de aankoop van een verlopen hotel in Pasoeroean, in die tijd een dode kustplaats. De weg naar Europa was hierdoor definitief versperd; voorgoed zat hij opgesloten in 'de Indische muizenval'. Nog even was Walraven ondergeschikt boekhouder bij de Volkscredietbank te Malang, maar in 1931 besloot hij definitief freelance journalist te worden.

Voor De Indische Courant - nagenoeg zijn enige opdrachtgever - schreef Walraven sindsdien hoofdartikelen, reportages van reizen op Java en Madoera, rechtbankverslagen, impressies van zijn directe omgeving, cursiefjes, jeugdherinneringen en vooral boekbesprekingen. Aangezien hij weigerde in een lawaaiig redactielokaal te werken, schreef Walraven deze bijdragen in zijn huis te Blimbing bij Malang, waar hij vanaf 1931 woonde. In een krachtige stijl, die dicht bij de spreektaal ligt, publiceerde hij meer dan 1250 recensies, waarin hij geregeld zijn mening over de Indische samenleving verkondigde. Zijn bijdragen - ondertekend met het pseudoniem 'Maarten Cornelis', later 'M.C.' - verschaften hem spoedig een eigen publiek.

Toch bleef Walraven zich, vooral in intellectueel opzicht, geïsoleerd voelen. Zijn weinige Europese vrienden waren gestorven of naar hun vaderland teruggekeerd, terwijl hij zelf niet over een 'retourkaartje' beschikte. De relatie met zijn kinderen, in het bijzonder met zijn oudste zoon Wim, wie hij onverschilligheid en daardoor onvoldoende schoolprestaties verweet, werd steeds slechter. Het bezoek van zijn neef, de 18-jarige stuurmansleerling Frans Schamhardt, in 1938 greep Walraven emotioneel sterk aan, en deed hem zijn eenzaamheid nog heviger voelen: 'Ook al heb ik een vrouw en acht kinderen, in sommige opzichten ben ik alleen' (Brieven , 218). Steeds vaker zocht hij zijn heil in de drank. De problemen met zijn kinderen bepaalden ook zijn latere, kritische houding tegenover de Indo-europeanen. De inheemse bevolking verweet hij geringe bereidheid tot verandering. In deze negatieve eigenschap vergeleek hij hen met de eigenzinnige boeren in Dirksland: 'Net Flakkee!' (ibidem , 213).

Eerst in de loop van 1939 kwam Walraven in contact met intellectuelen als E. du Perron, D.M.G. Koch, E.F.E. Douwes Dekker en - na de bezetting van Nederland - Rob Nieuwenhuys, Beb Vuyk en Jan Greshoff. Hij genoot van de erkenning van zijn talent en leverde bijdragen aan Kritiek en Opbouw , een tweewekelijks progressief politiek-cultureel tijdschrift, en De Fakkel , een cultureel maandblad voor Indië, opgezet naar het voorbeeld van De Gids . Walravens nieuwe vrienden woonden echter in west-Java, twee dagreizen van hem verwijderd. Hoewel hij hen een enkele maal opzocht of ontving, veranderde dit aan zijn eenzaamheid even weinig als de sporadische bezoeken van zijn neef Frans.

Door de Tweede Wereldoorlog raakte Walraven zeer verbitterd. Hij hoorde niets meer uit Nederland en kon nog slechts weinig artikelen publiceren, omdat de krant grotendeels gevuld was met oorlogsnieuws. Op verzoek werkte hij nog enkele oude krantenstukken om tot verhalen. Naar aanleiding van enkele achteloos in de trein gemaakte opmerkingen werd hij in mei 1941 veroordeeld wegens vermeende NSB-sympathieën en belediging van de Indo-europeanen. Het kwam hem op een maand gevangenisstraf te staan, die hij van 9 oktober tot 7 november van dat jaar uitzat in de Soekamiskin-gevangenis bij Bandoeng. Zijn ervaringen beschreef hij in Een maand in het boevenpak , waarvan eind 1941, begin 1942 gedeelten verschenen in Kritiek en Opbouw . Ruim een half jaar na zijn internering, in juli 1942, werd hij samen met zijn drie zoons door de Japanners opgesloten in het gevangenkamp 'Kesilir'. Zeven maanden later overleed hij hier aan dysenterie, malaria en algehele uitputting, maar in feite was hij apathisch geworden en had hij iedere hoop opgegeven.

De betekenis van Walraven ligt vooral in zijn spontaan geschreven brieven met hun vloeiende, parlando stijl en in zijn artikelen. Deze kregen door publicatie na de oorlog bekendheid en trokken in literaire kring de aandacht. Op aangrijpende wijze en met grote openhartigheid getuigt hij hierin van zijn jeugd in Dirksland en van zijn geïsoleerde positie als gemengd-gehuwde en kritisch-intellectuele Europeaan in de Indische maatschappij. Steeds neemt hij daarin krachtig stelling tegen het koloniale bewind, terwijl hij ook de Indo-europeanen en de inheemse bevolking zijn kritiek niet bespaart. Hoewel schrijven voor hem een noodzaak was, bleef zijn literaire productie gering: van zijn hand verschenen slechts vijf verhalen, die bewerkingen waren van eerder gepubliceerde krantenstukken.

A: Collectie-W. Walraven in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie in de onder L genoemde publicatie van Okker, 255-256.

L: F. Schamhardt, 'Willem Walraven', in Oriëntatie 2 (1949) 23/24 (aug./sept.) 3-17; idem, 'W. Walraven', in Brieven. Aan familie en vrienden, 1919-1941 (Uitgebr. herdruk; Amsterdam 1992) 5-40; Walraven-nummer van Tirade 11 (1967) 1-64, met een lijst van kranten- en tijdschriftartikelen over Walraven (p. 25); J.H.W. Veenstra, 'Walraven de veel geplaagde', in Tirade 16 (1972) 41-62; Wim Walraven jr., De groote verbittering. Herinneringen aan mijn vader [1975] (4de dr.; Amsterdam 1992); Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven... (3de dr.; Amsterdam 1978) 405-413 en 635-636; E.M. Beekman, 'Willem Walraven', in idem, Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950 (Amsterdam 1998) 567-583, 685; Rob van Olm, 'Niemand wandelt ongestraft onder palmen. Tussen vader en zoon Willem Walraven', in idem, In de schaduw van het licht (Amsterdam [1991]) 42-72; Walraven-nummer van Het oog in 't zeil 9 (1992) 3 (apr.); Schrijversprentenboek Willem Walraven (Dirksland 1993); Frank Okker, Dirksland tussen de doerians. Een biografie van Willem Walraven (Amsterdam 2000). In 1995 maakte regisseur J. van den Berg de film Gevangen op Java met de acteur Gerard Thoolen in de rol van Willem Walraven.

I: Frank Okker, 'Dirksland tussen de doerians. Het Indiëbeeld van Willem Walraven', in Indische Letteren 8 (1993) 74 [Walraven circa 1927].

Frank Okker


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013