Weede, jhr. Willem Marcus van (1848-1925)

 
English | Nederlands

WEEDE, jhr. Willem Marcus van (1848-1925)

Weede, jhr. Willem Marcus van, (bekend onder de naam Van Weede van [den] Berencamp), diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken (Amsterdam 9-11-1848 - Wenen (Oostenrijk) 23-12-1925). Zoon van jhr. Hendrik Maurits van Weede, gemeenteraadslid en lid van de Provinciale Staten, en Anna Magdalena van Hangest barones d'Yvoy. Gehuwd op 10-10-1878 met jkvr. Volkertina Adriana van Haersma de With (1857-1916). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Amsterdammer van geboorte groeide Willem van Weede vanaf het begin van de jaren vijftig op als landjonker op huize 'Salentein' bij Nijkerk. Hij was de oudste in een gezin van vijf kinderen, telg uit een oud adellijk geslacht. In religieus opzicht was de familie Van Weede orthodox-protestant; de politieke voorkeur ging uit naar de antirevolutionaire richting, en Willem zou daarop geen uitzondering vormen. Het leven van landedelman beviel hem: al jong was hij een verwoed jager en paardrijder.

Deze vaardigheden kwamen Van Weede goed van pas in de zomer van 1870, toen het Nederlandse leger mobiliseerde in verband met de Frans-Duitse oorlog. Sinds 1866 student in de rechten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht liet Van Weede de boeken voor wat zij waren en nam hij vrijwillig dienst als gewoon huzaar. De mobilisatie duurde niet lang: al na vier maanden kon hij zijn studie hervatten. Op 21 december 1874 promoveerde Van Weede cum laude op stellingen. Zijn eerste betrekking, vanaf juli 1875, was die van griffier bij het kantongerecht in zijn woonplaats Nijkerk. Door de opheffing van die rechtbank, in 1877, moest hij omzien naar andere werkzaamheden. Hij koos voor een carrière in de buitenlandse dienst, een werkkring waarvoor zijn afkomst en opleiding hem bij uitstek geschikt maakten.

Na enige maanden als attaché werkzaam te zijn geweest op het departement in Den Haag werd Van Weede in december 1879 gezantschapssecretaris in Brussel. Eind 1881 werd hij belast met de waarneming van het gezantschap bij de Scandinavische landen, een eervolle opdracht voor een zo jonge diplomaat. Hij kon nu alvast een half jaar proeven van het werk van een 'chef de poste'. Van Stockholm reisde hij medio 1882 door naar zijn nieuwe standplaats Berlijn. Gedurende zeven jaar was hij op die voor Nederland belangrijke vertegenwoordiging werkzaam, vanaf maart 1886 in de rang van gezantschapsraad. In februari 1889 kreeg Van Weede zijn eerste zelfstandige legatie: hij werd benoemd tot zaakgelastigde met de persoonlijke titel van minister-resident in Roemenië. Zes jaar later, in juni 1895, werd hij overgeplaatst naar Madrid in de rang van minister-resident met de persoonlijke titel van gezant. De benoeming tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Wenen, eind december 1901, vormde de kroon op zijn diplomatieke carrière. Op 53-jarige leeftijd had hij niet alleen de hoogste rang bereikt die de Nederlandse diplomatie indertijd kende, maar hij bezette tevens een prestigieuze en door hem zeer begeerde post. Het leven in Wenen beviel hem uitstekend, en het Nederlandse klimaat was hij inmiddels ontwend.

In januari 1905, in de nadagen van het kabinet-Kuyper (1901-1905), werd Van Weede gepolst voor de functie van minister van Buitenlandse Zaken. Kuyper zocht een vervanger voor de nog zittende minister R. Melvil baron van Lynden, die niet tegen zijn taak bleek opgewassen. In eerste instantie weigerde Van Weede beleefd maar beslist. Hij voelde er weinig voor zijn post in Wenen te verliezen voor een waarschijnlijk kortstondig ministerschap. Bovendien maakte de familierelatie - Melvil van Lynden was zijn zwager - het voor hem te pijnlijk om een eventuele benoeming te aanvaarden. Daarvan was hij zich des te sterker bewust omdat hij op het moment dat Kuyper hem aanzocht juist bij zijn veelgeplaagde zwager in Den Haag verbleef.

Op aandrang van koningin Wilhelmina, die hem in april persoonlijk bij zich riep, zette Van Weede zich echter over zijn bezwaren heen en accepteerde de inmiddels vacante ministerspost. De ministerraad zegde toe het gezantschap te Wenen voor hem open te houden tot na de verkiezingen van juni. Van Weede nam zijn intrek in het Haagse Hotel des Indes en maakte er ook verder geen geheim van dat wat hem betrof zijn ministerschap van korte duur zou zijn. Hij bekleedde het ambt van 22 april tot 7 augustus 1905. Ruim een week vóór het definitieve ontslag van het kabinet-Kuyper trad hij af om zijn ambtgenoten in de gelegenheid te stellen hem weer tot gezant in Oostenrijk-Hongarije te benoemen.

Van Weedes ministerschap vormde slechts een korte onderbreking van zijn Weense gezantschap, dat bijna 24 jaar zou duren. Persoonlijke tegenslagen bleven hem in die tijd niet bespaard. In 1912 verloor hij door een tragisch jachtongeval zijn enige zoon, die als gezantschapssecretaris tevens zijn naaste medewerker was. Vier jaar later stierf zijn vrouw. Ingrijpend waren ook de ontwikkelingen in het land waar hij geplaatst was. De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van het oude Habsburgse rijk, dat uiteenviel in verschillende staten. Duits-Oostenrijk werd een republiek. Het gezantschap verloor voor Van Weede zijn glans door het verdwijnen van het hofleven, waar hij zich als een vis in het water had gevoeld: met de voorlaatste keizer, Frans Jozef, had hij op vriendschappelijke voet verkeerd. Ook zijn persoonlijk leven veranderde door het vertrek van veel aristocratische vrienden uit de stad. Met enige moeite paste hij zich aan de nieuwe omstandigheden aan. Liefdadigheidswerk vulde voor een belangrijk deel de leegte. Als erevoorzitter van het Niederländisches Hilfskomitee für die Wiener Kinder verzette hij veel werk om Weense 'bleekneusjes', door de oorlogsomstandigheden extra verzwakt, een tijdelijk verblijf bij Nederlandse pleeggezinnen te bezorgen. Tot aan zijn dood vervulde Van Weede het gezantschap in Wenen, vanaf 1920 ook geaccrediteerd in Hongarije. Hij overleed na een kort ziekbed op 77-jarige leeftijd.

Van Weede was een bekwaam diplomaat, consciëntieus en tactvol. Als een geboren gentleman bewoog hij zich met gemak in de hoogste kringen van de landen waar hij was geplaatst, een voor diplomaten onontbeerlijke eigenschap. Zijn wellevende omgangsvormen waren natuurlijk en hadden niets van de formele stijfheid die etiquetteboekjes kenmerkt. Hij was vriendelijk en bescheiden. Ook zijn levensstijl was - ondanks zijn fortuin - eenvoudig en wars van weelde: hij bezat bijvoorbeeld als enige gezant in Wenen geen auto en verplaatste zich liever te voet of per tram. Bij zijn overlijden herdachten Nederlandse kranten in Van Weede vooral de verdienstelijke diplomaat. De Oostenrijkers daarentegen betreurden - blijkens de reacties in de pers - het verlies van een goede en oprechte vriend, die 'naar de geest half een Wener' was.

A: Enige persoonlijke bescheiden bevinden zich in de collectie-Van Haersma de With in het archief van de gemeente Nijkerk.

P: Rapport over de kunst in België aan de Nederlandsche regering uitgebragt ('s-Gravenhage 1881).

L: Behalve necrologieën in o.a. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 24-12-1925 (ocht. en av.) en 27-12-1925 (av.) en De Kroniek. Hof, diplomatie, society, kunst 12 (1926) 1 (jan.) 18: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16-4-1905; De Prins der geïllustreerde bladen 4 (1905) 217-218; Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort, 1874-1918. Uitgegeven door J.P. de Valk en M. van Faassen (2 dln.; 's-Gravenhage 1993).

J.H. Gaemers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013