Weitzel, August Wilhelm Philip (1904-1989)

 
English | Nederlands

WEITZEL, August Wilhelm Philip (1904-1989)

Weitzel, August Wilhelm Philip, omroepmedewerker (Teteringen (N.Br.) 11-5-1904 - Hilversum 23-11-1989). Zoon van Johan Philip Weitzel, legerofficier, en Wilhelmina Jacoba Spanjaard. Gehuwd op 19-3-1931 met Pieternella Cornelia Zimmermann (geb. 1911). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Weitzel, August Wilhelm PhilipGuus Weitzel was het enige kind van een beroepsofficier. Deze bereikte de rang van majoor bij de infanterie en was verbonden aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Hij stierf toen zijn zoon zes jaar oud was. Nadat Guus de lagere school had doorlopen, verhuisde hij met zijn moeder in 1917 naar Den Haag. Hier bezocht Guus de vijfjarige HBS aan de Tijmstraschool. De studie wilde echter niet vlotten, omdat de radiotechniek en de jazzmuziek, die toen juist in opkomst waren, spoedig al zijn aandacht opeisten. Zo speelde hij enige jaren als drummer in de viermans amateurband 'The Jazz Devils'. In 1923 en 1924 trad dit jazzorkestje geregeld op voor de eerste Nederlandse omroepzender PCGG van ingenieur H.H. Schotanus à Steringa Idzerda, die gevestigd was aan de Beukstraat in Den Haag. Tijdens deze optredens mocht Weitzel de nummers aankondigen. Hij deed dit zo goed en met zo veel geestdrift, dat Idzerda - die kennelijk over een vooruitziende blik beschikte - tegen Weitzel zei: 'Dat omroepen, dát zou iets voor jou zijn!'

Weitzel behaalde in 1924 het einddiploma HBS en studeerde nog korte tijd Latijn. Vervolgens ging hij naar Zürich om er aan een studie in de technische wetenschap te beginnen. Bij gebrek aan wiskundige aanleg moest hij deze studie eveneens spoedig opgeven. Hij bleef in het buitenland, waar hij talen studeerde en zich bekwaamde in internationale handelscorrespondentie. Pas in 1926 keerde hij in Nederland terug. Weitzel, die aanvankelijk geen vaste baan kon vinden, begon samen met een vriend een handel in radio-onderdelen en -toestellen. Toen deze onderneming mislukte, trad Weitzel als medewerker van de verkoopafdeling elektronische apparatuur in dienst van de NV Idzerda Radio. Op 1 juli 1927 aanvaardde Weitzel een administratieve baan bij de kort daarvoor opgerichte Nederlandsche Omroep-Vereeniging, die eveneens in Den Haag gevestigd was. In zijn vrije uren was hij eind 1927 nog korte tijd drummer bij het Haagse jazzorkest 'The Queen's Melodists'. Bij de Nederlandsche Omroep-Vereeniging werd Weitzel weldra aangesteld als omroeper-administrateur. Toen deze omroepvereniging op 1 januari 1928 met de Algemeene Nederlandsche Radio Omroep in Hilversum opging in de Algemeene Vereeniging Radio Omroep (AVRO), trad hij daar in dienst.

In april 1928 verhuisde Weitzel van Den Haag naar Hilversum, ofschoon hij bij de AVRO aanvankelijk werd tewerkgesteld bij de afdeling Programmaleiding in het hoofdkantoor in Amsterdam. Aangezien hij in Hilversum als vrijgezel op kamers woonde, was hij in de gelegenheid in de avonduren directeur-omroeper Willem Vogt te assisteren bij diens werk in de studio. Langzamerhand mocht Weitzel het omroepen van de directeur overnemen, en na enige tijd werkte hij ook overdag in Hilversum. Hij kondigde de programma's aan, zoals de concerten van het Concertgebouworkest, waardoor hij grote bekendheid verwierf. Juist in die tijd stond de radio-omroep als noviteit in het middelpunt van de belangstelling, en de omroepmedewerkers deelden in deze populariteit. Tot zijn eigen verwondering bemerkte Weitzel dat hij plotseling een nationale beroemdheid was geworden. Door zijn correcte optreden, beschaafde uitspraak en opgewekte stemgeluid had hij de sympathie van luisterend Nederland gewonnen. Zijn bevlogenheid voor het radiowerk - arbeidsdagen van zestien uur waren geen uitzondering - eiste na enige jaren zijn tol: van maart 1934 tot maart 1935 moest hij in Davos kuren voor een longaandoening. Na zijn terugkeer verwierf Weitzel vooral grote populariteit door zijn presentatie van amusementsprogramma's. Iedere week, wanneer AVRO's Bonte Dinsdagavondtrein werd uitgezonden, ontving Weitzel - steevast gekleed in smoking - niet alleen de medewerkers, onder wie vermaarde binnen- en buitenlandse artiesten, maar ook het uit alle delen van het land toegestroomde publiek. In juli 1936 werd Weitzel benoemd tot chef-omroeper.

Na de Duitse inval mocht de AVRO op 15 mei 1940 de uitzendingen hervatten, en Weitzel trad als vanouds op als omroeper. Dat hij als bekende Nederlander zijn stem leende aan de radio-omroep onder nationaal-socialistische heerschappij, verleende dit instituut een status die bij veel luisteraars verwarring wekte: 'zo verfoeilijk kon het toch niet zijn, als zelfs Guus Weitzel eraan meewerkte?' Hem leek te ontgaan welke gevolgen zijn optreden had. Ofschoon hij geen nazi-sympathieën koesterde en ook nooit lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) is geweest, was hij door zijn kritiekloze houding en verregaande medewerking toch zeker een collaborateur. Na de 'concentratie' in maart 1941 verloren de bestaande omroeporganisaties, waaronder de AVRO, hun uitzendrechten. Hun taak werd overgenomen door de nazi-gezinde Nederlandsche Omroep. Weitzel was daarin tot het einde van de bezetting hoofd van het bureau Programmadienst, een belangrijke functie, die men hem wegens zijn uiterste plichtsbetrachting ten volle toevertrouwde. Ook al was zijn werk organisatorisch van aard, toch stond hij erop de belangrijkste programma's, zoals de redevoeringen van NSB-leider A.A. Mussert en de Wehrmachtconcerten, zelf aan te kondigen.

Na de bevrijding moest Weitzel zich verantwoorden voor zijn houding tijdens de bezetting. In november 1945 besliste de Commissie voor de Zuivering van het Radio-omroeppersoneel dat hij gedurende drie jaar geen leidende functie bij de omroep mocht vervullen, niet voor de microfoon mocht spreken of enige omroeporganisatie naar buiten mocht vertegenwoordigen. Na enige tijd is Weitzel tegen deze beslissing in beroep gegaan. Hij wist aan te tonen dat hij in 1940 zijn omroepwerk voortzette op verzoek van en in 1943 in opdracht van de illegaliteit. Het bleek voorts dat Weitzel en zijn vrouw tijdens de bezetting allerlei verzetswerk hadden gedaan en joodse onderduikers in hun woning hadden ondergebracht. Op 11 juli 1947 verleende de Revisiecommissie Weitzel volledige rehabilitatie: hij mocht alle functies in het omroepwezen vervullen. In 1954 ontvingen Weitzel en zijn vrouw elk twee onderscheidingen van de Belgische regering voor het werk dat zij voor een belangrijke Belgische verzetsgroep hadden verricht.

Ondertussen had Weitzel na de bevrijding een administratieve baan gekregen bij Radio Herrijzend Nederland, een omroep die in januari 1946 werd omgevormd tot Radio Nederland in Overgangstijd. Hier werkte hij mee aan het programma voor de Nederlandse strijdkrachten. Op 11 november 1946 werd hij overgeplaatst naar de afdeling Wereldomroep, die via de kortegolfzender PCJ uitzond naar Oost- en West-Indië, alsmede naar Zuid-Afrika. Op 15 april 1947 werden deze uitzendingen ondergebracht in de nieuwe stichting Radio Nederland Wereldomroep. Aangezien Weitzel een warm voorstander was van een nationale omroep, keerde hij niet meer terug naar de AVRO.

Bij de Wereldomroep verruilde hij in juni 1948 zijn kantoorbaan voor de betrekking van verslaggever, nadat hij als invaller tot ieders tevredenheid een reportage had gemaakt over de opening van het hengelsportseizoen. In de naoorlogse jaren maakte Weitzel 2414 interviews en ooggetuigeverslagen. Allengs werd Weitzel voor de luisteraars van de Wereldomroep de vertrouwde stem uit het vaderland. Hoogtepunten waren zijn reportages over de watersnood en de afsluiting van de stroomgaten in 1953. Na het verslaan van de inhuldiging van koningin Juliana, in september 1948, werden 'Oranjereportages' Weitzels grote specialiteit. Bij Koninklijke evenementen, zoals bezoeken in binnen- en buitenland, waaronder de grote reis naar Suriname en de Nederlandse Antillen in 1955, was Weitzel steevast met de Wereldomroepmicrofoon aanwezig. De uitvoering van de Zuiderzee- en de Deltawerken hadden Weitzels bijzondere belangstelling; talrijke boeiende en steeds op perfectionistische wijze voorbereide documentaires hierover getuigden van zijn grote vakmanschap. Bovendien heeft Weitzel gedurende meer dan twintig jaar iedere week voor verschillende delen van de wereld het koopvaardijprogramma 'Het Schip van de Week' gepresenteerd, waarbij hij als gastheer optrad voor families van zeevarenden, die via de kortegolf een korte groet mochten uitspreken. In zijn vrije tijd zwierf Weitzel graag rond in de vrije natuur. Hij bezat een grote kennis van flora en fauna, waarover hij graag - ook voor de radio - vertelde. Voorts was hij een verwoed hengelaar. In 1959 verhuisde hij naar een woonark bij Loenen aan de Vecht. Na zijn pensionering, in mei 1969, ging hij weer in Hilversum wonen, waar de eens zo gevierde omroeper twintig jaar later geheel vergeten overleed.

A: Collectie-Weitzel bij de afdeling Bibliotheek en Documentatie van het NAA Omroepmuseum te Hilversum.

P: 'Uit de oude radio-doos', in Goede Ontvangst 3 (1957) 6 - 5 (1959) 7 [16 afleveringen].

L: Behalve necrologieën in o.a. Het Parool, 29-11-1989 en in NRC Handelsblad, 29-11-1989: H.G. Cannegieter, 'Guus Weitzel', in Morks-Magazijn 38 (1936) II, 449-458; 'Guus Weitzel 25 jaar bij omroep', in De Telegraaf, 8-11-1952; 'Guus Weitzel: bekwaam, ijverig en eenvoudig', ibidem, 24-10-1955; Hans Stevens, 'Radiopionier Guus Weitzel zegt microfoon vaarwel', in De Tijd, 7-5-1969; Gerard Pâques, 'De Soestdijkse avonturen van Guus Weitzel', in de Volkskrant, 21-6-1969; Cor Dokter, 'Guus Weitzel: een stem als een spijker' [Fotoreportage], in Televizier, 21-6-1969; Dick Verkijk, Radio Hilversum, 1940-1945. De omroep in de oorlog (Amsterdam 1974); Jan van Herpen, 'Guus Weizel 85 jaar', in Aether 11 (apr. 1989) 3-5.

I: Morks-Magazijn 38 (1936) II, tegenover p. 449.

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013