Wijers, Theodorus Renerus Josephus (1891-1973)

 
English | Nederlands

WIJERS, Theodorus Renerus Josephus (1891-1973)

Wijers, Theodorus Renerus Josephus, rechter en minister (Roermond 27-1-1891 - Breda 25-11-1973). Zoon van Alphonse Ferdinand Wijers, manufacturier, en Marie Wilhelmine Isabelle Adèle Smeets. Gehuwd op 7-2-1922 met Margaretha Maria Carolina Rouppe van der Voort (1901-1966). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren.

afbeelding van Wijers, Theodorus Renerus JosephusRené Wijers groeide op in Roermond, als de tweede van vijf kinderen in een streng katholiek gezin, dat behoorde tot de gegoede middenstand. Toen de vader aan tyfus overleed was René ruim vier jaar oud. Zijn van nature bijzonder dominante moeder was sindsdien de spil van het gezin. De jonge Wijers bezocht vanaf 1902 het internaat te Rolduc en behaalde hier in 1908 zijn gymnasiumdiploma. Aangezien zijn moeder hem nog te jong vond voor de universiteit, liet zij hem in Rolduc nog een jaar filosofie studeren. Hierna begon hij aan de rechtenstudie in Leiden, waar zijn moeder zich met hem en zijn oudste broer vestigde. Het pluriforme Leidse milieu zou belangrijk zijn voor zijn vorming tot ruimdenkend katholiek, die over de grenzen van de eigen zuil heen de samenwerking met anderen zocht.

Op zijn 21ste verjaardag ontving Wijers het erfdeel van zijn vader. Hij kocht een zeilboot en maakte - bevrijd van zijn moeder - vele reizen. Daarnaast waren natekenen en bridgen zijn voornaamste hobby's; met zijn bridgepartner zou hij in 1934 zelfs Nederlands kampioen worden. Na zijn promotie op voornamelijk civielrechtelijke stellingen op 19 maart 1915 was Wijers vijftien jaar lang werkzaam als advocaat en procureur te 's-Hertogenbosch. Vervolgens werd hij rechter in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Wijers was liever rechter dan advocaat, aangezien hij vooral genoegen vond in het vormen, toetsen en bijschaven van een oordeel. In 1933 keerde hij terug naar 's-Hertogenbosch als raadsheer in het Gerechtshof aldaar.

Wijers' belangrijkste wapenfeit op rechtswetenschappelijk gebied dateert van 1936. Het betrof een preadvies aan de Vereeniging tot het Bevorderen van de Beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in Nederland. In een tijd waarin de bescherming van de vrijheid van het individu tegenover de staatsalmacht onder vuur lag, bepleitte de Bossche raadsheer handhaving van de in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde regel 'nulla poena sine lege': geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Afkerig van analogische wetstoepassing in het strafrecht stelde Wijers zich op het standpunt dat de grens tussen strafbaar en niet-strafbaar duidelijk moest zijn aangegeven, en dat het de taak was van de wetgever, en niet van de rechter, om die grens te trekken. De helder omschreven wet was volgens hem de beste waarborg voor de persoonlijke vrijheid.

Tijdens de oorlog weigerde Wijers medewerking aan de maatregelen van de Duitse bezetter. Hij hield zich in deze jaren voornamelijk bezig met tuinieren in de moestuin van zijn woning in Vught. Na de bevrijding werd Wijers benoemd tot president van het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Dit hof moest bepaalde strafbare feiten berechten die tijdens de bezetting in het rechtsgebied Zeeland, Noord-Brabant en Limburg waren gepleegd. In deze functie accepteerde hij het terzijde stellen van het nulla poena-beginsel voor bepaalde oorlogsmisdaden als verraad en collaboratie.

Het werk in het Bijzonder Gerechtshof liet Wijers overigens niet onberoerd; vooral de zwaarte van de straffen vond hij buitensporig. Tegen deze achtergrond moet de redevoering worden gezien die hij eind juni 1947 hield voor de Nederlandse Juristen-Vereniging, waarin hij ervoor pleitte de straf van jeugdige idealisten die, verblind door propaganda, in Duitse krijgsdienst waren getreden, niet volledig ten uitvoer te leggen. Als rechter kreeg hij velen van deze jongens voor zich en kon hij niet anders dan hun een zware straf opleggen. Maar van verdere vergelding moest naar zijn idee worden afgezien, als de straf haar afschrikwekkende en verbeterende werking had gehad. Hij stelde voor de termijn waarna tot voorwaardelijke invrijheidstelling kon worden besloten, voor alle politieke delinquenten te bekorten van tweederde naar een derde van de straftijd inclusief voorarrest. Minister van Justitie J.H. van Maarseveen (1946-1948) wees zijn voorstel echter tot tweemaal toe af.

In 1946 werd Wijers tot vice-president van het gewone Gerechtshof in 's-Hertogenbosch benoemd. Twee jaar later, op 4 februari 1948, nam hij zitting in de Eerste Kamer, na zich kort tevoren als lid van de Katholieke Volkspartij (KVP) te hebben aangemeld. Lang zou hij echter geen senator blijven, want al op 7 augustus 1948 viel hem het ambt van minister van Justitie ten deel. Kabinetsformateur J.R.H. van Schaik van de KVP - een goede kennis van Wijers' echtgenote - zag in hem een rechterlijk ambtenaar die zijn sporen had verdiend, die geen politieke scherpslijper was en in zijn juridische opvattingen blijk had gegeven van een groot vertrouwen in de liberale beginselen van de rechtsstaat.

In de ministerraad zou Wijers zelden op de voorgrond treden. Hij pleitte herhaaldelijk voor een mildere behandeling van politieke delinquenten of slappe ambtenaren, maar vond daarbij vaak minister-president W. Drees op zijn weg. Menigmaal bezweek hij - overigens niet als enige bewindsman - onder de eisen die minister van Financiën P. Lieftinck stelde. Wat wetgeving betreft, lijkt zijn activiteit nogal gering, maar hij had een belangrijk aandeel in de modernisering van het gevangeniswezen en de vernieuwing van de kinderbescherming die na zijn aftreden tot stand kwamen. De Tweede Kamer was zeer te spreken over Wijers' optreden, omdat zij door hem nauw bij de besluitvorming werd betrokken. Hij stelde de vaste Kamercommissie voor Privaat- en Strafrecht voortdurend op de hoogte van zijn plannen en hield rekening met haar wensen. Wijers toonde zich volgens de parlementaire pers 'op een gemoedelijke wijze meegaand ten aanzien van de wensen der Kamerleden' (Het Vrije Volk , 10-12-1948).

Wijers leek aardig op weg de parlementaire kant van het ministerschap onder de knie te krijgen, toen zijn gezondheidstoestand hieraan echter een voortijdig einde maakte. Zijn bedachtzame en naar perfectionisme neigende optreden heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen dat hij in het voorjaar van 1950 de fysieke uitputting nabij was. Zijn arts schreef hem enige maanden rust voor, waarna hij zich niet meer zou mogen blootstellen aan de spanningen en de vermoeienissen van het ministerschap. Op 15 mei 1950 legde Wijers daarom zijn ambt neer. Bij zijn afscheid werden in de Kamer lovende woorden gesproken. Als opvolger van Wijers wenste de ministerraad echter nadrukkelijk een krachtige, stimulerende figuur. Hieruit kan worden afgeleid dat Wijers, naar het oordeel van zijn collega-ministers, op dit punt tekort was geschoten. Misschien was hij voor het parlement gewoon te aimabel geweest.

Twee maanden na zijn aftreden bleek Wijers reeds voldoende hersteld om opnieuw de functie van raadsheer in het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op zich te nemen. In december 1950 werd hij door zijn opvolger, minister A.A.M. Struycken, benoemd tot president van het Bossche Hof, een functie die hij tot zijn pensioen in 1961 zou vervullen. Het was een logische stap in Wijers' carrière bij de rechterlijke macht. Van 1952 tot 1959 was hij tevens voorzitter van het Hof van Discipline van de Nederlandse Orde van Advocaten. Dit heeft hij met veel plezier gedaan, en zo werd de pil dat hij het hoge ambt van raadsheer in de Hoge Raad nooit heeft bereikt, enigszins verguld.

P: 'Nulla poena sine lege', in Annalen [van de] Vereeniging tot het Bevorderen van de Beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in Nederland 28 (1936) afl. II, 17-87; [Openingsrede, in] Handelingen der Nederlandse Juristen-Vereniging 77 (1947) II, 4-11.

L: Behalve artikelen bij Wijers' afscheid in Brabants Dagblad , 25-1-1961 en in De Tijd , 28-1-1961: A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen 1978); J.C.F.J. van Merriënboer en P.P.T. Bovend'Eert, 'Het rustige tuintje van rechter Wijers', in Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951). Band B: Anti-communisme, rechtsherstel en infrastructurele opbouw . Onder red. van P.F. Maas (Nijmegen 1992) 497-666.

I: Gedeelte van een foto in familiebezit [Wijers omstreeks 1949].

Johan van Merriënboer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013