Wind, Antoinette Hendrika (1897-1971)

 
English | Nederlands

WIND, Antoinette Hendrika (1897-1971)

Wind, Antoinette Hendrika, (pseudoniem A.H. Nijhoff), schrijfster ('s-Gravenhage 9-6-1897 - 's-Gravenhage 22-5-1971). Dochter van Hendrik Jeltinus Wind, ingenieur, en Maria de Bruijne. Gehuwd op 16-5-1916 met Martinus Nijhoff (1894-1953), dichter. Uit dit huwelijk, dat op 21-3-1950 werd ontbonden, werd 1 zoon geboren. afbeelding van Wind, Antoinette Hendrika

Netty Wind werd geboren in Den Haag op het moment dat haar vader als ingenieur werkzaam was in de binnenlanden van Venezuela. Zij zou hem nooit zien, want de stoomboot waarop hij in juli 1898 de terugreis naar Nederland maakte, zonk op de Atlantische oceaan. Netty's moeder zou niet hertrouwen. Samen met haar twee dochters woonde zij aanvankelijk bij familie in achtereenvolgens Groningen, Batavia en De Bilt. De lagere school bezocht Netty voor een deel in Utrecht en voor het laatste deel in haar geboorteplaats Den Haag. In dezelfde stad bezocht zij het Gymnasium Haganum, waar zij zich stierlijk verveelde. Zij spijbelde veel, vond de leraren over het algemeen 'bekrompen' en was in veel opzichten verder in haar ontwikkeling dan haar klas- en leeftijdgenoten.

Netty Wind schreef gedichten in Rostra , het blad van de landelijke gymnasiastenbond, en raakte betoverd door Martinus Nijhoff, een jongen die, een paar klassen hoger dan zij, er al een dichterlijke levensstijl op na hield. Zij kregen verkering, en toen ze achttien was, raakte ze van hem in verwachting. Zij trouwden onder druk van haar aanstaande schoonfamilie, de uitgeversfamilie Nijhoff. Netty en Martinus Nijhoff vestigden zich niet lang na de geboorte van hun zoon Faan in het Gooi, waar een groot aantal schrijvers en kunstenaars woonde. Iedere avond was het drinken en dansen. Voor Netty Nijhoff was het een even verslavende als benauwende levenswijze, waaruit ze in 1920 wegvluchtte. Zij vertrok naar Parijs, samen met haar inmiddels vier jaar oude zoontje, en begon aan wat haar eerste boek moest worden. Ze stuurde een aantal hoofdstukken van 'Afstand', een roman die altijd een belofte zou blijven, aan de letterkundige en criticus Dirk Coster, vergezeld van vele uitingen van twijfel en zelfkritiek.

De scheiding van Martinus was kortstondig. Na een paar maanden kwamen Netty Nijhoff en Faan terug, en in 1923 verhuisden zij gedrieën naar Den Haag. Het gezinsleven, verstoord door steeds frequentere en steeds fellere ruzies, bereikte zijn dieptepunt. Aan het einde van dat jaar begonnen zij een gezamenlijke tocht door Italië, die voor Martinus na drie maanden eindigde, maar voor Netty en Faan uiteindelijk ruim vijf jaar zou duren. De ontmoeting met een Italiaanse voormalig filmactrice, Maria Tesi, leidde tot een onverwachte wending in Netty Nijhoffs bestaan. Samen transformeerden ze de vervallen 'Villa Linda' in het dorpje Settignano, vlakbij Florence, tot een pension. Van schrijven kwam niet veel. Voor Netty Nijhoff, die, toen zij aan deze onderneming begon, nog niet eens kon koken, was het hard werken. Geld voor personeel was er niet.

In 1929 keerde Netty Nijhoff terug naar Parijs, onder meer om uit te kijken naar opleidingsmogelijkheden voor Faan. Pas toen zij hier kennismaakte met de Britse beeldend kunstenares Marlow Moss, vond Netty Nijhoff de inspiratie èn rust om een roman te schrijven. Twee meisjes en ik verscheen eerst in 1930 in afleveringen in De Gids, waarvan Martinus Nijhoff redacteur was, en een jaar later in boekvorm. Met opzet koos zij de neutrale schrijversnaam 'A.H. Nijhoff', opdat ze niet voor een van de vele damesschrijfsters zou worden versleten. De reacties op het boek waren uiteenlopend en extreem. Verontwaardigd reageerden de critici, veelal van christelijke signatuur, op het amorele karakter van de personages ('ontaarde schepsels'), de vrije seksualiteit ('stuitende sexueele afwijkingen') en de suggestie van abortus en homoseksualiteit ('vermoedelijk zelfs lesbische gewaarwordingen'). Collega-literatoren als Jan Campert, Jeanne van Schaik-Willing en Jan Slauerhoff haalden A.H. Nijhoff echter als een nieuw en volwassen talent binnen. Men vond het boek een unicum in de Nederlandse literatuur, afwijkend van de gemiddelde roman, met zijn 'doordringende intelligentie', 'cosmopolitische allure', dramatische compositie en gave stijl.

Het is niet moeilijk gebeurtenissen uit Netty Nijhoffs leven in gefictionaliseerde vorm terug te vinden in Twee meisjes en ik, een roman vol melancholiek verlangen naar verwachtingsvolle tijden. Zo echoot haar eigen vlucht uit het huwelijkse bestaan na in de vlucht van huis en haard die de hoofdpersoon 'Bill' onderneemt. Holland is hem te klein en te benauwd, en hij zoekt zijn toevlucht aan de Engelse zuidkust. De sfeer van Twee meisjes en ik wordt in sterke mate bepaald door de beschrijvingen van de ruige Engelse kuststreek in het uiterste zuiden, vlakbij Land's End. Het is het landschap dat Netty Nijhoff recent had leren kennen door haar nieuwe geliefde Marlow Moss. Deze woonde afwisselend in het zuid-Engelse Lamorna Cove en in Parijs.

Was Netty Nijhoff altijd al een forse, vrij mannelijke verschijning, aan de zijde van de kleine 'miss' Moss, die een volkomen androgyn uiterlijk had, was het onmiskenbaar een 'damesstel' dat zich in het roerige damesnachtleven van Parijs stortte. Netty Nijhoff arrangeerde een kennismaking tussen Marlow en de schilder Piet Mondriaan, die zij nog uit haar Gooise tijd kende. Onder zijn invloed ontwikkelde Moss zich tot de constructiviste, wier schilderijen op het eerste gezicht van de hand van de meester leken. Haar zoon Faan bracht Netty in de leer bij de fotograaf Man Ray. Zij bevonden zich in een internationale kring van beeldend kunstenaars rondom het tijdschrift Abstraction Création, met onder anderen Jean Gorin, Hans Arp, Constantin Brancusi en Theo van Doesburg. Netty Nijhoff maakte zich ondergeschikt aan het kunstenaarschap van Marlow en schreef hoegenaamd niet.

Na een korte periode op het Normandische platteland in een soort kasteeltje, dat van boven tot onder was ingericht en versierd met meubels en kunst van eigen makelij, vluchtten Netty Nijhoff en Marlow in april 1940 vanwege de oorlogsdreiging naar Nederland. Marlow kon nog juist per boot vanuit Scheveningen naar Groot-Brittannië vertrekken; Netty Nijhoff bracht de jaren van de Duitse bezetting eerst door in Zeeland en later bij Faan in Breda. Met Martinus Nijhoff, die in Utrecht woonde, onderhield zij schriftelijk contact. Het weinige dat zij de afgelopen tien jaar had geschreven, bracht ze bijeen in een bundel die in 1942 - nog net voor de instelling van de Kultuurkamer - verscheen: Medereizigers, later herdrukt als Het veilige hotel. Zij droeg de bundel op aan haar zoon, bij name van Stephen Storm, Faans fotografennaam. Het zijn vier zware verhalen, on-Nederlands van toon en doordrenkt van existentialistische kwesties, zoals de (on)mogelijkheid van vrijheid, het doel van kunst, het wezen der vriendschap en liefde.

Na de bevrijding schreef Netty Nijhoff artikelen voor het blad Vrij Nederland. Ook werd zij gevraagd voor een vrouwenblad van uitgeverij 'De Bezige Bij'. Het liefst wilde zij zich echter terugtrekken in Zeeland, in 'Huize Antoinette' te Biggekerke, dat Martinus Nijhoff had laten bouwen om er te kunnen werken. Deze tweestrijd tussen het willen schrijven en om allerlei redenen niet kunnen schrijven, zou de rest van Netty Nijhoffs leven blijven bepalen, al was het maar omdat ze, herenigd met Marlow Moss, een pendelend bestaan leidde. Zij woonde afwisselend in de Haagse Kleine Kazernestraat, waar ook Martinus Nijhoff woonde met zijn hervonden liefde, de actrice Georgette Hagedoorn, en in Cornwall, waar Marlow haar atelier had.

In 1950 verscheen De vier doden, later herdrukt als De brief, een dikke roman over de oorlog en de naweeën ervan. Het is een monumentaal werk, waarin Netty Nijhoff haar visie uiteenzet over de liefde, de vriendschap, het huwelijk en de kunst. Evenals in haar debuutroman schetst ze een scherpe tegenstelling tussen de vrije (kunstenaars)geest en het burgermansbestaan. Wederom reageerden de critici verontwaardigd: 'een bizarre angst voor alles wat zogezegd naar conventie ruikt', 'vrijheid van iedere zedelijke norm', 'verzameling van weerzinwekkende onnatuur'. Jeanne van Schaik-Willing sloeg de spijker op zijn kop door De vier doden een 'als roman verkleed betoog' te noemen. Afgezien van enkele levendige taferelen is dit boek een uitgesponnen exposé, duidelijk ontsproten aan een hartstochtelijk gemoed, maar reeds bij het moment van verschijnen enigszins anomaal.

Het was een behoorlijke klap voor Netty toen Martinus Nijhoff in 1950 liet weten officieel te willen scheiden om te kunnen trouwen met Georgette Hagedoorn. 'Het was tegen onze regels', zou Faan er later over zeggen. 'Vooral ook wat haar betreft. Tegen de kameraadschap. Waarom moest er gebroken worden? Wie had ooit eerder in hun verhouding erover geklaagd wanneer de ander met een meneer of mevrouw naar bed ging? Onzin' (Van der Plas). Waarom de scheiding zo'n taboekwestie was voor Netty Nijhoff - al in de jaren dertig begon Martinus in zijn brieven aan haar over een scheiding - blijft enigszins raadselachtig, aangezien ze feitelijk maar een jaar of zes hebben samengeleefd.

Lang heeft Martinus Nijhoffs nieuwe huwelijksgeluk niet mogen duren. Eind januari 1953 stierf hij onverwacht. Netty erfde 'Huize Antoinette' in Biggekerke en ging er wonen. De uitgever Bert Bakker stimuleerde haar verder te schrijven aan haar volgende dikke roman. Venus in ballingschap verscheen eerst als feuilleton in zijn literair tijdschrift Maatstaf, in 1954. Het werd Netty Nijhoffs minst realistische boek, waarin zij de verwarring beschrijft die de verschijning van een heuse Venus, oprijzend uit zeeschuim, veroorzaakt in een kleine dorpsgemeenschap. Dit verhaal bood haar de mogelijkheid opnieuw haar gedachten te laten gaan over schoonheid, kunst en burgerlijkheid. Maar - zoals Anna Blaman het in een genuanceerde bespreking (in: Critisch Bulletin 23 (1956/1957) 450-455) verwoordde - de roman gaat ten onder aan een oer-Hollandse moralistische ernst, ondanks de prachtige compositie, de leuke vondsten en de spitse dialogen.

Netty Nijhoff was het verdriet over de dood van Martinus nog niet te boven of de tweede grote klap in haar leven volgde met de dood van Marlow Moss in 1958. Kort tevoren had deze nog een overzichtstentoonstelling van haar werk gehad in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Netty had in de begeleidende catalogus een intrigerende inleiding op haar leven en werk geschreven, waarin zij het mysterie Moss eerder vergrootte dan verkleinde. In hetzelfde jaar overleed ook Netty Nijhoffs moeder op 83-jarige leeftijd. Faan woonde al vanaf 1959 in Lausanne.

Netty Nijhoff herontdekte Griekenland, waar ze in 1933 voor het eerst samen met Marlow Moss was geweest en vriendschappen voor het leven had gesloten. Tijdens de Nederlandse winter nam zij vanaf 1959 haar toevlucht tot een appartement in Athene. Zij hield van het licht, het pathos, de mensen. In de zomer van 1966 werkte ze aan een boek over Griekenland dat 'Málista' moest gaan heten, oftewel 'já!'. Toen hier, na een staatsgreep in 1967, een militaire dictatuur werd gevestigd, verliet Netty Nijhoff het land. Zij keerde terug naar Biggekerke, waar ze de laatste jaren van haar leven sleet. Omdat haar lichamelijke toestand slechter werd, was ze in 1969 gedwongen terug te keren naar Den Haag, waar haar zuster Gerda haar nog twee jaar verzorgde. Overeenkomstig haar wens werd Netty Nijhoff begraven in Biggekerke, op het kleine kerkhofje aan de voet van de duinen. Faan liet naderhand een van de marmeren constructies van Marlow Moss op het graf van zijn moeder plaatsen.

A.H. Nijhoffs debuutroman Twee meisjes en ik is het enige werk - naast een enkel verhaal in Medereizigers - dat bestand is gebleken tegen de tijd. Gedurende haar leven was zij een schrijfster met enige bekendheid in literaire kring. Deels had dit te maken met het feit dat ze de vrouw was van een van de bekendste dichters van Nederland. Deels kwam dit ook door het sterke levensgevoel dat ze uitdroeg in haar werk, waarin de existentialistische tijdsgeest voelbaar is. De combinatie van haar opmerkelijke leven dat zich buiten de grenzen van het Hollandse en geijkte bewoog, en haar oeuvre, dat tegelijkertijd romantisch en polemiserend van toon is, maken A.H. Nijhoff een tot de verbeelding sprekende figuur.

A: Collectie-A.H. Wind in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties: Geboorte (Amsterdam 1945); De dagen spreken ('s-Gravenhage 1946).

L: Behalve een levensbericht door Theun de Vries, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1971-1972 (Leiden 1973) 233-245 en de aldaar genoemde publicaties: Michel van der Plas, 'Faan Nijhoff', in idem, Vader en moeder. Jeugdherinneringen... (Baarn 1987) 141-158; Marja Pruis, De lieflijke hel van het Hollandse binnenhuisje. Leven en werk van A.H. Nijhoff (Amsterdam 1994); M. Nijhoff, Brieven aan mijn vrouw. Samengest. en ingel. door Andreas Oosthoek (Amsterdam 1996); Marja Pruis, 'Een schok van herkenning. De vriendschap van A.H. Nijhoff en Marlow Moss', in Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18: Parallelle levens (Amsterdam 1998) 12-34; idem, De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (Amsterdam 1999). In 1967 zond de VARA de aan Netty Nijhoff gewijde televisiedocumentaire Het huis te Valkenisse van Henk de By uit.

I: Marja Pruis, De lieflijke hel van het Hollandse binnenhuisje. Leven en werk van A.H. Nijhoff (Amsterdam 1994). Omslagfoto. [Foto: Faan Nijhoff].

Marja Pruis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013