Bentz van den Berg, Henri (1917-1976)

 
English | Nederlands

BENTZ VAN DEN BERG, Henri (1917-1976)

Bentz van den Berg, Henri, acteur, regisseur en toneelleider (Blaricum 12-10-1917 - Drachten 3-7-1976). Zoon van Pieter Rudolph Bentz van den Berg, officier van gezondheid bij de Koninklijke Marine, later huisarts, en Anna Wilhelmina Bertina Verwey, verpleegster. Gehuwd op 28-8-1941 met Maria Adriana van Oorschot (1911-1996), actrice. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (23-2-1957) gehuwd op 25-2-1957 met Louise Helena Hensen (1920-1994), actrice. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Bentz van den Berg, Henri

Zijn jeugd bracht Han Bentz van den Berg door in een villa op de grens van Bussum en Naarden. Hij stamde uit een gegoede familie. Zijn vader was officier van gezondheid bij de marine, die, terug van zee, ging praktiseren in het Gooi, waar hij trouwde met een negentien jaar jongere verpleegster. Toen Han vijf jaar oud was, stierf zijn vader en groeide hij op tussen drie dominante vrouwen: zijn moeder en twee zusters. Han was een stille, teruggetrokken jongen, die niet erg opviel. Hij was het tegendeel van zijn moeder, een extraverte vrouw met een sterke hang naar religiositeit.

Na de lagere school bezocht Han de gymnasiumafdeling van het Gooisch Lyceum in Bussum. Deze opleiding maakte hij niet af, omdat toneelspelen en het organiseren van schoolavonden zijn studieprestaties nadelig beïnvloedden. In de vierde klas deed hij toelatingsexamen voor de Tooneelschool in Amsterdam, maar werd afgewezen. Het jaar erop deed Han opnieuw een poging en ditmaal met succes, waarop hij in de hoofdstad op kamers ging wonen. Daarmee maakte hij zich niet los van zijn beschermende moeder, omdat zij spoedig eveneens naar Amsterdam verhuisde.

Tussen 1935 en 1938 doorliep Bentz van den Berg de Tooneelschool met goed resultaat. Daar betoonde hij dezelfde onzekerheid en meegaandheid als in zijn kinderjaren, maar ook een zeker zelfvertrouwen. Zijn schoolwerk deed hij vol ijver. Hij ging niet in tegen de soms versleten opvattingen van de docenten, maar zag veeleer tegen hen op. Tegenover zijn medeleerlingen gedroeg Bentz van den Berg zich verlegen. Hij ging niet mee naar de kroeg en onttrok zich aan het sociale verkeer. Een klasgenoot registreerde daarover: 'Dat was Han, dat accepteerde je. Hij dwong als jongen op school, waar hij de primus inter pares was, al een geweldig respect af. Hij was een calvinist, dat vond-ie zelf ook wel. Hij was sober en stijlvol. Hij schmierde bijvoorbeeld nooit, dat verafschuwde hij. […] Han was een voorbeeld hoe een toneelkunstenaar met zijn kunst om moet gaan. Hij was vormbepalend door zijn daden' (Berkel).

Het debuut van Bentz van den Berg voltrok zich in de zomer van 1938 bij de Vereenigde Haagsche Spelers onder leiding van Pierre Balledux, waar hij de proloog deed in Mariken van Nieumeghen. In 1941 trouwde hij met Mieke van Oorschot, een klasgenote met wie hij gelijktijdig eindexamen Tooneelschool had gedaan. Zij was geboren in Vlissingen, waar haar vader een bekend sociaal-democratisch politicus was. Uit dit huwelijk zou in 1947 een zoon worden geboren. Zij was zes jaar ouder en in de praktijk van het leven stond zij sterker, zodat zij kon aanvullen wat hij - onzeker als hij was - miste. Maar spoedig werkte deze verhouding averechts en kwam hij in opstand tegen haar dominantie.

Van 1938 tot 1941 was Bentz van den Berg verbonden aan het Amsterdamse toneelgezelschap Het Nederlandsch Tooneel en vervolgens een jaar lang aan Het Masker van Ko Arnoldi. Zijn eerste grote rol was 'Vader Willebrord' in de Gijsbreght van Aemstel van Vondel. In 1942 weigerden Bentz van den Berg en zijn vrouw lid te worden van de Kultuurkamer, waardoor zij gedurende de rest van de Duitse bezetting niet meer konden toneelspelen. In die tijd werkte Bentz van den Berg als manusje van alles - expeditieknecht, boekhouder en vertegenwoordiger - op een Amsterdamse uitgeverij, dankzij de bemiddeling van zijn zwager, de uitgever Geert van Oorschot. Tijdens de hongerwinter spande Bentz van den Berg zich, samen met zijn vrouw en zijn zwager, in om kunstenaars buiten de Kultuurkamer aan voedsel te helpen. Zij ondernamen daartoe strooptochten door de provincie. Als lid van de ondergrondse organisatie B2C2, onder leiding van Carel Briels, werd het echtpaar op 7 april 1945 door de Landwacht ingerekend, nadat was gebleken dat zij etenswaar en illegale papieren bij zich hadden. Achttien dagen zaten zij gevangen, maar op voorspraak van vrienden kwamen zij weer vrij.

Na de bevrijding begon het hoogtij van Bentz van den Bergs toneelcarrière, die zich afspeelde in de gezelschappen Comedia (1946-1950) en de Nederlandse Comedie (1950-1971). Aanvankelijk was hij geëngageerd bij START, de Stichting Amsterdamsch- Rotterdamsch Tooneelgezelschap, een ensemble van acteurs die tijdens de bezetting niet hadden gespeeld. Maar START kwam niet van de grond door een gebrek aan onderlinge samenwerking. Een jaar later, in 1946, sloot Bentz van den Berg zich aan bij het Haagse Comedia van Cor Hermus. Dit gezelschap maakte furore met sterspelers als Mary Dresselhuys, Lous Hensen, Bob de Lange, Ton Lutz, Johan de Meester, Ank van der Moer, Henk Rigters en Ellen Vogel. De zakelijk leider was Guus Oster. Comedia vermeed geëngageerd toneel: het doel was de toneeltekst uit de verf te laten komen door een subtiele en genuanceerde speelstijl. Meestal was de toon van de voorstellingen licht, niet gedreven, wat overeenkwam met de toenmalige smaak van het publiek.

In 1947 excelleerde Bentz van den Berg als 'Rakitin' in het stuk Een maand op het land van Toergeniev, dat in scène was gezet door de Russische gastregisseur Pjotr Sjarov. Recensent H.G. Cannegieter noteerde over zijn optreden: '[Hij] vertegenwoordigde in figuur en mimiek treffend den romantischen jongen Rus, dien wij uit de lectuur van dat tijdperk zoo goed kennen: de verpersoonlijkte droefgeestigheid, wiens trage gevoelsreacties door een minimum van uitdrukkingsmiddelen welsprekend vertolkt werden' (Haarlems Dagblad, 11-3-1947).

Tijdens de repetities voor dit toneelstuk kreeg Bentz van den Berg een intieme relatie met Lous Hensen, die eveneens in het stuk speelde. Hij was nog getrouwd, en zijn vrouw was in verwachting. Eind jaren veertig ging Bentz van den Berg bij haar en hun zoon weg en trok hij bij Lous in. Het zou nog tot 1957 duren voordat het tot een officiële echtscheiding kwam. In datzelfde jaar trouwde hij met Lous. Met haar zou hij een goed huwelijk hebben, waaruit in 1949 een zoon en in 1957 en 1958 twee dochters werden geboren.

Met Comedia ging het intussen voorspoedig: fraaie voorstellingen, een goede pers en volle zalen. Maar geleidelijk kwam er tweespalt in de groep. Guus Oster, Johan de Meester en Han Bentz van den Berg keerden zich tegen de leider Cor Hermus, omdat zij een intellectuelere aanpak wilden, in speelstijl en in repertoire. In 1950 verliet dit drietal Comedia en richtten zij de Nederlandse Comedie op. Een groep van grotendeels jonge spelers volgde hen. Hun afscheiding was een symptoom van een generatiekloof. De 'jongeren' - waarmee acteurs werden aangeduid die, zoals Bentz van den Berg, vaak de dertig al ruimschoots waren gepasseerd - keerden zich tegen de vijftigers en zestigers die na de oorlog het toneel waren blijven domineren. De 'jongeren' betreurden dat zij geen kans kregen om te regisseren en geen invloed hadden op het repertoire.

Bij de Nederlandse Comedie werd de speelstijl gestileerder, het repertoire breder en klassieker dan bij Comedia. In 1953 vestigde het gezelschap zich in Amsterdam. Daar zou het achttien jaar lang de vaste bespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg zijn. De directie werd gevormd door het trio Oster, De Meester en Bentz van den Berg. Oster was het zakelijke genie en daarbij de onbetwiste leider, die het ensemble bij elkaar hield. De artistieke leiding lag in handen van De Meester en Bentz van den Berg. Dit trio vormde een 'eenheid van tegendelen, meer een opportune dan een ideële eenheid van samenwerking' (Meyer, 38). Het was een formule die wat betreft het duo Oster-Bentz van den Berg uitstekend bleek te werken, terwijl De Meester in de loop van de jaren vijftig uitgerangeerd raakte.

Bij de samenstelling van het repertoire van de Nederlandse Comedie prevaleerde 'l'art pour l'art'. Aan experimenteel of geëngageerd toneel had de leiding nauwelijks behoefte. Een opvoering moest allereerst fraaie vertolkingen bieden en kon ook nog wat te zeggen te hebben. Deze rangorde bepaalde de gang van zaken. Daarbij was de leiding erop gespitst de beste acteurs te werven die er in Nederland te vinden waren.

Bij de Nederlandse Comedie speelde Bentz van den Berg de ene glansrol na de andere, en al zijn creaties werden door de pers gunstig beoordeeld. In 1956, 1958 en 1964 werd hij onderscheiden met de 'Louis d'Or', de gouden legpenning van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties. In 1954, 1955, 1958 en 1964 werd hij, op grond van een enquête van het Nederlands Theater Jaarboek, uitgeroepen tot acteur van het jaar.

Toch bleef Bentz van den Berg, ondanks alle successen, een verlegen en teruggetrokken man. In een interview in de De Telegraaf omschreef de toneelschrijver Dimitri Frenkel Frank de habitus van Bentz van den Berg in 1960 met de woorden: 'Hij vertelt op zijn typische manier, half aarzelend, zijn merkwaardige stem schurend als van twijfel - terwijl hij uit het raam kijkt, de ogen dichtgeknepen. Er zijn mensen die hem hooghartig vinden: deze lange, schrale man, 42 jaar oud, maar ouder lijkend, die met gesloten gezicht door de gangen van de Stadsschouwburg stapt, de blik naar binnen gekeerd. Zoals elke introverte acteur is hij een buitenbeentje in zijn extroverte vak en zet dit naar binnen gekeerde hem apart' (Frenkel Frank).

Succes oogstte Bentz van den Berg in 1957 met zijn regie van Dylan Thomas' Onder het Melkwoud, het in scène gezette hoorspel dat de dromen en het dagelijkse leven van de bewoners van een vissersplaatsje in Wales beschrijft. Algemeen beoordeelde de pers dit stuk als 'magistraal'. In 1960 herhaalde hij de onderneming, maar dan in een solovoorstelling, waarin hij alle personages vertolkte. Extra indruk maakte hij in 1958 met de titelrol in Shakespeares koningsdrama Richard II. Ook zijn titelrol in Bertold Brechts Het leven van Galileï in 1962 werd alom gewaardeerd.

De rol van zijn leven zette Bentz van den Berg neer in 1964 als 'George' in Edward Albee's Wie is bang voor Virginia Woolf?, naast Ank van der Moer in de rol van 'Martha'. Het publiek zag en hoorde gefascineerd hoeveel lelijks een man en een vrouw elkaar in pijn en wanhoop naar het hoofd slingerden, hoe drank en afmatting alle remmen sloopten en hoe deze twee rampzalige bekvechters, moegestreden, troost bij elkaar zochten als twee bange kinderen in het donker. De bewondering van de pers werd raak verwoord door recensent Johan Fabricius: 'Van de eerste tot de laatste seconde heeft hij ons in de ban. We zitten, aan onze stoel gekluisterd, ademloos te kijken naar deze lange, harkerige, wat gebogen man met zijn pijnlijk lachje dat aan het idiote grenzen kan, zijn sarrende, ironische uitvallen, zijn zichzelf tentoonstellen in zijn bespottelijkheid; zijn wilde terugslaan wanneer Martha onder dit pantser weet door te dringen en hem raakt waar hij het niet verwacht had en waar het pijn doet. Dit is modern toneel van de zuiverste en eerlijkste soort' (De Telegraaf, 30-10-1964).

Maar het uitputtende spel van Virginia Woolf eiste te veel van zijn zenuwen. Na het stuk meer dan twee jaar lang avond aan avond te hebben gespeeld kreeg Bentz van den Berg eind december 1966 een inzinking. Toen hij een half uur op het podium had gestaan, wist hij zijn tekst opeens niet meer. Hij liep verweesd het toneel af en zei tegen de toneelmeester: 'Laat het doek maar zakken, ik kan niet meer …' (De Telegraaf, 28-12-1966). In de daaropvolgende jaren bij de Nederlandse Comedie, tot aan het uiteenvallen van het gezelschap in 1971, nam hij geen belangrijke rol of regie meer op zich. Af en toe trad hij nog op, maar hij was permanent oververmoeid. De jarenlange, slopende combinatie van directeur en kunstenaar bij de belangrijkste Nederlandse toneelgroep had hem de das om gedaan.

Terzelfder tijd raakte de Nederlandse Comedie achterop bij de toneelvernieuwingen in het buitenland. Men stelde zich nauwelijks open voor experimenteel of absurdistisch toneel. In het najaar van 1969 bekogelden studenten en jonge acteurs de spelers van de Nederlandse Comedie in de Amsterdamse Stadsschouwburg met tomaten. Volgens de actievoerders moest er vernieuwend en vormend toneel komen. Met maatschappelijk engagement als uitgangspunt zou volgens hen vanzelf artistieke vernieuwing in de podiumkunsten volgen. Bentz van den Berg speelde toen in Shakespeares De Storm en in Toller van Tankred Dorst. Beide voorstellingen werden voortijdig uit roulatie genomen wegens de tomaten, rookbommen en verbale kritiek die er vanuit de zaal op het podium afgevuurd werden.

Door de 'Aktie Tomaat' voelden de topacteurs zich bedreigd. Hun stiel, waar zij jarenlang al hun liefde en energie in hadden gestoken, werd radicaal verguisd. Vertwijfeld zakte de Nederlandse Comedie in elkaar, en in de zomer van 1971 werd het gezelschap opgeheven. Veel van zijn acteurs verdwenen van het toneel. Bentz van den Berg was begin 1970 opnieuw ingestort en had zich ditmaal volledig teruggetrokken. Zelfs een bezoek aan de schouwburg meed hij. Een jaar lang legde hij thuis in Amsterdam grote legpuzzels van duizenden stukjes - dat was wederom een fantasiewereld waarin hij zich opsloot - , en niemand hoorde nog iets van hem. Op het Amsterdamse Leidseplein keerde hij als acteur nooit meer terug.

In de zomer van 1971 was Bentz van den Berg redelijk hersteld en ging hij in op het verzoek van de Haarlemse toneelgroep Centrum om daar te komen werken. Hier leverde hij weliswaar enkele sterke rollen en enkele knappe regies, maar zijn oude, grote vorm hervond hij niet. Zijn prestaties bleven in de schaduw bij wat hij in de jaren vijftig en zestig had laten zien. Op het laatst speelde hij voor vrijwel lege zalen, en daar was hij totaal verbijsterd over. Begin 1976 besloot hij Centrum te verlaten.

Intussen had Bentz van den Berg ook televisiewerk gedaan. Was hij in de jaren vijftig en zestig geregeld op het scherm te zien geweest in zijn grote toneelcreaties, in de eerste helft van de jaren zeventig zag het grote publiek hem in succesrijke dramaseries als Een mens van goede wil (1974) naar het boek van Gerard Walschap, Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1975) naar Louis Couperus en Hollands Glorie (postuum in 1977) naar Jan de Hartog. Ook speelde hij in deze jaren tweemaal in een Nederlandse film, namelijk De inbreker (1972) en De laatste trein (1975).

Han Bentz van den Berg overleed in de zomer van 1976 op 58-jarige leeftijd - tijdens een vakantie in Friesland - in een ziekenhuis in Drachten aan een bloedvergiftiging. Hij was een van die zeldzame regisseurs die een stuk waarin zijzelf een hoofdrol spelen, perfect kunnen regisseren. Een dergelijke aanpak paste bij zijn karakter: bij een persoon die uitzonderlijk in zichzelf verdiept was. Als acteur kan hij worden beschouwd als een toptalent dat inzicht, soepelheid en eenvoud combineerde. Hij leverde menselijk-emotioneel spel dat theatraliteit vermeed en voluit overtuigde. Als regisseur èn als acteur heeft hij in de jaren vijftig en zestig vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg een zwaar stempel op het Nederlandse toneelleven gedrukt.

A: Documentatiedossier-Han Bentz van den Berg (persdocumentatie, foto's, programma's) en geluids- en beeldmateriaal bij het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: Samen met Adrie van Oorschot, Hokus pokus, dat kan ik ook (z.pl. z.j.); samen met Hugo Claus [e.a.], Première (Deventer 1958). Een overzicht van de gezelschappen waarbij Bentz van den Berg speelde en de rollen en titels van stukken (toneel, televisie en film) waarin hij optrad in: Piet Hein Honig, Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon (Diepenveen 1984) 48-49.

L: Behalve necrologieën o.a. door Anton Kampfhoff en Ada van Benthem Jutting, in Het Parool, 7-7-1976 en door Anton Koolhaas, in Vrij Nederland, 9-7-1976: Bibeb, 'Han Bentz van den Berg', in idem, Bibeb in Holland (Utrecht 1958) 178-183; interview door Dimitri Frenkel Frank, in De Telegraaf, 4-6-1960; Michiel Berkel, 'De dood van Han Bentz van den Berg', in Haagse Post, 9-7-1977; Tomaat in Perspectief. Theatervernieuwing in de jaren '60 en '70. Onder red. van Dennis Meyer (Amsterdam 1994); interview door Coen Verbraak met Roel Bentz van den Berg, in Vrij Nederland, 14-9-2002. Op 18 en 25 september 2002 zond de VPRO-televisie de tweedelige documentaire De verdwenen personages van Han Bentz van den Berg van Hans Keller en Roel Bentz van den Berg uit.

I: Haagse Post, 9-7-1977.

H. de Liagre Böhl


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013