Biesheuvel, Barend Willem (1920-2001)

 
English | Nederlands

BIESHEUVEL, Barend Willem (1920-2001)

Biesheuvel, Barend Willem, politicus, minister en minister-president (Haarlemmerliede 5-4-1920 - Haarlem 29-4-2001). Zoon van Arie Biesheuvel, landbouwer, en Johanna Margaretha Troost. Gehuwd op 22-11-1945 met Wilhelmina Jacoba Meuring (1919-1989). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

afbeelding van Biesheuvel, Barend Willem

Barend Biesheuvel stamde uit een degelijk calvinistisch geslacht van herenboeren dat zich welstand en aanzien had verworven in de Houtrakpolder tussen Amsterdam en Haarlem. Zijn vader voerde op de boerderij 'Westhof' in Haarlemmerliede een bedrijf van 50 hectare bouwland. Daar kwam Barend als de jongste van vier broers ter wereld; na hem werd er jaren later nog een zusje geboren. Als tiener al zat hij al graag op de tractor. Een andere passie was voetbal: hij speelde linksachter bij de Zwanenburger Sportvereeniging.

Na een jaar openbare lagere school in Spaarndam ging Barend in 1927 naar de christelijke lagere school van het Oranje-Nassau Instituut in Haarlem. Nadat hij aan datzelfde instituut de MULO had gevolgd, stroomde hij in 1936 door naar het Christelijk Lyceum, eveneens in Haarlem. Met het eindexamen gymnasium-a op zak begon Biesheuvel in 1940 aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam aan de rechtenstudie, die hij combineerde met werk op de boerderij. Belangstelling voor de politiek kreeg Barend van huis uit volop mee. Zijn vader was voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) wethouder in Haarlemmerliede en stond mee aan de wieg van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB). Regeringsleider H. Colijn was in de crisisjaren Barends grote idool.

Evenals verreweg de meeste andere VU-studenten weigerde Biesheuvel in 1943 de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Als boerenzoon werd hij gedurende de overige bezettingsjaren min of meer ongemoeid gelaten. Hij kon vanuit de boerderij van zijn ouders zelfs 'clandestien' tentamen doen, waarvoor hij dan op de fiets naar het huis van de desbetreffende hoogleraar in Amsterdam reed. Kort na de bevrijding, in september 1945, legde hij het doctoraalexamen af en twee maanden later trad hij in het huwelijk met de apothekersassistente Mies Meuring; hij kende haar al van zijn MULO-tijd.

De jonge jurist Biesheuvel werd op voorspraak van zijn vader secretaris van Johan de Veer, de voedselcommissaris van Noord-Holland; in deze functie deed hij vooral zuiveringszaken. Twee jaar later, in 1947, stapte hij over naar de Stichting van de Landbouw - de voorloper van het Landbouwschap - , waar hij secretaris Buitenland werd. In 1952 trad Biesheuvel in dienst van de CBTB. Chris van den Heuvel, de toenmalige voorzitter van de CBTB en Tweede-Kamerlid namens de ARP, trok hem aan als secretaris van de Bond. Vanaf 1954 was hij tevens bestuurslid van het Landbouwschap - vanaf 1960 vice-voorzitter - en sinds 1956 ook van de Stichting van de Arbeid.

Op 6 november 1956 kwam de 36-jarige Biesheuvel in de Tweede Kamer. Hij kreeg in de ARP-fractie de portefeuilles agrarische zaken en Europese aangelegenheden. Hij werd toen ook lid van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa en de West-Europese Unie. Een uitnodiging in 1957 om staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat te worden sloeg hij af, maar op het aanbod in datzelfde jaar Van den Heuvel als voorzitter van de CBTB op te volgen ging hij wel in. In 1959 kwam daar het bestuurslidmaatschap van de Centrale Coöperatieve Raiffeisenbank en van de Heidemij bij, en in 1961 werd hij lid van het Europees Parlement. In dat jaar werd hij bovendien voorzitter van de International Federation of Agricultural Producers.

In deze functies, die hij met gemak combineerde, ontwikkelde Biesheuvel een grote en gezagvolle deskundigheid op landbouwgebied. In antirevolutionaire kring werd hij al snel beschouwd als een man van de toekomst: bij de verkiezingen van 1963 was hij een van de drie ARP-lijsttrekkers. Zijn benoeming op 24 juli 1963 tot minister van Landbouw en Visserij in het confessioneel-liberale kabinet-Marijnen lag voor de hand. Hij werd tevens vice-premier, belast met de behartiging van Koninkrijksaangelegenheden.

Als minister bracht Biesheuvel veel tijd door in Brussel, waar de vormgeving van een gemeenschappelijke landbouwpolitiek van de landen van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) weliswaar bovenaan de agenda stond, maar slecht in moeizame beraadslagingen tot stand kwam. Biesheuvel leerde er wat zakelijk onderhandelen was. De vaak nachtenlange vergaderingen, nodig om althans enig compromis te bereiken, hield hij probleemloos vol. Deze vergadercultuur werd een kolfje naar zijn hand. Pragmatisch gericht als hij was, ging het bereiken van resultaat hem boven het handhaven van ideologische zuiverheid. Wel toonde hij zich in het politieke debat nogal snel geraakt, soms op het humeurige af, zodra dissonante klanken te luid werden.

Hoewel opgegroeid in een gereformeerd milieu van echte 'mannenbroeders', voelde Biesheuvel zich hierin op den duur minder thuis. Zijn huwelijk met de lutherse Mies Meuring droeg daaraan bij. Woonachtig in Aerdenhout, kerkte het gezin-Biesheuvel in Overveen en bezocht het daar de oecumenische diensten van de Gedachtenisgemeente, voor gereformeerden èn Nederlands-hervormden. Meer nog dan al op grond van zijn afkomst het geval was, kwam hij hierdoor buiten de gereformeerde 'kerngroep' in de ARP te staan. Het gevoel dat de 'heren van de VU', die de gang van zaken in de partij leken te bepalen, neerkeken op deze boerenjongen, droeg hij steeds met zich mee.

In 1965 bezweek het kabinet-Marijnen aan interne onenigheid over de omroepkwestie, waarna in april van dat jaar - zonder verkiezingen - het kabinet-Cals aantrad. De liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) werd hierin verruild voor de socialistische Partij van de Arbeid (PvdA). Biesheuvel toonde echter geen aarzeling zijn werk als minister en vice-premier voort te zetten. Anderhalf jaar later, in oktober 1966, sneuvelde dit kabinet-Cals in de zogeheten 'Nacht van Schmelzer'.

Biesheuvel had de val van het kabinet onnodig gevonden, nadat hij onder druk van de partijleiding zijn eigen bezwaren tegen het begrotingsbeleid had laten varen. In de 'Nacht van Schmelzer' had hij de ARP-fractie tegen de zin van fractieleider B. Roolvink ervan weten te weerhouden te stemmen voor de motie van KVP-fractieleider W.K.N. Schmelzer, die tot de val van het kabinet zou leiden. De daaropvolgende poging van Schmelzer om uit de politieke impasse te geraken, mislukte omdat Biesheuvel zijn medewerking weigerde. Dit wekte de indruk dat hij geen andere combinatie dan die van het kabinet-Cals voor wenselijk hield. Van deze indruk bleef echter niets over toen hij even later weer als minister en vice-premier zitting nam in het kabinet-Zijlstra, een minderheidskabinet van de Katholieke Volkspartij (KVP) en de ARP. Het gemak waarmee Biesheuvel in korte tijd zitting nam in kabinetten van uiteenlopende signatuur, versterkte het idee dat politieke uitgangspunten voor hem minder zwaar wogen dan het behouden van politieke macht, niet zozeer echter om de macht zelf als wel om resultaten te kunnen blijven boeken. Naar buiten toe kwam dit allemaal over als gedrag van een ambitieuze politicus, die er veel voor over had om op het kussen te kunnen blijven zitten.

Bij de verkiezingen van 1967 trad Biesheuvel op als (enige) lijsttrekker van de ARP, nadat hij de strijd om het politiek leiderschap van Roolvink had gewonnen. De toenmalige partijvoorzitter, W.P. Berghuis, was weinig gecharmeerd van Biesheuvel; hij vond hem te nadrukkelijk uit op eigen roem. Hoewel zich binnen de partij een richtingenstrijd aftekende tussen traditioneel-, en progressief-christelijk denkenden, lag Biesheuvel bij de achterban onverdeeld goed. Hij bleek te beschikken over het bindend vermogen dat de partij toen nodig had. De rol van vice-premier had hij met verve gespeeld. Bij alle belangrijke kwesties was hij steeds in beeld geweest en dat, gevoegd bij de kundigheid die hij als minister van Landbouw en Visserij had getoond, maakte hem tot een bewindspersoon in wie de achterban groot vertrouwen stelde. Biesheuvels reputatie in de partij bleek bestand tegen het verwijt van opportunisme, dat hem vooral uit de hoek van de oppositiepartijen werd aangewreven.

De verkiezingscampagne van 1967 onder het motto 'ARP, evangelisch radicaal' leverde de partij twee zetels winst op, terwijl de KVP electoraal rake klappen kreeg te incasseren. Biesheuvels poging als formateur en beoogd minister-president een volgend confessioneel-liberaal kabinet samen te stellen liep echter uit op een eclatante mislukking. In katholieke en vooral liberale kring ondervond hij namelijk weinig bijval, terwijl hij in zijn eigen partij te maken kreeg met weerstand van radicalen om met de VVD te regeren; tot in de fractie toe meldden zich 'spijtstemmers'. Beslissend voor die mislukking was Biesheuvels wens zelf de kwaliteit van de voorgedragen ministers te mogen beoordelen. In zijn ogen kwam Schmelzer niet met geschikte kandidaten. Biesheuvel hield er het gevoel aan over dat de KVP-fractieleider hem nu de rekening presenteerde voor zijn weigerachtigheid Schmelzer in 1966, na de val van het kabinet-Cals, te laten slagen in zijn poging een nieuwe regering te vormen.

Uiteindelijk kwam op 5 april 1967 het confessioneel-liberale kabinet-De Jong tot stand. Hevig teleurgesteld over het mislukken van zijn eigen formateurschap, had Biesheuvel hieraan niet van harte meegewerkt. Hij onderdrukte de aandrang de politiek vaarwel te zeggen. Sinds 23 februari lid van de Tweede Kamer nam hij hier het fractieleiderschap op zich, een functie die hem - meer bestuurder dan politicus - minder paste. Het voorzitterschap van het College van de Scheepsbouw, dat hij in 1967 op zich nam, was hem naast het Kamerwerk meer dan welkom. Vol overgave stortte hij zich vanaf 1968 ook op het voorzitterschap van de Staatscommissie Heroriëntatie Overheidsvoorlichting, in de wandelgangen de 'Commissie-Biesheuvel' geheten, die moest onderzoeken hoe de burger gemakkelijker toegang tot de overheid kon krijgen. In 1970 presenteerde zij het rapport Openbaarheid Openheid, waarin het voorstel werd gedaan voor iedere burger een recht op openbaarheid te creëren.

Aangezien Biesheuvel als fractieleider rekening moest houden met de 'spijtstemmers', trad hij in de eerste jaren het kabinet-De Jong met forse kritiek tegemoet. Hij verweet het voortdurend gebrek aan visie, maar ook wel aan realisme. De fractie liet hij opmerkelijk veel moties en amendementen indienen, die echter zelden het beoogde effect hadden. Biesheuvel had het vooral gemunt op de liberale minister van financiën, H.J. Witteveen, wiens plannen tot belastingverlaging hij verafschuwde; hij wilde juist meer geld voor ontwikkelingshulp, onderwijs en werkgelegenheid. Bij de begrotingsbehandeling in het najaar van 1969 vond Witteveen het genoeg en wees hij hem op niet mis te verstane wijze zijn plaats. Een amendement voor minder inflatiecorrectie verklaarde hij onaanvaardbaar, waarna Biesheuvel het onder hoongelach van de oppositie haastig introk. De ARP-fractieleider nam zijn verlies en ging zich loyaler tegenover het kabinet opstellen. Zijn populariteit in eigen kring leed er overigens niet onder; bij de antirevolutionaire achterban nam zijn politieke gezag alleen maar toe.

Een jaar later, in oktober 1970, leken alle plooien tussen de leiders van de coalitiepartners te zijn gladgestreken. Zij vonden dat, als het even kon, de confessioneel-liberale coalitie na de verkiezingen van 1971 zou moeten worden voortgezet, waarbij men Biesheuvel de rol van minister-president toedacht. De verkiezingsuitslag van 1971 maakte continuering echter onmogelijk, aangezien alle vier de regeringspartijen verloren. De voortzetting kwam alsnog tot stand door de Democratisch-Socialisten 1970 (DS'70) - een rechtse afsplitsing van de PvdA en de grote verkiezingsoverwinnaar - te laten aanschuiven.

Op 6 juli 1971 verruilde Biesheuvel het Kamerlidmaatschap inderdaad voor het minister-presidentschap, maar niet voor lang. Van meet af aan ging zijn kabinet gebukt onder onenigheid over de loonpolitiek, de inflatiebestrijding en de verdeling van forse bezuinigingen over de departementen. Vooral de twee ministers van DS'70, W. Drees jr. en M.L. de Brauw, lagen dwars. Biesheuvel, in dit soort zaken onvoldoende bedreven om tijdig knopen door te hakken, dacht dit verzet met de Brusselse tactiek van marathonzittingen te kunnen breken, maar deze aanpak werkte bij de DS'70-ministers juist averechts. Te lang liet hij het debat lopen, en toen hij uiteindelijk een dwingend bezuinigingsvoorstel ter tafel bracht, was de sfeer in het kabinet al zo gespannen geraakt dat Drees jr. en De Brauw afhaakten. Op 20 juli 1972, een jaar na zijn aantreden, was Biesheuvel alweer demissionair. Aan serieuze wetgeving was het kabinet niet eens toegekomen. Een door de koningin afgedwongen lijmpoging mislukte. Hierna formeerde Biesheuvel een minderheidskabinet zonder DS'70, dat tot taak had vervroegde verkiezingen uit te schrijven.

Als lijsttrekker bij de verkiezingen van november 1972 bezorgde Biesheuvel de ARP weer een zetel winst, terwijl de KVP en de CHU opnieuw verlies leden. Dit stijfde hem in de opvatting dat het aan hem was de koers van de ARP in de nieuwe formatie te bepalen. Het drama van het mislukte premierschap verdiepte er zich door. Het beleid van zijn eigen kabinet had hij tot inzet van de campagne gemaakt, maar bij de formatie nam de PvdA het voortouw, en deze partij wilde niets minder dan een links kabinet, met gedoogsteun van de christen-democraten. Onder geen beding wenste Biesheuvel zo'n kabinet mogelijk te maken. Zijn aversie tegen links had hij in de campagne al eens gedemonstreerd door tijdens een verkiezingstoespraak Keerpunt '72, het gezamenlijke programma van de progressieve partijen, met een theatraal gebaar weg te smijten.

Nadat hij op 30 november 1972 tot fractieleider was gekozen, klampte Biesheuvel zich verbeten vast aan prolongatie van zijn coalitie, die in de Tweede Kamer dankzij forse winst van de VVD een nipte meerderheid bezat. Maar gaande de formatie verloor Biesheuvel - die van meet af aan te maken had met een sterk verdeelde fractie - de greep op de koers van de ARP. Twee prominente ARP'ers, W.F. de Gaay Fortman en J. Boersma - van wie de laatstgenoemde nota bene minister in zijn kabinet was geweest - lieten zich uiteindelijk strikken voor deelneming aan het linkse kabinet-Den Uyl in wording. Biesheuvel was woedend; hij beschouwde het als verraad en verbrak voor jaren de band met hen. Hierachter ging het al langer smeulende conflict schuil tussen pragmatici à la Biesheuvel en evangelisch-radicalen, die binnen de fractie in W. Aantjes hun aanvoerder hadden.

Toen Biesheuvel vanwege het verstrijken van de termijn moest kiezen tussen het fractievoorzitterschap en het premierschap en hij voor het laatste koos, werd Aantjes op 7 maart 1973 fractievoorzitter. Dat vergemakkelijkte de onderhandelingen. Na het aantreden van het kabinet-Den Uyl op 11 mei 1973 trok Biesheuvel zich ontgoocheld terug uit de politiek, pas 53 jaar oud. Ook met Aantjes sprak hij jarenlang niet meer. De formatieperiode was voor hem een politieke hel geweest.

Biesheuvel bleef erbij dat de deelname van de ARP aan het kabinet-Den Uyl schadelijk was voor het land en voor de partij. In deze constellatie wilde hij met de politiek niets meer te maken hebben. Alle 'passende' banen in de politiek en het bestuur die hem werden aangeboden wees hij dan ook van de hand. In het bedrijfsleven nam hij een aantal adviseurschappen en commissariaten aan - onder meer bij de Nationale Investeringsbank, OGEM, KLM, Unilever en CSM - en na verloop van tijd, toen de ergste verbittering was verwerkt, kon ook de overheid weer een beroep op hem doen als voorzitter van verscheidene werkgroepen en commissies. Eind jaren zeventig maakte hij deel uit van een door de Europese Raad in het leven geroepen Comité van Wijzen, dat moest adviseren over het functioneren van de EEG. Nog aan het einde van de jaren negentig leidde hij een adviescommissie over de Nederlandse relatie met Aruba. Bij de presentatie van het eindrapport in 2000 zei de toen 79-jarige Biesheuvel: 'U dacht natuurlijk: leeft-ie nog? U ziet het, hij leeft nog' (Kranenburg).

Het overlijden van zijn vrouw in 1989 was voor Biesheuvel een harde klap. Het alleen zijn zonder Mies viel hem zwaar. Met haar had hij altijd alles besproken. Ook in de politiek was zij zijn 'adviseur' geweest. Zijn ministers plaagden hem er wel eens mee door gekscherend te spreken over 'het kabinet-Miesheuvel'. Enkele jaren na de dood van zijn vrouw vond Biesheuvel in B.I. van Leeuwen-Schuitemaker een nieuwe levenspartner. Na een langdurig ziekbed overleed hij in 2001 op 81-jarige leeftijd in het Spaarne Ziekenhuis in Haarlem.

Als vakminister verwierf Barend Biesheuvel in Den Haag en Brussel veel prestige. In die functie toonde hij zich een geboren leider. Voor zijn ondergeschikten was hij een inspirerend voorbeeld van een noeste werker, terwijl hij in de landbouwwereld groot gezag afdwong. Als politicus was hij minder geslaagd. In de omgang met gelijkwaardigen ontbrak het Biesheuvel aan voldoende souplesse en incasseringsvermogen om een echte teamspeler te worden. Met kritiek van collega's in de Kamer, het kabinet en de partij kon hij moeilijk overweg, en bij te veel afwijking van de lijn die hij voorstond, liet hij vaak te snel irritatie blijken; geldingsdrang en koppigheid waren hem niet vreemd. Biesheuvel was een charmante man, rijzig van gestalte, met een karaktervol gezicht en een markante stem. Hij zag er steeds opvallend verzorgd uit en had, hoewel hij als spreker nogal saai kon zijn, een uitstekende presentatie. Met zijn lengte van 1 meter 97 torende hij boven iedereen uit, en in gezelschap trok hij altijd alle aandacht naar zich toe. Sommigen vergeleken hem met de Amerikaanse filmacteur Cary Grant, anderen spraken van 'Mooie Barend'. Bij zijn aantreden als Kamerlid in 1956 zei de toenmalige AR-fractieleider, J.A.H.J.S. Bruins Slot, dat de bekwaamheid van hem afstraalde. Als minister van Landbouw heeft Biesheuvel de verwachtingen ook waargemaakt, maar een man van formaat was hij toch vooral fysiek.

L: Behalve necrologieën o.a. door J.M. Bik, in NRC Handelsblad, 30-4-2001 en door Margit Kranenburg, in Haagsche Courant, 1-5-2001: Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel (Leiden [1973]); P.F. Maas, Kabinetsformaties, 1959-1973 ('s-Gravenhage 1982); G. Puchinger, Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw (Amsterdam 1984) 290-299; P.L. van Enk, De aftocht van de ARP. Jaren van strijd tussen macht en beginsel (Kampen 1986); Dick Houwaart, De mannenbroeders door de bocht. Herinneringen aan en van dr. W.P. Berghuis… (Kampen 1988); Jan Jaap van den Berg, Deining. Koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970 (Kampen 1999); Willem Drees, Gespiegeld in de tijd. De nagelaten autobiografie (Amsterdam 2000); De Antirevolutionaire Partij, 1829-1980. Onder red. van G. Harinck [e.a.] (Hilversum 2001) 255-280; Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer, Van buitengaats naar Binnenhof. P.J.S. de Jong, een biografie ('s-Gravenhage 2001) ; Roelof Bouwman, De val van een bergredenaar. Het politieke leven van Willem Aantjes (Amsterdam 2002); Piet van Tellingen en Willem Breedveld, 'Het Waterloo van Biesheuvel en Drees jr.', in Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2001 ('s-Gravenhage 2002) 126-133; Peter Rehwinkel [e.a.], Getrouwd met de premier . De first lady's van Nederland in veertien portretten (Zutphen 2004) 133-148.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 72835.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013