Coolhaas, Willem Philippus (1899-1981)

 
English | Nederlands

COOLHAAS, Willem Philippus (1899-1981)

COOLHAAS, Willem Philippus, koloniaal ambtenaar en historicus (Brielle 2-5-1899 – Bilthoven 12-4-1981). Zoon van Johan Herman Coolhaas, belastingontvanger, en Gerardina Elisabeth Meursinge. Gehuwd op 30-12-1944 met Elizabeth Catharina Korpershoek (1907-1998). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van COOLHAAS, Willem Philippus

Flip Coolhaas stamde uit een familie van ambtenaren, dominees en fabrikanten. Samen met zijn zeven jaar oudere zuster groeide hij op in Brielle, Franeker en – vanaf 1905 – in Leeuwarden. Tegen de tijd dat hij zijn einddiploma aan de vijfjarige Rijks-HBS behaalde, was er geen geld voor een gymnasiaal vervolg als opmaat tot een academische studie: de Russische revolutie had de spoorwegaandelen van zijn vader waardeloos gemaakt. Daarom schreef Coolhaas zich in 1917 aan de Rijksuniversiteit te Leiden in voor de driejarige opleiding Indische Administratieve Dienst. Daaraan was namelijk een toelage verbonden. Vooral de kennismaking met vreemde culturen in de colleges van de adatgeleerde C. van Vollenhoven, de sanskritist-archeoloog J.Ph. Vogel en de historici J. Huizinga en H.T. Colenbrander spraken hem aan.

Direct na zijn afstuderen, op 2 juli 1920, kreeg Coolhaas een aanstelling bij het Binnenlandsch Bestuur en vertrok hij naar Nederlands-Indië. In februari 1921 begon hij als administratief ambtenaar op het eiland Ternate in de Molukken. ‘Ik was heel erg jong en heel erg onervaren, maar van goeden wille en … diep doordrongen van de grote verantwoordelijkheid, die ik te dragen zou krijgen’, schreef hij hierover later (Controleur B.B., 9). Voorlopig bestond zijn bestuurswerk voornamelijk uit het leren van de lokale talen en het verwerven van kennis van de cultuur en de maatschappelijke verhoudingen. Vanaf het begin legde Coolhaas zijn waarnemingen van de Molukse samenleving vast in rapportages en studies, waarvan de eerste reeds in 1922 verscheen.

In augustus 1921 werd Coolhaas benoemd tot aspirant-controleur en in november van dat jaar naar het eiland Tidore ten zuidoosten van Ternate gestuurd. Nog geen vier maanden later werd hij bevorderd tot controleur en overgeplaatst naar het eiland Batjan, eveneens in de Ternate-archipel. Dit was de eerste plaats waar hij de volledige bestuursverantwoordelijkheid droeg. Zijn leven lang zou Coolhaas met vreugde terugdenken aan zijn verblijf op de Molukken, omdat hij er op zijn eenzame bestuursposten in de gelegenheid was geweest nauw contact met de bevolking te hebben. Zijn eerste grotere studies – uit 1924 en 1926 – waren gewijd aan Batjan.

In juni 1925 verruilde Coolhaas de Molukken voor midden-Java, waar hij controleur werd in Semarang. Ruim een jaar later werd hij opnieuw naar de periferie gezonden, en wel naar het nog slechts kort tevoren onderworpen eiland Flores. Coolhaas leerde dankzij vele tournees dit ressort goed kennen. Zijn cultureel-antropologische waarnemingen in dit gebied zou hij later in een publicatie verwerken.

Van juli 1927 tot maart 1928 verbleef Coolhaas met groot verlof in Nederland. Hij gebruikte deze tijd onder meer voor genealogisch onderzoek, een levenslange hobby. Na terugkeer in Indië was hij zes jaar lang werkzaam in verschillende plaatsen op Sumatra, sinds november 1931 in de rang van waarnemend assistent-resident. In deze periode was Coolhaas als voorzitter van land- en gemeenteraden meer dan voorheen belast met administratieve werkzaamheden. Het speet hem dat hij daardoor minder in contact kwam met de gewone bevolking, zodat hij die onvoldoende kon beschermen tegen de uitbuiting door hun inlandse hoofden.

Coolhaas’ tweede groot verlof, van 1934 tot 1936, werd verlengd om hem in staat te stellen Indologie te studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Op 22 september 1936 verwierf hij de doctoraalbul, waarna hij op 12 oktober van dat jaar bij F.C. Gerretson, bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van Nederlands-Indië, promoveerde op een proefschrift over Het Regeerings Reglement van 1827. Het werk van 1818 aan de ervaring getoetst. Het was een bronnenpublicatie, voorafgegaan door een degelijke analyse en bespreking van het onderwerp, onderdeel van een project van zijn promotor tot beschrijving van de constitutionele geschiedenis van Nederlands-Indië.

Toen Coolhaas in januari 1937 weer terug was in de Oost, volgde een aanstelling als assistent-resident op het departement van Binnenlandsch Bestuur in Batavia. Tevens werd hij – als vertegenwoordiger van het Binnenlandsch Bestuur – benoemd tot lid van de Volksraad. Hij onderhield hier een goed persoonlijk contact met de nationalistische medeleden, overigens zonder hun politieke standpunten te delen.

Met ingang van 1 februari 1939 kreeg Coolhaas op eigen verzoek buitengewoon verlof en ging hij naar Nederland. Er wordt gezegd dat dit vertrek samenhing met de strenge aanpak door gouverneur-generaal jhr. A.W.L. Tjarda Van Starkenborgh Stachouwer van het (homoseksuele) zedenschandaal in Indië in 1938. Het verlof werd in 1939 gevolgd door eervol ontslag en pensionering. Eerst woonde hij in Zutphen, daarna in Den Haag (1940-1942), Wassenaar (1942-1944) en opnieuw in Den Haag (1944-1946). Eind 1944 huwde Coolhaas, inmiddels 45 jaar oud, met de gescheiden Elizabeth Korpershoek, de dochter van een Rotterdamse ondernemer en voorheen secretaresse van de oud-Transvaalse gezant W.J. Leyds.

Tijdens de Duitse bezetting richtte Coolhaas – levend van zijn Indisch ambtenaarspensioen – zijn aandacht definitief op de geschiedschrijving. Hij voltooide het zevende en laatste deel van Jan Pietersz. Coen. Bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië (1952-1953), een door zijn voormalige Leidse leermeester Colenbrander begonnen bronnenuitgave. Hierdoor leerde hij de Haagse koloniale archieven goed kennen, wat hem tot het schrijven van tal van artikelen zou brengen. Ook schreef hij een reeks artikelen over de vestiging en inrichting van het koloniaal gezag in Canada, Australië, Algerije en Zuid-Amerika, waarin hij herhaaldelijk vergelijkingen trok met het 19de-eeuwse Nederlands-Indië. In opdracht van het Koloniaal Instituut te Amsterdam publiceerde Coolhaas in 1943 een beschrijving van het vooroorlogs bestuursbeleid in Indië: Insulinde. Mensch en maatschappij. Het is een heldere analyse van onderwerpen zoals de overbevolking, gezondheidszorg, het volkskrediet en het onderwijs.

Eind 1945 vertrok Coolhaas – later gevolgd door zijn echtgenote – opnieuw in de rang van assistent-resident naar Indië. Daar was hij, in afwachting van zijn benoeming tot Landsarchivaris, werkzaam bij de Regeringsvoorlichtingsdienst in Batavia. Aan de in 1946 geopende Universiteit van Indonesië werd hij in november van dat jaar buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis der kolonisatie, vanaf 1948 tevens in de geschiedenis van Indonesië. Ook was hij lid van de Grondwetscommissie voor de deelstaat Oost-Indonesië.

In juli 1947 werd Coolhaas eindelijk Landsarchivaris. Hij werd toen geconfronteerd met de vraag of unieke archivalia niet dienden te worden overgebracht naar Nederland. Hij deelde de zorgen over de toekomst ervan, maar was van mening dat de archivalia – op een gering aantal stukken na – in principe aan Indonesië toebehoorden. Bovendien mocht overbrenging alleen geschieden met toestemming van de Indonesiërs. De functie van Landsarchivaris vervulde Coolhaas tot 30 september 1950, dus ook nog na de soevereiniteitsoverdracht.

Eind 1950 repatrieerden Coolhaas en zijn vrouw, waarmee na dertig jaar een definitief einde kwam aan zijn Indische carrière. Zijn wetenschappelijk werk zette hij echter voort. Eerst was Coolhaas tot mei 1955 als historisch medewerker werkzaam bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Daarna bekleedde hij het ambt van buitengewoon – sinds 1965 gewoon – hoogleraar in ‘de geschiedenis der betrekkingen van Nederland (en andere Europese landen) met de overzeese wereld’ aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1955 verhuisde hij van Amsterdam naar Bilthoven, waar hij tot aan zijn dood zou wonen.

Als hoogleraar in Utrecht had Coolhaas een enigszins geïsoleerde positie. Hij trok niet veel studenten, en het contact met een deel van de staf van het Instituut voor Geschiedenis verliep stroef. Een van de oorzaken was dat Coolhaas er de man niet naar was zich te schamen voor zijn koloniale loopbaan, terwijl Nederland onder invloed van het trauma van de dekolonisatie zich afwendde van het koloniale verleden. Uitdagend gaf hij zijn op 3 oktober 1955 uitgesproken oratie de titel Verloren kansen, en zijn recensies en artikelen bezaten soms een apologetische toon. Coolhaas erkende de beperkingen van de Europese bestuursambtenaren in kennis en inzicht, maar noemde hun optreden voor de inheemse bevolking toch een zegen. Hij wist zich een vertegenwoordiger van de ethische politiek, een ervaringsdeskundige en een wetenschapsbeoefenaar met toenemend internationaal aanzien. Coolhaas troostte zich met de hoop dat de belangstelling mettertijd zou komen en dat kennisneming van de feiten een evenwichtiger oordeel zou doen ontstaan. Vandaar zijn nadruk op bronnenpublicaties, waartoe hij met zijn brede eruditie, historiografische belezenheid en kennis van de talen en volkeren van Zuidoost-Azië bij uitstek geschikt was.

Coolhaas erkende het belang van de niet-westerse en sociaal-economische geschiedenis. Maar zijn eigen aandacht ging vooral uit naar de individuele mens met zijn eigen persoonlijke achtergronden, karakter en mogelijkheden, diens individuele reactie op de omgeving. Genealogische en biografische aspecten kenmerken veel van zijn werk. Van huis uit bezat Coolhaas grote belangstelling voor de personen en gebeurtenissen uit de periode van de Franse Revolutie en het Napoleontische keizerrijk. Hij beweerde zelfs alleen ten aanzien van dit tijdvak echt deskundig te zijn. Hij had er een uitgezochte bibliotheek over en bezocht vele ‘lieux de mémoire’. Hij besefte echter dat deze belangstelling door bijna niemand in Nederland meer werd gedeeld.

Aanvankelijk richtte Coolhaas zijn aandacht vooral op de geschiedenis van Nederlands-Indië in de 19de en 20ste eeuw. Zo besteedde hij als secretaris van de Commissie voor Bronnenpublicatie betreffende de Geschiedenis van Nederlands-Indie 1900-1942 veel tijd aan de door haar verzorgde bronnenuitgaven. Allengs concentreerde hij zich echter steeds meer op de geschiedenis van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Zich bewust van het grote belang van het archief van de VOC voor de geschiedenis van Azië in de vroegmoderne tijd bezorgde Coolhaas een reeks van bronnenpublicaties. Zijn opus magnum werd de uitgave, tussen 1960 en 1985, van de eerste acht delen van de Generale missiven van Gouverneurs-Generaal en Raden aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie over de jaren 1610-1729, tezamen zo’n zevenduizend bladzijden. De Generale missiven betreffen al de activiteiten van de VOC op hoofdlijnen, inclusief haar contacten met de omringende Aziatische wereld.

Coolhaas was – evenals voorheen in Batavia – ook bestuurlijk actief in een aantal wetenschappelijke organisaties, zoals het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (1952-1956) en de Linschotenvereniging (1954-1970). Verder was hij via zijn vrouw geïnteresseerd geraakt in de geschiedenis van Zuid-Afrika. Van 1952 tot 1963 was Coolhaas bestuurslid van de Nederlands-Zuid-Afrikaanse Vereniging en redactielid van haar maandblad Zuid-Afrika. Vervolgens, van 1963 tot 1971, was hij bestuurslid van de Vereniging ZASM (Zuid-Afrikaanse Stichting Moederland).

In 1967 ging Coolhaas als hoogleraar in Utrecht met emeritaat. Tot kort voor zijn overlijden behield hij zijn grote werkkracht, ondanks de in 1977 bij hem geconstateerde leukemie. Naast het werk aan de Generale missiven schreef hij verscheidene detailstudies en vele recensies voor Nederlandse en buitenlandse tijdschriften. Hij gaf aandacht aan zo ongeveer alles wat op koloniaalhistorisch terrein verscheen, wat hem ook tot een goed samensteller van overzichten en bibliografieën maakte. In 1981 overleed hij op bijna 82-jarige leeftijd.

Flip Coolhaas was een verdienstelijk koloniaal ambtenaar, die – blijkens zijn verkiezing tot lid van de Volksraad – werd gewaardeerd door zijn collega’s. Hij was trouw aan zijn vrienden en leerlingen, maar toonde zich soms ook een hoekig man, die zich op oudere leeftijd in het moderne Nederland een vreemdeling voelde. Als historicus ligt zijn belang in de eerste plaats in het feit dat hij de betekenis van de koloniale geschiedenis en die van de derde wereld voor Nederland hooghield, en vooral met zijn bronnenpublicaties nieuwe wegen mogelijk maakte.

A: Archief-W.Ph. Coolhaas over de jaren 1905-1963 in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.

P: ‘Voornaamste geschriften’ in het onder L genoemde levensbericht van H.K. s’Jacob, 59-62. Autobiografische geschriften: ‘Ervaringen van een jonge bestuurs-ambtenaar in de Molukken’, in Besturen overzee. Herinneringen van oud-ambtenaren bij het binnenlands bestuur in Nederlandsch-Indië. Uitgeg. door S.L. van der Wal (Franeker 1977) 73-109; ‘“Wie es eigentlich gewesen”. A correction on the interview with prof. M.A.P. Meilink-Roelofsz’, in Itinerario 2 (1978) 15-17; ‘Memoirs of a colonial administrator-historian’ [Interview], in Itinerario 3 (1979) 18-33; Controleur B.B. Herinneringen van een jong bestuursambtenaar in Nederlands-Indië (Utrecht 1985).

L: Necrologieën o.a. door C. de Jong, in Historia. Amptelike orgaan van die Historiese Genootskap van Suid-Afrika 26 (1981) 155-156; J. Ploeger, in Argiefnuus 24 (1981) 18-21; G.J. Schutte, in Zuid-Afrika 58 (1981) 50; J. van Goor, in Itinerario 6 (1982) 3-8; idem, in Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 97 (1982) 174-76; H.K. s’Jacob, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1981-1982 (Leiden 1983) 52-63 en door M.E. van Opstall, in Nederlands Archievenblad 86 (1982) 11-17; G.J. Schutte, 'Prof.dr.W.Ph. Coolhaas. Een leermeester van velen', in Historia. Journal of the Historical association of South Africa 2 (mei 2008).

I: Foto uit familiebezit [Coolhaas in 1974].

G.J. Schutte


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013