Dales, Catharina Isabella (1931-1994)

 
English | Nederlands

DALES, Catharina Isabella (1931-1994)

DALES, Catharina Isabella, politica en burgemeester (Arnhem 18-10-1931 - Utrecht 10-1-1994). Dochter van Teunis Dales, handelaar in bouwmaterialen, en Wilhelmina Bertha Holstigen.

afbeelding van Dales, Catharina Isabella Ien Dales was de oudste in een gezin met drie kinderen. Zij werd geboren in Arnhem, waar ze openbaar lager onderwijs genoot. Toen zij tien jaar oud was overleed haar vader aan de gevolgen van een verwaarloosde blindedarmontsteking. Hierdoor moest Iens moeder - een sterke, door het Nederlands-hervormde geloof geïnspireerde vrouw - de kost verdienen.

Middelbaar onderwijs volgde Dales vanaf 1943 op de openbare Gemeentelijke Hogere Burgerschool in Arnhem. In 1947 behaalde zij hier eerst het diploma HBS-A en - met het oog op haar aanvankelijke plan medicijnen te gaan studeren - in 1950 ook het diploma HBS-B. Een universitaire studie bleek echter te duur. Vanwege haar belangstelling voor vraagstukken van religie en maatschappij en omdat zij een beurs kreeg van de Nederlandse Hervormde Kerk koos Dales voor een opleiding tot 'wika' (werker in kerkelijke arbeid) aan de Academie 'Kerk en Wereld' in Driebergen, het kaderopleidingsinstituut van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Dales kwam hier onder sterke invloed te staan van een van haar docenten, de religieus-socialist Willem Banning, medeoprichter van 'Kerk en Wereld' en de Partij van de Arbeid (PvdA). Haar overtuiging dat men diende op te komen voor de zwakkere medemens, bracht haar tot de sociaal-democratie. Toch zou zij pas in 1968 lid worden van de PvdA. 'Een zeer late bezegeling van een al lang bestaand feit,' zo verklaarde ze later (Klaasen).

In 1953 behaalde Dales het diploma jeugdwerkleidster. Na twee jaar als zodanig voor de Nederlandse Hervormde Kerk werkzaam te zijn geweest in het watersnoodgebied in Zeeland, keerde zij in 1956 terug bij 'Kerk en Wereld' om er ook het evangelistendiploma te behalen. Vervolgens trad zij toe tot de staf van het opleidingsinstituut, waarvan ze achtereenvolgens cursusleidster, adjunct-hoofd en hoofd van de afdeling vormingswerk, en directeur (1968-1974) werd. In de laatstgenoemde functie bleek Dales geen moeite te hebben met het uitoefenen van macht. Zij neigde zelfs tot autoritair optreden. Zelf zei ze hierover: 'Een beetje macht is er altijd en die kan maar het beste bij mij belanden' (Van Meurs, 8).

Dales' gezag bij de staf van 'Kerk en Wereld' nam af nadat zij zich in augustus 1971, naar aanleiding van publicaties in De Telegraaf en onder druk van de Nederlandse Hervormde Synode, gedwongen had gezien een bezinningsweekeinde voor vredesactivisten te annuleren. 'Kerk en Wereld' werd er door de krant van beschuldigd zich in te laten met subversieve groeperingen. De affaire, aangewakkerd door de conservatieve stroming in de Nederlandse Hervormde Kerk, verslechterde de interne verhoudingen in Driebergen. Dales' autoritaire stijl werd steeds minder geaccepteerd. Uiteindelijk vertrok zij in 1974.

Dales voltooide in 1975 haar eerder in deeltijd begonnen studie andragogie aan de Universiteit van Amsterdam met een afstudeerscriptie over de vergaderwijze van de Nederlandse Hervormde Synode. Vervolgens werkte zij twee jaren als freelance organisatieadviseur, waarbij ze onderzoek verrichtte naar de verbetering van organisatiestructuren en werksfeer. Later bekende zij dat dit werk haar hart niet helemaal had. Meer op haar plaats voelde zij zich in Rotterdam, waar ze op 1 september 1977 aantrad als directeur van de gemeentelijke Sociale Dienst. Deze werd op dat moment geplaagd door een fraudeschandaal. Een aantal ambtenaren had zichzelf verrijkt bij het uitbetalen van bijstandsuitkeringen. Dales kreeg de verantwoordelijkheid voor de lastige reorganisatieoperatie. Zij verminderde de bureaucratie en maakte de dienst klantvriendelijker: de uitkeringsgerechtigde werd in geval van fraude niet meer direct vervolgd. Eerst diende de gemeente te proberen te schikken met de cliënt.

Door haar werk in Rotterdam vestigde Dales de aandacht op zich van de landelijke kopstukken van haar partij. PvdA-leider J.M. den Uyl vroeg Dales in de zomer van 1981 toe te treden tot het kabinet van het Christen-Democratisch Appèl (CDA) en PvdA, dat onder leiding kwam te staan van A.A.M. van Agt. Uit plichtsbesef - ze had het in Rotterdam uitstekend naar haar zin - vertrok zij naar Den Haag. Op 11 september 1981 volgde haar benoeming als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met sociale zekerheid. Evenals in Rotterdam viel Dales in Den Haag op met haar directe en onverbloemde optreden.

Het kabinet was gedwongen te bezuinigen, onder meer op de sociale uitkeringen. Samen met haar superieur, minister Den Uyl, diende Dales in 1982 voorstellen in om de Ziektewetuitkeringen te beperken. Het plan stuitte op veel verzet van de vakbeweging. De plannen gingen uiteindelijk niet door, maar maakten wel duidelijk dat Dales er niet voor terugschrok harde en impopulaire, maar in haar ogen noodzakelijke maatregelen te nemen. Het leverde haar aanzien op onder de eigen achterban.

Het kabinet Van Agt-Den Uyl viel als gevolg van grote verschillen in politieke visie tussen CDA en PvdA al op 28 mei 1982. Op de kandidatenlijst voor de vervroegde Tweede-Kamerverkiezingen kreeg Dales een weinig kansrijke plaats toegewezen. Niettemin bemachtigde zij dankzij 29.057 voorkeurstemmen op eigen kracht een zetel in de Tweede Kamer, waar zij woordvoerder werd voor sociale zaken, minderheden en politieaangelegenheden. Dales combineerde het parlementswerk met het lidmaatschap van het PvdA-bestuur. Van april 1983 tot november 1984 was zij tweede ondervoorzitter en daarna, tot november 1986, vice-voorzitter van de partij. Het Kamerwerk beviel Dales maar matig; liever wilde zij als bestuurder iets bereiken. 'Ik denk niet in wetten, ik denk in mensen,' was haar adagium (NRC Handelsblad, 25-3-1991).

Haar bestuurlijke ambities deden Dales al snel uitzien naar andere publieke functies. Het ambt van commissaris van de Koningin in Drenthe, dat haar al direct na de verkiezingen van 1982 was aangeboden, had zij nog laten passeren, maar een jaar later solliciteerde ze wel naar het burgemeesterschap van Amsterdam. Tienduizend Amsterdammers ondertekenden een pleidooi om Dales te benoemen; de post ging uiteindelijk naar haar partijgenoot Ed van Thijn. Toen zij vier jaar later werd gevraagd voor Nijmegen aarzelde ze geen ogenblik. Dales ervoer de benoeming in de Waalstad als een opluchting.

Op 16 mei 1987 werd Dales geïnstalleerd als de eerste socialistische burgemeester van de tot dan toe door rooms-katholieken bestuurde stad. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 1986 was de PvdA voor het eerst de grootste partij geworden in Nijmegen. Dales was tevens de eerste vrouw op die post, al werd dit door haarzelf nooit beklemtoond. Zij was allesbehalve een feministe.

Dales' burgemeesterschap startte onder een naar haar eigen mening 'beangstigend goede pers' (NRC Handelsblad, 13-5-1989). Met haar onopgesmukte verschijning en droge humor noemde men haar in Nijmegen al snel 'Ma Flodder'. Later kreeg deze bijnaam, vanwege haar onverzorgde, weinig vrouwelijke verschijning, een minder complimenteuze betekenis. Om de problemen van de Nijmegenaren te leren kennen trok de burgemeester de achterstandswijken in voor werkbezoeken, die doorgaans werden afgesloten met het drinken van een glas bier met de bewoners. Dales riep echter ook weerstanden op, wanneer zij zich ongevoelig toonde voor de argumenten van de tegenstanders. Dat gold onder meer de discussie over de instelling van een gedoogzone voor heroïneprostituees, waarin zij de oppositie vanuit het bedrijfsleven negeerde. Bij haar op zichzelf begrijpelijke pleidooien voor gebiedsuitbreiding van de stad - voor noodzakelijke woningbouw en om financiële redenen - hield zij onvoldoende rekening met de gevoeligheden van de omringende gemeenten.

Dales' burgemeesterschap duurde nog geen duizend dagen. Ondanks haar bewering 'geen wegloper' te zijn, trok de landspolitiek al weer snel. Toen ze begin november 1989 op werkbezoek was in Japan werd zij gevraagd toe te treden tot het kabinet-Lubbers III, een coalitie van CDA en PvdA. Op 7 november 1989 volgde haar benoeming als minister van Binnenlandse Zaken. Ook nu handhaafde Dales haar eigen stijl. Zij had een hekel aan uiterlijk vertoon en kwam geregeld in aanvaring met in haar ogen te opdringerige journalisten. Kenmerkend was haar optreden na een gesprek met de kabinetsformateurs in het Eerste-Kamergebouw, toen zij zich door de wachtende verslaggevers een weg probeerde te banen: 'Zeg heren, wilt u me bij de auto laten, verdikkeme!' Ook met het parlement was haar relatie soms moeizaam, mede omdat ze niet altijd wenste in te gaan op kritiek. Opmerkingen die haar niet bevielen kregen al snel het predikaat 'onzin', 'belachelijk' of 'flauwekul'. Zij viel nog wel eens in slaap tijdens de ministerraad en was geen grote dossiervreter; ze beperkte zich tot de grote lijnen van het beleid.

Een belangrijk beleidsvoornemen in Dales' portefeuille vormde de zogeheten 'sociale vernieuwing', het op lokaal niveau bestrijden van de groeiende stedelijke problemen als criminaliteit, drugsverslaving, onderwijsachterstanden en werkloosheid. Er kwam weinig van terecht, omdat het kabinet aan de gemeenten minder financiën ter beschikking stelde dan beoogd. De positie van Dales kwam mede daarom in maart 1991 kort ter discussie te staan, toen de PvdA-fractie aandrong op tussentijdse vervanging van ministers die onvoldoende resultaten bereikten. Zij behield echter de steun van partijleider en vice-premier W. Kok. Later dat jaar entameerde Dales een nationaal debat over het minderhedenbeleid, waarbij de nadruk lag op het bestrijden van rassendiscriminatie. Ook aangaande de positie van andere minderheden - waaronder homoseksuelen - legde Dales de nadruk op het non-discriminatiebeginsel. Het werd in 1993 vastgelegd in de door haar met succes verdedigde Wet gelijke behandeling. Samen met de CDA-minister van Justitie E.M.H. Hirsch Ballin loodste zij de nieuwe Politiewet door het parlement, waarmee een einde kwam aan de decennialange competentiestrijd tussen rijks- en gemeentepolitie. Ook werd tijdens haar ministerschap het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds geprivatiseerd en gaf zij in het voorjaar van 1992 de aanzet tot een discussie over een integriteitsbeleid voor het openbaar bestuur.

Over Dales' persoonlijke leven kwam tijdens haar leven weinig naar buiten. Dat deed, volgens haar, ook niet ter zake. Niettemin was het een publiek geheim dat zij sinds haar Rotterdamse jaren een intieme vriendschapsrelatie onderhield met Elizabeth Schmitz, indertijd wethouder van Sociale Zaken in de Maasstad en later burgemeester van Haarlem en staatssecretaris van Justitie. Hoewel Dales in de jaren tachtig lid was van de sectie Sociale Vragen van de Nederlandse Raad van Kerken, hield zij haar geloof op de achtergrond. In 1979 zei ze hierover: 'Er is natuurlijk een verband tussen je overtuiging en je werk, maar ik wil dat niet in detail uitleggen. Dat vind ik niet juist' (Veltman).

De plotselinge dood van Ien Dales als gevolg van een hartaanval, thuis in Utrecht op 10 januari 1994, schokte velen. De brede publieke waardering bleek nog eens uit de grote belangstelling bij haar uitvaart, vier dagen later. Op de herdenking schetste premier Lubbers haar als 'een pronte vrouw, die lastig kon zijn maar ook onvergetelijk trouw aan de publieke dienst. Zij had geuzenbloed in zich. Vrij, maar met inzet. Soms bruusk, maar altijd met toewijding' (Van Meurs, 26).

P: 'Het water was veel te diep…', in Terugblik voor de toekomst. Opstellen aangeboden aan dr. J.M. van Veen ... Onder red. van Klaas van Oosterzee en Herman Zunneberg (Kampen 1986) 87-97.

L: Behalve necrologieën in o.a.: NRC Handelsblad, 10-1-1994, De Gelderlander, 11-1-1994, Trouw, 11-1-1994, de Volkskrant, 11-1-1994, Het Parool, 14-1-1994 en HP/De Tijd, 14-1-1994: Martin van Meurs, Arnhemse verhalen en gebeurtenissen van 1940 tot heden (Utrecht 1998) 25-27; interview door Cees Veltman, in Hervormd Nederland, 1-9-1979; interview door Frénk van der Linden, in De Tijd, 22-1-1982; interview door Hieke Jippes, in NRC Handelsblad, 4-9-1982; interview door Gerard Klaasen, in Tijd & Taak, 25-6-1983; interview door Frank Lafort, in Elseviers Magazine, 7-12-1985; interview door Geke van der Wal, in De Groene Amsterdammer, 13-5-1987; interview door Mick Salet, in De Gelderlander, 24-12-1987; interview door Joop Meijnen, in NRC Handelsblad, 13-5-1989; Algemeen Dagblad, 25-11-1989; De Tijd, 8-12-1989; Vrij Nederland, 9-12-1989; Elsevier, 9-12-1989; NRC Handelsblad, 25-3-1991; HP/De Tijd, 31-1-1992; interview door Marja Vuijsje, in Opzij (dec. 1992); 'Een beetje integer bestaat niet'. Minister Ien Dales: een leven tussen geloof en dienen. Onder red. van Th.H. Dragt [e.a.] ('s-Gravenhage 2004); Marjet Derks, 'Ien Dales', in Jaarboek Numaga 51 (2004) 34-35; Alexander van Kessel, 'Bestuur en politiek in de twintigste eeuw. Van "Monnikendam" tot "Havana" aan de Waal', in Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland. III: Negentiende en twintigste eeuw. Onder red. van Jan Brabers (Wormer 2005) 504-583.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Bogaerts; Collectie ANEFO: Dales in september 1981].

Alexander van Kessel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013