Doorn, Henri Willem van (1915-1992)

 
English | Nederlands

DOORN, Henri Willem van (1915-1992)

DOORN, Henri Willem van, politicus, omroepbestuurder en minister (’s-Gravenhage 6-10-1915 – Amersfoort 12-1-1992). Zoon van Jan Willem Joseph van Doorn, kantoorbediende, later koopman, en Elizabeth Hendrika Maria Derboven. Gehuwd op 17-3-1942 met Cornelia Christina Maria de Jager (1922-2005). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren.

afbeelding van Doorn, Henri Willem van

Harry van Doorn groeide vanaf zijn negende op in Voorburg, als tweede in een rooms-katholiek gezin van zes kinderen. Zijn gymnasiale opleiding kreeg Harry bij de jezuïeten op het Haagse St. Aloysius-College. In 1935 ging hij aan de Rijksuniversiteit te Leiden rechten studeren. In zijn studietijd leerde Van Doorn – op het ijs – zijn latere vrouw, Hans de Jager, kennen. Na het behalen van het doctoraalexamen, op 21 oktober 1940, keerde hij terug naar Voorburg om er in de zaak van zijn vader te gaan werken, die toen in parfumerieartikelen handelde.

In 1942 werd Van Doorn – inmiddels getrouwd – eerst waarnemend ambtenaar bij het Openbaar Ministerie in Rotterdam en later, in januari 1944, gewoon ambtenaar. Hier kreeg hij na de bevrijding de leiding van de Politieke Opsporingsdienst. In 1947 volgde zijn benoeming tot advocaat-fiscaal – eerst gedurende een jaar waarnemend – bij het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag. In 1951 keerde hij terug naar Rotterdam als substituut-officier van Justitie bij de arrondissementsrechtbank. Bij het Openbaar Ministerie ontwikkelde Van Doorn zich tot een scherpzinnige, maar tegelijkertijd eigenzinnige en listige aanklager, die een autoritaire en formele indruk maakte. Aan het beeld van de martiale magistraat, dat heel zijn publieke leven zou kenmerken, gaf zijn zware lage stem extra accent.

Bij de Politieke Opsporingsdienst en als advocaat-fiscaal was Van Doorn betrokken bij vele zaken tegen oorlogsmisdadigers. Hij trad hard en onverbiddelijk op. Vaak eiste hij de doodstraf, die aanvankelijk menige keer werd toegekend, maar later meestal werd omgezet in langdurige gevangenisstraf. Een uitzondering vormde het geval van de beruchte geheim agent en infiltrant Anton van der Waals, wiens executie Van Doorn in januari 1950 persoonlijk bijwoonde.

In Rotterdam werd Van Doorn ook politiek actief voor de Katholieke Volkspartij (KVP), eerst in 1945 als bestuurslid van de kamerkring Rotterdam, in 1951 als voorzitter van de afdeling Hillegersberg en een jaar later als voorzitter van de kamerkring Rotterdam, in welke hoedanigheid hij tevens lid werd van het landelijke partijbestuur. In korte tijd maakte Van Doorn van de slecht functionerende kring een goed draaiend geheel. Zijn bestuurlijk talent bleek ook toen hij in 1951 op het ministerie van Justitie – onder meer bij de afdeling Politie – werd belast met reorganisatiewerkzaamheden.

Op 23 januari 1954 werd Van Doorn voorzitter van de KVP. Vanuit zijn geloof in de heilzaamheid van krachtig leiderschap begon hij een aantal veranderingen in de partijleiding door te voeren, die onder meer de positie van de voorzitter zouden versterken. Bovendien vond hij dat de partij meer moest zijn dan organisator van verkiezingen alleen; als het aan hem lag, zou zij ook de richting voor de praktische politiek moeten gaan aangeven. Op den duur zou dit onvermijdelijk leiden tot een gespannen verhouding met de almachtige fractievoorzitter en politiek leider C.P.M. Romme, die op het standpunt stond dat de fractie zich nooit door de partij de wet mocht laten voorschrijven.

Van Doorn slaagde er al gauw in nieuw elan in de partij te brengen, wat tot uiting kwam in een forse ledenaanwas en groeiend enthousiasme om de KVP te profileren als ‘de grootste Partij in ons goede vaderland’ (geciteerd in: Bornewasser, I, 367). Waar de KVP zich tot dan toe had geëtaleerd als een vooruitstrevende partij, verklaarde hij nu dat de partij zich geen conservatief of progressief etiket moest laten opplakken. Ook zocht hij doelbewust de confrontatie met de Partij van de Arbeid (PvdA), die hij in een antiklerikale hoek wilde drukken en afschilderde als wegbereider van het goddeloze humanisme.

Op 3 juli 1956 kwam Van Doorn in de Tweede Kamer. Bij het Openbaar Ministerie – waar hij tot dan toe parttime werkzaam was gebleven – liet hij zich toen op non-actief stellen. Zijn kandidatuur was doorgedrukt door Romme, met het argument dat de partijvoorzitter zich als lid van de Tweede Kamer optimaal kon informeren over wat er politiek speelde. Voor Romme zelf was een belangrijkere overweging dat hij een voor de zelfstandigheid van de fractie gevaarlijke partijvoorzitter het beste maar in zijn buurt kon hebben. Van Doorn kreeg dan ook een plaats in het groene bankje precies vóór het zijne.

Zolang de partij de fractie niet al te hinderlijk voor de voeten liep, werkten Van Doorn en Romme congeniaal samen. Het ging mis in 1960, toen de partijleiding begon aan te dringen op het vertrek van de KVP-minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Ch.J.M.A. van Rooy, die voor zijn taak niet berekend bleek. Romme vond dat de partij zich met zoiets niet had te bemoeien. Van Doorn dreigde met aftreden als partijvoorzitter, indien er geen voor de partij acceptabele oplossing werd gevonden. In feite draaide de kwestie om de vraag, waar het primaat van de politiek behoorde te liggen: bij de partij of bij de fractie. Doordat Romme kort hierna vrij plotseling de politiek verliet – ernstige ziekte was voor de buitenwacht het argument, maar op de achtergrond speelde de machtsstrijd met Van Doorn ook mee – , was de kwestie voorlopig van de baan.

De kwestie liet ook Van Doorn niet koud. Zijn dualistische opvattingen riepen in de fractie steeds meer weerstand op. Toen de KRO hem in 1961 vroeg voorzitter te worden, aarzelde hij niet. Financieel zou hij erop vooruitgaan, en met het oog op zijn inmiddels grote gezin – tussen 1943 en 1959 werden zes kinderen geboren – maakte dat de overstap er niet moeilijker op. De nieuwe functie zou Van Doorn nog een jaar lang, tot 23 juni 1962, combineren met het voorzitterschap van de partij om haar de tijd te gunnen een opvolger te vinden. Hij verhuisde met zijn gezin naar Baarn, maar bleef lid van de fractie en het partijbestuur; in de Tweede Kamer hield hij zich vooral bezig met justitiële en financiële aangelegenheden en schaarde hij zich in het kamp van diegenen die onder geen beding de commercie tot het omroepbestel wilden toelaten.

Van Doorn, de eerste leek op de voorzittersstoel, begon de KRO onmiddellijk te herstructureren. Met krachtige hand doorbrak hij de bedrijfscultuur van zijn klerikale voorgangers, die de touwtjes stevig in handen hadden gehouden, door de topstructuur te verbreden, de administratie te reorganiseren, een breed samengestelde programma-adviesraad in het leven te roepen en de medewerkers meer ruimte te bieden. Hij beschouwde zichzelf als facile princeps, maar in de praktijk bleef hij een ouderwetse voorzitter, die op autoritaire wijze de beslissingen aan zich hield.

Ingrijpender was de door Van Doorn gestimuleerde verruiming van de statutaire doelstelling. Hierdoor kon het geprononceerde karakter van de KRO als een omroep uitsluitend voor katholieken zich wijzigen in dat van een omroep van katholieken met ruime aandacht voor maatschappelijke ontwikkelingen en de begin jaren zestig naar buiten brekende vernieuwingsbeweging in de katholieke gemeenschap. Onder Van Doorns voorzitterschap profileerde de KRO zich dan ook vooral met informatieve en actualiteitenprogramma’s als Brandpunt en Echo en godsdienstige uitzendingen, waarin bij de behandeling van katholieke zaken gaandeweg een kritische toonzetting de overhand kreeg.

Dat had ook te maken met de komst van veel jonge, goed geschoolde en kritisch ingestelde programmamedewerkers als gevolg van de snelle groei van het nieuwe medium televisie. Zij grepen de kans om geëngageerde journalistiek te bedrijven. Toch schroomde Van Doorn niet programmamakers te kapittelen, als zij de grens van wat hij oorbaar vond overschreden. Geruchtmakend werd het ontslag van sterprogrammamaker Frits van der Poel in 1968, toen Van Doorn erachter kwam dat deze bloot op het scherm wilde brengen. Zijn prestige op de werkvloer kreeg er een flinke knauw door.

Geleidelijk kreeg Van Doorn ook problemen in het bestuur. Velen zagen het rooms-katholieke karakter van de KRO verwateren en bespeurden vooral dienstbaarheid aan politiek links. Door zijn eigen politieke ontwikkeling gaf hij ook zelf daartoe aanleiding. In de zogeheten ‘Nacht van Schmelzer’, in oktober 1966, stemde hij namelijk met drie andere fractiegenoten tegen een motie van de eigen fractieleider, W.N.K. Schmelzer, die voor het confessioneel-socialistische kabinet-Cals reden was om af te treden. De KVP kreeg er in KRO-uitzendingen flink van langs, wat de indruk versterkte dat de KRO anti-KVP aan het worden was en dat die koerswijziging werd gedekt door een KVP-dissidente omroepvoorzitter.

Van Doorn, niet onberoerd gebleven door de maatschappijkritische instelling van vele programmamedewerkers, presenteerde zich nu nadrukkelijk als een KVP-radicaal, voor wie het kerkelijke leergezag allang niet meer richtinggevend was. Vanuit de christelijke inspiratie pleitte hij voor een radicale hervormingspolitiek, die naar zijn mening alleen in samenwerking met de PvdA kon worden uitgevoerd. Toen zijn pogingen een brug te slaan tussen de KVP-radicalen en de partijleiding mislukten, trok Van Doorn de consequenties, en op 28 februari 1968 gaf hij zijn parlementszetel op. Kort nadien sloot hij zich aan bij de toen opgerichte Politieke Partij Radikalen (PPR).

Van Doorns positie bij de KRO werd er niet gemakkelijker op. Zijn overgang naar de PPR lokte felle kritiek uit, maar vanwege zijn bestuurskwaliteiten vond men hem vooralsnog onmisbaar om de toenemende spanningen binnen het bedrijf in goede banen te leiden. Eind jaren zestig verkeerde de KRO namelijk in een identiteitscrisis, waarin Van Doorns critici hem echter aan hun zijde wisten: de voorzitter stond pal voor handhaving van het katholieke karakter van de omroep, en van democratisering van het bedrijf, waarop de medewerkers luid aandrongen, moest hij niet veel hebben.

Op termijn zou Van Doorns positie evenwel onhoudbaar zijn geworden, omdat menig bestuurder hem vanwege zijn politieke profiel graag zag vertrekken en menig medewerker om zijn bestuurlijk functioneren naar hetzelfde uitkeek. Zijn benoeming op 11 mei 1973 tot minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) – zelf had hij liever Justitie gehad – in het links-confessionele kabinet-Den Uyl bracht voor alle betrokkenen uitkomst. Ook als minister toonde Van Doorn zich een bestuurder die niet over zich heen liet lopen, maar tot veel wetgevende arbeid is hij niet gekomen. Wel bracht hij tal van nota’s uit die de aanzet moesten geven tot nieuw beleid. De belangrijkste was zonder meer de medianota uit 1975. Daarin werd uiteengezet hoe door technische en economische ontwikkelingen in de wereld van de media cultuurvervlakking en vermindering van pluriformiteit dreigden. Aangezien juist gevarieerde informatieverstrekking via de media van essentieel belang was voor een goede opinievorming door de staatsburger en dus voor het functioneren van de democratie pleitte de nota voor gerichte overheidssteun aan bedreigde media.

De wijziging van de Omroepwet in 1977 was het directe gevolg van de mislukte poging de vereniging Veronica buiten het bestel te houden, nadat Van Doorn eerder met tegenzin aan de TROS de A-status had moeten verlenen. De minister was een fervent voorstander van handhaving van het bestaande omroepbestel, dat immers borg stond voor kwaliteit en diversiteit en waar de commercie buiten moest blijven. In 1975 benoemde hij onder voorbijgaan van de voordracht en zonder het kabinet te raadplegen het Tweede-Kamerlid voor de PPR E.C.M. Jurgens tot voorzitter van de NOS. Van Doorn werd ondemocratisch handelen en vriendjespolitiek verweten, maar dat liet hem volkomen koud. Hij wenste nu eenmaal in het hart van omroepland een vertrouweling te hebben, op wie hij blind kon varen in de uitvoering van zijn omroepbeleid. Geheel in overeenstemming met zijn pluriformiteitsopvatting werd in 1974 zendtijd verleend aan Symbiose, en ging op 1 januari 1976 de klassieke muziekzender Hilversum 4 van start.

Behalve als minister van CRM liet Van Doorn zich in het kabinet ook gelden als waakhond van de PPR-idealen. In de ministerraad mengde hij zich herhaaldelijk in discussies over onderwerpen die zijn beleidsterrein niet raakten. Het belangrijkste wapenfeit was zijn verzet tegen het afdichten van de Oosterschelde. Door te dreigen met een kabinetscrisis won hij het pleit voor de bouw van een stormstuwcaissondam.

Na bij de verkiezingen van 1977 een grote nederlaag te hebben geleden belandde de PPR in de oppositie. Met het beëindigen van zijn ministerschap op 19 december van dat jaar kwam er een einde aan Van Doorns politieke carrière. Terwijl de PPR de kleinlinkse weg insloeg en de samenwerking met PSP, CPN en groene partijtjes prefereerde, ijverde Van Doorn met enkele geestverwanten nog wel voor een herstel van de progressieve samenwerking tussen PPR, PvdA en D’66, maar hij kreeg geen voet aan de grond. In 1986 zou hij het voor gezien houden en zich aanmelden bij de PvdA.

In de jaren na 1977 kwam Van Doorn af en toe nog in de publiciteit, als hem om een mening werd gevraagd over ontwikkelingen in de omroepwereld. Van 1979 tot 1985 – het jaar van zijn pensionering – was hij plaatsvervangend rechter in de arrondissementsrechtbank in Utrecht. Daarnaast was Van Doorn vanaf 1978 voorzitter van het Nederlands Centrum Buitenlanders en vanaf 1984 voorzitter van de Algemene Reclasseringsvereniging. Ook was hij nog voorzitter van de Centrale Raad van Advies voor het Gevangeniswezen. Hij overleed begin 1992 op 76-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Amersfoort.

Van Doorn was een overtuigd christen, die de rooms-katholieke kerk trouw bleef, maar sinds de jaren zestig – overeenkomstig de teneur binnen katholiek Nederland – moeite had met de hiërarchische structuren binnen de kerk. Bij de KVP begonnen als een behoudend politicus, toonde hij zich in de jaren zestig ontvankelijk voor opvattingen die van een christen een meer radicale instelling vroegen. Dat bracht hem bij de PPR, die hij weer verliet toen deze partij doorsloeg in radicalisme en steeds verder verwijderd raakte van haar christelijke wortels. Politieke tegenstanders noemden hem spottend ‘een zwerver zonder richting’ (Bastianen). Maar Van Doorn is bovenal de bestuurder en organisator geweest die geen last had van de waan van de dag en recht op zijn doel afkoerste. Dat hij met zijn eigenzinnige stijl van optreden en zijn formele voorkomen weinig vrienden maakte, kon hem nauwelijks deren. Maar om zijn bestuurlijke en organisatorische kwaliteiten werd hij ook door zijn vijanden hoog gewaardeerd.

L: Behalve necrologieën o.a. door Frits Groeneveld, in NRC Handelsblad, 13-1-1992, door Elsbeth Kegge in Het Parool, 1-3-1992 en door Kees Bastianen, in de Volkskrant, 14-1-1992: interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 23-3-1974; Rex Brico en Paul Witteman, ‘De rumoerige loopbaan van meester Henry Willem’, in Elsevier, 31-8-1974; Henk Waltmans, Niet bij rood alleen. Vijftien jaar Nederlandse politiek en de geschiedenis van de PPR (Groningen 1983); A.F.Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep (Baarn 1985); J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij 1945-1980 (2 dln.; Nijmegen 1995, 2000). Op 6-1-1985 zond de NOS-televisie de documenta0ire Markant: mr. H.W. van Doorn van Herman van Run uit.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A16232 [Foto: archief KRO; H.W. van Doorn als voorzitter van de KRO].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013