Dudok, Willem Marinus (1884-1974)

 
English | Nederlands

DUDOK, Willem Marinus (1884-1974)

Dudok, Willem Marinus, architect (Amsterdam 6-7-1884 - Hilversum 6-4-1974). Zoon van Johannes Cornelis Dudok, violist, en Cornelia Bertha Holst. Gehuwd op 7-3-1911 met Aletta Maria Smit (1885-1960). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

afbeelding van Dudok, Willem Marinus

In het remonstrantse gezin waarin Willem Dudok opgroeide, speelde muziek een belangrijke rol. Zijn vader was een bekend violist, zijn moeder speelde piano en de vier kinderen kregen als vanzelfsprekend muziekles. Willem, de tweede zoon, had eveneens muzikaal talent en speelde piano. 'Op mijn dertiende jaar kende ik de symfonieën van Beethoven vrijwel uit het hoofd. Mijn gehele leven heeft de muziek grote betekenis voor mij gehad: ik geloof trouwens dat zij voor iedere kunstenaar van waarde is', aldus Dudok op latere leeftijd (autobiografische tekst, 1956). Ook kon Dudok als kind al goed tekenen en kopieerde hij prenten in het Rijksmuseum.

Aanvankelijk koos Dudok echter voor een militaire loopbaan, waarschijnlijk om de mogelijkheden die dit bood een ingenieursopleiding te volgen. Na de lagere school en de eerste drie jaar van de HBS in zijn woonplaats te hebben doorlopen kreeg hij vanaf 1900 een elementaire militaire vorming op de Cadettenschool in Alkmaar. In 1902 begon hij aan de opleiding tot genieofficier aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Tijdens zijn studie voelde hij zich steeds meer aangetrokken tot het vak bouwkunde, dat werd gedoceerd door architect G.N. Itz.

Op 24 juli 1905 verliet Dudok de KMA in de rang van tweede luitenant der Genie. Niet tot zijn genoegen werd hij vervolgens geplaatst bij de telegrafistendienst van het Regiment Genietroepen in Utrecht. In zijn vrije tijd maakte hij ontwerpschetsen, vaak van villa's. Dit vroege werk stond duidelijk onder de invloed van de architect H.P. Berlage, evenals Dudoks eerste uitgevoerde ontwerp, een tehuis voor militairen in Den Helder (1909). In 1910 werd Dudok - sinds november 1907 eerste luitenant - overgeplaatst naar de Staf der Genie, aanvankelijk in Amsterdam, daarna in Uithoorn en ten slotte in Purmerend, waar hij aan de Vesting Amsterdam werkte en ervaring opdeed met betonbouw. In Purmerend leerde hij ook de architect J.J.P. Oud kennen, wat het begin was van een levenslange vriendschap.

In 1911 trouwde hij met Aletta Smit, in wier ouderlijk huis in Delft hij eerder tijdelijk ingekwartierd was geweest. Dudok zei hierover later: 'De muziek speelde ook daarbij een poëtische rol: zij had een heel mooie mezzosopraan en zong Schubert, Schumann, Brahms, Mahler, Strauss ... onsterflijke vrienden, ook nu nog, in ons huis' (autobiografische tekst, 1956). Thuis zou Dudok, in verloren momenten, binnenin en op de achterzijden van muziekpartituren menig architectuurontwerp schetsen.

De bouwkunst trok Dudok intussen steeds meer, en hij zocht naar mogelijkheden om buiten de landmacht als architect werk te vinden. Na een eerste, mislukte sollicitatie in 1911 bij Gemeentewerken in Nijmegen deed hij in 1913 - in de rang van kapitein-ingenieur - een gooi naar de functie van plaatsvervangend directeur van Gemeentewerken in Leiden. Hier werd Dudok aangenomen, omdat hij het technische met het artistieke kon combineren.

In Leiden kreeg Dudok - eervol uit de militaire dienst ontslagen - de eerste opdrachten voor een bouwtype waarmee hij in de loop van zijn leven naam zou maken: het schoolgebouw. Zijn eerste school, de Openbare Lagere School aan de Duivenbodestraat (1913), is nog vrij sober; de tweede, de Gemeentelijke HBS aan de Burggravenlaan (1913), heeft een monumentale hoekpartij en een rijke aankleding. Ook ging hij zich richten op stedenbouwkundige ontwerpen. In 1914 bouwde hij, als particulier architect en samen met Oud, een arbeiderswijkje in Leiderdorp, met veel aandacht voor de visuele eenheid van het ontwerp. Het contact met Oud bleef intensief, en samen ontwierpen zij in Leiden, in de expressieve stijl van de vroege Amsterdamse School, het gebouw van het Leidsch Dagblad (1915).

Dudok bleef zoeken naar een functie die hem meer ruimte zou geven voor zijn artistieke ambities en waarin hij niet meer als ondergeschikte hoefde te werken. Toen in 1915 in Hilversum de functie van directeur van Gemeentewerken vrijkwam, solliciteerde Dudok dan ook. Uit ruim dertig sollicitanten werd hij gekozen, vooral omdat men onder de indruk was van zijn uitgevoerde werk. Dudok werd nu verantwoordelijk voor alle bouwactiviteiten van de groeiende gemeente Hilversum. De eerste opdracht lag al te wachten. Men wilde een nieuw, monumentaal raadhuis bouwen, en Dudok leverde kort na zijn indiensttreding het eerste schetsontwerp voor wat zijn magnum opus zou worden.

De bouw van het raadhuis werd een langdurige affaire. Kritiek op Dudoks functioneren en op zijn ontwerp wisselden elkaar daarbij af. Zo maakte zijn autoritair ingestelde en als rigide omschreven karakter het velen niet makkelijk om met hem samen te werken. Anderzijds ervoer Dudok vaak onbegrip voor zijn ontwerpen en zou hij zich als kunstenaar zijn leven lang belemmerd voelen door allerlei - onontkoombare - democratische en ambtelijke besluitvorming. Vanaf 1915 ontstonden er verschillende ontwerpen voor het raadhuis, aanvankelijk in de stijl van Berlage, later meer in de trant van de Amsterdamse School om ten slotte uit te monden in Dudoks eigen stijl. Deze kenmerkt zich door een spel van ten opzichte van elkaar verspringende volumes, oprijzend uit de omgeving en gedomineerd door een hoge toren. De invloed van het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright is hierin onmiskenbaar.

Oorspronkelijk was het nieuwe raadhuis gedacht voor de Kerkbrink, het centrale plein van Hilversum. Uiteindelijk verrees het monumentale gebouw in een villawijk, waar ruimte was voor omringende tuinaanleg met waterpartij. Deze locatie - huidige naam: Dudokpark - paste weliswaar bij het beeld van Hilversum als tuindorp, maar omdat het raadhuis het centrum visueel niet bepaalde, ontbrak een stedenbouwkundige dimensie. Dudok ontwierp voor het raadhuis een speciale, smalle gele baksteen, die met een schuin aflopende voeg moest worden toegepast om de horizontale lijnen van het gebouw te beklemtonen. Uiteindelijk zou het gebouw pas tussen 1927 en 1931 verrijzen. Het werd over de hele wereld in architectuurtijdschriften besproken en vestigde Dudoks internationale faam.

Een tweede voornemen van de gemeente betrof de herziening van een op dat moment reeds tien jaar oud uitbreidingsplan voor het steeds verder uitdijende dorp Hilversum. Tot ver in de jaren twintig werkte Dudok aan verschillende onderdelen van het plan. Daarbij trachtte hij een evenwicht te bereiken tussen de omringende natuur en de stadsuitbreiding door de natuur gedeeltelijk als groene zones het stedelijk web te laten binnendringen. Een rondweg legde uiteindelijk de buitengrens van de stad vast.

Stedenbouw en architectuur hingen voor Dudok nauw samen: een stad was als een grote woning met vele kamers, een organisch geheel met een logische samenhang tussen de delen. Monumentale gebouwen, al dan niet met een toren als baken, vormden daarin structurerende elementen. De schaal van een plan deed er niet zo toe, of - zoals hij het later zou formuleren - 'Vergeleken bij de grootsche vraagstukken van stedebouwkundige aard is dorpsbouw slechts kamermuziek ... maar ook kamermuziek kan wel orkestraal gedacht zijn' (geciteerd in: Van Bergeijk, 71).

Belangrijk in het Hilversumse uitbreidingsplan waren woningbouwcomplexen, waarvan Dudok er, in verschillende perioden, een groot aantal ontwierp. De woningen waren bescheiden van grootte en uitgevoerd in laagbouw met schuin dak in verband met het landelijke karakter van Hilversum en omdat hij vond dat 'de mens van nature gebonden is aan de aarde' (geciteerd in: Van Bergeijk, 116). De verscheidenheid in bouwvormen was groot, omdat Dudok met verspringende gevels, poortgebouwtjes en pleintjes voortdurend streefde naar een afwisselend, schilderachtig straatbeeld. Elk wijkje kreeg een eigen gezicht, met een algemene voorziening als een badhuis, school of bibliotheek als centraal punt.

In Dudoks ontwerpen uit de beginjaren in Hilversum is de invloed van de Amsterdamse School vaak nog aanwezig, zoals bij de Geraniumschool (1916), en bij het ingangsgebouw van het Gemeentelijk Sportpark (1918). Een ontwikkeling naar een plastische, blokvormige opbouw, vrijwel zonder ornament, zoals bij het raadhuis, is te vinden bij de Rembrandtschool (1919). Dat Dudok afstand nam van het expressionisme werd wellicht bespoedigd door het feit dat hij in 1918 door de Hilversumse pers ervan was beschuldigd slechts de architecten van de Amsterdamse School te plagiëren. Hoe het ook zij, rond 1920 had Dudok zijn eigen, als kubisme te omschrijven, idioom ontwikkeld. Belangrijk hierin is beweging; het plastisch effect van volumes en ruimtes wordt pas goed ervaren door de beweging van de beschouwer zelf.

De scholen die Dudok ontwierp waren belangrijk voor hem, en hij leidde gasten er altijd graag in rond. Hij bracht er de didactische opvatting van de school als eigen kinderwereld in tot uiting. Daarin is het gebouw aangepast aan de maat en leefwereld van kinderen, onder andere door lage vensterbanken en stimulerend kleurgebruik. Daarnaast was de plaats en de beeldwerking van het schoolgebouw voor Dudok belangrijk. Zijn scholen torenden vaak boven de omliggende bebouwing uit, kregen stedenbouwkundig gezien een spilfunctie in een wijk en hadden alleen al door hun weloverwogen vormgeving een pedagogische en culturele functie. De school, 'dit bij uitstek humane soort van bouwwerk', moest voor het kind 'een genegen plaats in zijn leven' zijn ('Scholenbouw en de gezondheid van het kind', in Bouw 2 (1948) 341-342). Dudok gaf elke school een eigen gezicht, soms meer traditioneel, met schuin dak, zoals de Oranjeschool (1921) of de Multatulischool (1928), dan weer moderner, met een plat dak, zoals de Bavinckschool (1921) of de Snelliusschool (1930), met een halfronde, glazen uitbouw.

Naast het werk voor de gemeente Hilversum had Dudok ook particuliere opdrachten. Bij het columbarium voor crematorium 'Westerveld' (1925) in het Noord-Hollandse Driehuis creëerde hij een plechtige ruimtewerking, optimaal gebruikmakend van het uitzicht over de duinen. In 1926 verrees Dudoks eigen woonhuis in Hilversum aan de Utrechtseweg 71, zoals vele van zijn villa's in landelijke stijl met kubistische ondertoon. Bij het Nederlandse studentenhuis in de Cité universitaire in Parijs (1927-1939) greep hij terug op de taal van het Hilversumse raadhuis, met een compacter maar minder elegant resultaat. Tussen 1928 en 1930 ontstond een van de hoogtepunten in Dudoks oeuvre, het warenhuis 'De Bijenkorf' in Rotterdam, grote-stadsarchitectuur, met zijn glazen gevelwanden in stijl meer aansluitend bij het strenge functionalisme dan Dudoks overige werk. Het gebouw zou gedeeltelijk worden verwoest bij het Duitse bombardement van mei 1940 en werd in 1957 afgebroken.

In 1928 werd Dudok aangesteld als gemeentearchitect van Hilversum, een nieuwgecreëerde functie. Nu hij - ongetwijfeld tot zijn opluchting - niet langer leiding hoefde te geven aan de afdeling Gemeentewerken, kon hij zich vrijwel uitsluitend met ontwerpen en bouwen bezighouden. Na de voltooiing van het raadhuis in 1931 kreeg Dudok weer tijd voor andere opdrachten. Zo ontwierp hij het Monument op de Afsluitdijk (1933), een uitzichttoren met een bijna barokke dynamiek. In 1935-1936 maakte Dudok een reis naar Brits-Indië, waar hij in Calcutta een bioscoopcomplex ontwierp, een reis die hem de gelegenheid bood tijdelijk te ontsnappen aan 'de beklemdheid van ons vaderlandsche bouwkunstig leven' (geciteerd in: Van Bergeijk, 239).

Tijdens de Duitse bezetting bleef Dudok in dienst van de gemeente Hilversum en werkte hij gewoon door. In 1941 vond de opening plaats van de door Dudok al vóór de bezetting ontworpen Stadsschouwburg in Utrecht. Dit gebouw werd in 1943 met medewerking van Dudok besproken in het Duitse architectuurvakblad Moderne Bauformen (42 (1943) nr. 2, 41-56), hoewel de stijl volkomen 'onvolks' was. In 1946 moest Dudok zich voor deze publicatie verantwoorden voor De Ereraad voor de Architectuur en de Toegepaste Kunst, maar men oordeelde dat hem geen blaam trof.

Na de oorlog werd Dudok gevraagd voor het Wederopbouw- en uitbreidingsplan van Den Haag (1945-1951). Hij maakte een gedetailleerd stedenbouwkundig plan, waarin ook de gezichtsbepalende gebouwen waren uitgewerkt. Een groep Haagse architecten verzette zich tegen deze prominente rol voor Dudok en wenste meer inspraak. Dudok - zoals altijd overtuigd van de juistheid van zijn artistieke opvattingen - uitte zich later op karakteristieke wijze over wat voor hem de kern van het probleem was: 'Ik verbaas mij altijd over het gebrek aan psychologisch inzicht van een democratie, die in commissies gelooft voor culturele of artistieke beoordeling' ('Redelijkheid van het monumentale in de moderne stedebouw en architectuur', in Bouw 5 (1951) 362).

In de jaren na de bevrijding werd Dudoks stijl vlakker. Een van de grootste opdrachten in deze periode was het hoofdkantoor van Hoogovens in IJmuiden (1947), met een grote, transparante toegangspoort van staal en glas en slanke kolommen. In 1953 ontwierp Dudok een standaardkiosk voor de Esso-benzinestations, waarbij de materialen beton, staal en glas zorgden voor een modieuze, lichte constructie. Tussen 1953 en 1967 werden er meer dan honderd van gebouwd. Hoewel hij in Nederland in de vergetelheid begon te raken, bleef Dudoks internationale roem groot. In 1953 maakte hij een bijna drie maanden durende rondreis door de Verenigde Staten, waar hij verscheidene lezingen gaf en Frank Lloyd Wright ontmoette.

In 1954 ging de gemeentearchitect van Hilversum op zeventigjarige leeftijd met pensioen. Wel bleef hij hierna in verschillende plaatsen voor een projectontwikkelaar woningbouwcomplexen ontwerpen, maar het typische Dudok-idioom was verdwenen. In 1974 overleed Dudok, op 89-jarige leeftijd, in Hilversum. Hij werd begraven op de door hemzelf in 1927 ontworpen Noorderbegraafplaats, onder een eveneens door hemzelf ontworpen grafsteen.

Willem Dudok was geen gemakkelijk mens in de omgang; zijn onbuigzame karakter leidde vaak tot onbegrip. Hij was een architect en kunstenaar in de klassieke traditie, voor wie het begrip 'kunst' belangrijk was. Toch beschouwde hij zichzelf als een zakelijk architect, maar 'zakelijkheid alleen acht ik niet voldoende, als daar geen eigen karakter en expressieve vormwaarde bij komt' (autobiografische tekst, 1956). Dudok zocht altijd naar een harmonisch en gevoelsmatig evenwicht tussen expressie en functionaliteit. In dat licht moet ook het belang van de muziek als inspiratiebron voor Dudok worden gezocht, als een intuïtief verband, gebaseerd op begrippen als harmonie, ritme en contrapunt. Binnen de architectuurwereld was hij een eenling, die zich niet bij een of andere stroming wenste aan te sluiten. Hij creëerde een eigen idioom, dat echter nooit hetzelfde, maar wel voortdurend van hoog niveau was. Het raadhuis van Hilversum is zijn beroemdste gebouw; de stad Hilversum zijn levenswerk.

A: Archief-W.M. Dudok in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam (hierin o.a. autobiografische tekst uit 1956 (inv.nr. d 91)).

P: 'Catalogus van werken' [met archiefverwijzingen] en 'Publikaties van W.M. Dudok' in de onder L genoemde publicatie van Van Bergeijk, 125-327 en 328-330.

L: Max Cramer, Hans van Grieken en Heleen Pronk, W.M. Dudok, 1884-1974 (Amsterdam 1981); Herman van Bergeijk, Willem Marinus Dudok. Architect-stedebouwkundige, 1884-1974 (Naarden 1995), hierin: 'Publikaties over W.M. Dudok' [t/m 1994], 331-338; Herman van Bergeijk, W. M. Dudok (Rotterdam 2001); Max Cramer, Dudok. Werken in Hilversum (Hilversum 2004) [cdrom]; Sophie van Ginneken, Dudok. Een bouwmeester in beeld (Rijswijk 2005).

I: Vitrine (febr. 1994) 21.

Han Timmer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013