Eeghen, Isabella Henriette van (1913-1996)

 
English | Nederlands

EEGHEN, Isabella Henriette van (1913-1996)

EEGHEN, Isabella Henriette van, archivaris en historica (Amsterdam 3-2-1913 - Amsterdam 26-11-1996). Dochter van Christiaan Pieter van Eeghen, bankier, en Henriëtte Heldring.

afbeelding van EEGHEN, Isabella Henriette van Isa van Eeghen groeide op als het vierde van zes kinderen in een vooraanstaand doopsgezind bankiersgezin. Haar vader was tot 1924 firmant van het koopmanshuis Van Eeghen en Co. en daarna directeur van de Nederlandsch-Indische Handelsbank; haar moeder was afkomstig uit een bekende Réveilfamilie. Isa groeide op in een statig pand in 'de bocht' van de Amsterdamse Herengracht. De familie was rijk, maar eenvoud stond in alles voorop. Later verklaarde zij dat ze van haar vader in haar jeugd weinig had gemerkt en dat haar moeder pas moeder was geworden toen zij grootmoeder werd (Van Kasbergen). De zorg voor de kinderen Van Eeghen lag voornamelijk in handen van een kinderjuffrouw.

Isa was een wat gesloten kind dat graag las, maar omdat een van haar oudere zusters was mislukt op het lyceum en zijzelf niet goed kon spellen, stuurden haar ouders haar, na de lagere school (Cornelis Vrij School), naar de Middelbare Meisjes School (MMS). Dit tot groot verdriet van Isa, die als kind al in de ban was van het verleden en later wilde gaan studeren. Daarom besloot zij na de MMS staatsexamen gymnasium-A te doen. Toen zij dat in 1931 had gehaald, ging ze geschiedenis studeren aan de Universiteit van Amsterdam.

Nadat Van Eegehen in 1937 haar doctoraal had gehaald, zette zij zich aan het schrijven van een proefschrift over de vrouwenkloosters van Amsterdam. Haar leermeester en promotor was Hajo Brugmans. Na diens dood in 1939 nam Jan Romein de begeleiding over. De pogingen van deze theoreticus en generalist om zijn promovenda tot het schetsen van wat bredere lijnen over te halen waren vergeefs. Op 9 december 1941 promoveerde zij op de zeer archivalische studie Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam van de 14e tot het eind der 16e eeuw. Vooral vanwege de rijkdom aan gegevens werd het zeer goed ontvangen, ook al was er kritiek op de vorm.

Na haar promotie volgde mejuffrouw Van Eeghen - zoals zij zich haar gehele leven consequent zou laten noemen - de archiefopleiding, en in het kader daarvan inventariseerde zij het archief van de Waalse gemeente van Amsterdam. Zij deed dat als volontair, want een baan aan het Amsterdamse Gemeentearchief was er niet. In 1943 behaalde zij haar diploma, maar nog steeds had het archief haar als archivaris geen baan te bieden. Zij wilde echter niet weg, en omdat er wel een administratieve functie vacant was, begon mejuffrouw Van Eeghen haar loopbaan aan het Gemeentearchief in 1944 als administrateur. Drie jaar later, in 1947, werd zij alsnog aangesteld als chartermeester, nadat zij had gedreigd met een vertrek naar het archief van Maastricht.

Op 32-jarige leeftijd verliet mejuffrouw Van Eeghen het ouderlijk huis. Zij verhuisde naar de Prinsengracht, waar zij kamers betrok in een huis met vijf andere dames. Vrijwel dagelijks bleef zij echter bij haar ouders thuis de maaltijd gebruiken. Aan een huwelijk is zij, naar eigen zeggen, nooit toegekomen. Met de conservatief-liberale politicus en historisch publicist Harm van Riel was zij zeer bevriend, maar er was geen sprake van een liefdesrelatie: 'Ik had daar nooit zoveel behoefte aan. Als je vroeger trouwde werd je door de gemeente meteen ontslagen, en het werk neerleggen was voor mij ondenkbaar' (Van Kasbergen).

Van 1951 tot haar pensioen in 1978 was mejuffrouw Van Eeghen als adjunct-archivaris werkzaam bij het Amsterdamse archief. Hogerop wilde zij niet komen, want dan zouden 'administratieve bisbilles' - een uitdrukking van Van Riel - haar maar afleiden van haar wetenschappelijke werk. Heel bewust is zij dus haar leven lang 'adjunct' gebleven, met alle vrijheden die dat gaf.

In 1946 trad mejuffrouw Van Eeghen als eerste vrouw toe tot het bestuur van het Genootschap Amstelodamum, en tot 1967 bleef zij het enige vrouwelijke bestuurslid. Van 1950 tot 1984 was zij ook redacteur van zowel Amstelodamum. Maandblad voor de kennis van Amsterdam als het Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum. In deze twee typisch Amsterdamse periodieken vond zij het forum om te publiceren. Toen er ter gelegenheid van haar afscheid een vriendenbundel van het Jaarboek werd gemaakt, kon zij dan ook niet begrijpen dat ze daaraan zelf geen bijdrage mocht leveren: zij schreef er immers ieder jaar in! En natuurlijk kreeg zij haar zin. Zo droeg zij met het artikel 'Dertig jaar archiefonderzoek, Casanova-Symons-Hooft' (70 (1978) 263-277) bij aan haar eigen liber amicorum. Uit haar hierin opgenomen bibliografie blijkt dat zij toen al meer dan zeshonderd zelfstandige publicaties van zeer diverse omvang op haar naam had staan - waaronder vele inventarissen en bronnenpublicaties - en verder meer dan 250 boekbesprekingen.

Na haar pensionering in 1978 volgden nog vele publicaties, want mejuffrouw Van Eeghen is letterlijk tot aan haar dood blijven schrijven. De onderwerpen waarover zij als 'Mej. I.H. van Eeghen' - bij kortere publicaties kortweg: 'I.H.v.E.' - schreef, liepen erg uiteen. Zij publiceerde onder andere over kloosters, familiearchieven, dienstmeisjes, kunstenaars, gilden, kerken, gelovigen, drukkers en boekhandelaars, dichters, kranten, handel, huizen, ambachten, moorden, waaiers, schilderijen, tekeningen, prenten, hofjes, kinderen, vrouwen, dagboeken; kortom, over alles wat het verleden aan stof te bieden had. Wel beperkte mejuffrouw Van Eeghen zich altijd tot de geschiedenis van de hoofdstad. Het moet bij deze ras-Amsterdamse een combinatie zijn geweest van liefde voor de stad en een pragmatisch besef dat een mens nu eenmaal niet alles kan. Toch blijkt uit haar lange lijst met boekbesprekingen dat haar belangstelling zich wel degelijk ook uitstrekte tot de geschiedenis buiten Amsterdam. Zij hield haar vak heel goed bij.

Het sterkste was mejuffrouw Van Eeghen in haar rol van detective, en zij was zich daarvan zelf ten zeerste bewust. Terecht is zij daarom wel de 'Miss Marple van de Amsterdamse geschiedschrijving' genoemd (De Baar,155). De breedheid van haar werkterrein is deels te verklaren uit haar grote bereidheid vragen te beantwoorden die haar als archivaris werden voorgelegd. Zij zocht de zaak dan tot de bodem uit en publiceerde haar bevindingen. Deels is die diversiteit ook het gevolg van haar associërende manier van werken: via het ene onderzoek rolde zij vanzelf in het andere. Zij kon daaraan geen weerstand bieden, want als haar nieuwsgierigheid eenmaal was gewekt, moest en zou deze worden bevredigd. Met haar werk heeft mejuffrouw Van Eeghen voor lange tijd richting gegeven aan het onderzoek naar de geschiedenis van Amsterdam in brede zin: boekhistorisch, kunsthistorisch, letterkundig, sociaal-economisch. Een voorbeeld daarvan is De Amsterdamse boekhandel, 1680-1725, een monnikenwerk dat zij in vijf delen (in zes banden) tussen 1960 en 1978 heeft gepubliceerd en dat een ware Fundgrube is voor de Europese boekgeschiedenis. Van groot belang voor het sociaal-economisch onderzoek - zij het bescheiden van omvang - is haar deeltje in de zogeheten Fibulareeks over De gilden. Theorie en praktijk (1965). Het door haar ontdekte en in 1959-1960 uitgegeven Dagboek van broeder Wouter Jacobsz. (Gualtherus Jacobi Masius), prior van Stein, die tussen 1572 en 1578 als vluchteling in het Spaansgezinde Amsterdam zat, heeft het beeld van de eerste jaren van de Opstand enorm verrijkt.

Mejuffrouw Van Eeghen was degene die ervoor heeft gezorgd dat het Gemeentearchief in 1960 de unieke collectie negatieven van fotograaf Jacob Olie (1834-1905) aankocht, waarmee zij de Amsterdammers een onvolprezen venster op hun stad in de tweede helft van de 19de eeuw bezorgde. Ook was het mejuffrouw Van Eeghen die met haar archivalische speurwerk de kunsthistorici op het spoor van exacte dateringen bracht. Het beroemdste voorbeeld hiervan is haar artikel 'Elsje Christiaens en de kunsthistorici' (in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 56 (1969) 73-78). Hierin toont zij aan dat de Rembrandtkenners een tekening van een opgehangen vrouw ten onrechte omstreeks 1655 dateerden. Zij achterhaalde dat het hier moest gaan om een Deens dienstmeisje dat wegens moord ter dood was veroordeeld. Op grond van deze bevinding kon zij de tekening vervolgens exact dateren op 1 mei 1664. Het moet voor haar als een ware triomf hebben gevoeld, want het simpele handwerk in het archief had gewonnen van de ongrijpbare kunsthistorische 'stijlkritiek'.

Mejuffrouw Van Eeghen was ook een verzamelaarster. Zij zette de Amsterdamse prenten- en tekeningenverzameling van haar vader voort. Het is een van de weinige historisch-topografische atlassen die integraal in stand zijn gebleven; het Gemeentearchief heeft haar in bewaring. Zelf legde zij een bijzonder rijke collectie waaiers aan, die zij naliet aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Toen in 1983 een groot aantal (138) tekeningen uit het dagboek van de door haarzelf ontdekte 19de-eeuwse tekenaar Christiaan Andriessen op een veiling opdook, financierde zij persoonlijk de aankoop ervan voor het Gemeentearchief.

In haar ijver was mejuffrouw Van Eeghen ongedisciplineerd: alleen als zij sliep was zij niet aan het werk. Ook na haar pensionering bleef zij dagelijks op het archief komen, totdat dit niet meer ging. In de laatste fase van haar leven kreeg zij last van diabetes en raakte zij wat verward. Zij was in die tijd geïntrigeerd geraakt door de mystiek in het werk van de 17de-eeuwse dichter en graveur Jan Luyken. Haar artikelen over hem werden op het laatst zo onbegrijpelijk dat de redactie van het Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum besloot de Luyken-serie te staken. 'Jullie vermoorden me!', heeft zij bij die gelegenheid uitgeroepen, maar uiteindelijk legde ze zich erbij neer (De Baar, 165). Haar laatste stuk over Jan Luyken verscheen in 1993. Op het laatst kwam mejuffrouw Van Eeghen nog maar nauwelijk uit de keuken van haar huis aan de Prinsengracht - daar werkte zij het prettigst aan een keukentafeltje, tussen de potten en de pannen. Zij stierf eind 1996 op 83-jarige leeftijd aan een hersenbloeding.

De betekenis van mejuffrouw Van Eeghen voor de geschiedschrijving van Amsterdam is moeilijk te overschatten. Voor haar werk ontving zij onder meer de Bucheliusprijs (1958), de Menno Herzbergerprijs (1965), de Zilveren Penning van de stad Amsterdam (1971) en de Zilveren Museummedaille van de stad Amsterdam (1988). Haar stijl was vaak verrassend persoonlijk. Zo opende zij haar publicaties nogal eens met een verwijzing naar gesprekken met anderen die haar op het spoor hadden gebracht. Zij beschreef graag haar zoektochten, ontdekkingen en verrassingen, en verwerkte rustig haar jeugdherinneringen en persoonlijke belevenissen in haar artikelen. Aan de vorm van haar publicaties heeft Van Eeghen nooit veel aandacht willen besteden. Uiterlijkheden - ook wat haar eigen voorkomen betreft - vond zij nu eenmaal volstrekt oninteressant. In dit opzicht heeft zij zichzelf tekort gedaan: haar werk zou sterk aan zeggingskracht hebben gewonnen wanneer zij wat meer zorg had besteed aan de presentatie van haar onderzoeksresultaten. Veel van haar uitermate waardevolle kennis van het verleden is nu moeilijk te traceren, omdat deze schuilgaan achter een overdaad van details. Nieuwsgierigheid en vooral 'human interest' vormden haar drijfveer, en met dat laatste was Isa van Eeghen haar tijd vaak ver vooruit. Zij besteedde aandacht aan kinderen, vrouwen, huwelijk, criminaliteit en egodocumenten, lang voordat historici zich daarin specialiseerden.

A: Persdocumentatie betreffende I.H. van Eeghen in het Stadsarchief Amsterdam. Videoband van een interview door Mieke van Kasbergen met I.H. van Eeghen (nov. 1985) in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging te Amsterdam.

P: M.B. Lohmann-de Roever, 'Bibliografie van de geschriften van dr. Isabella Henriëtte van Eeghen [tot en met 1978]', in Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 70 (1978) 409-453. Een overzicht van Van Eeghens boekhistorische publicaties verscheen als bijlage bij de onder L genoemde publicatie van Lankhorst, pp. 198-200.

L: Behalve necrologieën o.a. door Otto S. Lankhorst, in De Boekenwereld 13 (1996/1997) 192-200, door Peter Paul de Baar, in Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18 (1998) 155-166, door Marius van Melle, in Ons Amsterdam 50 (1998) 301-305 en door Wilhelmina Chr. Pieterse, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1997-1998 (Leiden 1999) 103-107: H. van Riel, 'Dr. Isabella Henriëtte van Eeghen, persoon en wetenschappelijke betekenis', in Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 70 (1978) 9-16; interview door Mieke van Kasbergen, in de Volkskrant, 27-9-1986. Op 31 december 1987 zond de NOS in het radioprogramma Een leven lang een interview uit door Michel Simons met Isabella van Eeghen. Op 8 mei 1988 zond de VPRO in het televisieprogramma Van Dis in de IJsbreker een interview uit door Adriaan van Dis met Isabella van Eeghen.

I: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 70 (1978) 8 [Foto: W.M. Alberts].

Els Kloek


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013