Ellis, Abraham George (1846-1916)

ELLIS, Abraham George (1846-1916)

Ellis, Abraham George, marineofficier en minister (Paramaribo 26-8-1846 - Amsterdam 29-11-1916). Zoon van Johannes Ellis, hoofdambtenaar in Suriname, en Maria Louisa de Hart. Gehuwd op 13-6-1889 met Elisabeth Maria Anna Binkes (1861-1943). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Ellis, Abraham George

Abraham Ellis was een typisch Surinaamse 'moksiwatra' ('mengwater'), dat is een gemengd bloedige. Zijn vader Johannes was een zoon van de Nederlandse gouverneur in Elmina op de Goudkust en een zwarte Ghanese. Zijn moeder Maria Louisa werd in 1826 als slavin in Suriname geboren uit de samenleving van een in oorsprong Amsterdamse joodse koopman met een mulattin. Deze mulattin was in 1827 door de koopman vrijgekocht uit de slavernij, waarna hij haar tien kinderen - onder wie Abrahams moeder - erkende als de zijne. In 1845 trouwde Maria Louisa met de veertien jaar oudere Johannes Ellis. Zij behoorden toen beiden tot welgestelde families, een weinig talrijke groep in Paramaribo.

In 1860 verliet Abraham met zijn ouders en vier jongere zusters Suriname. Vader Ellis had inmiddels voldoende kapitaal vergaard om zich op 48-jarige leeftijd als rentenier aan de Amsterdamse Herengracht te kunnen vestigen. Zijn zoon koos - naar het voorbeeld van een oom - voor een loopbaan bij de marine. Vanaf 1860 volgde hij de adelborstenopleiding te Willemsoord, die hij 1 september 1864 in de rang van adelborst der eerste klasse voltooide.

Nog datzelfde jaar vertrok Ellis naar Nederlands-Indië, waar zich toentertijd het grootste deel van de Nederlandse vloot bevond. Twee jaar later voer hij mee naar China en Japan. Na in 1867 tot luitenant-ter-zee der tweede klasse te zijn bevorderd keerde hij het jaar daarop terug naar Nederland. Hier was hij werkzaam bij de pas opgerichte Marine-Torpedodienst. Samen met zijn collega J.H. Beucker Andreae publiceerde hij hun Bijdrage tot de kennis van de torpedo's of watermijnen (1872). In 1873 ging Ellis opnieuw naar de Oost om aan de blokkade van en de expeditie naar Atjeh deel te nemen. Van 1875 tot 1878 werd hij op het bureau Materieel van het departement der Marine in Batavia geplaatst.

Na terugkeer in Nederland werd Ellis in 1879 bevorderd tot luitenant-ter-zee der eerste klasse en aangewezen tot adjudant van de kapitein-ter-zee J.W. Binkes. Onder diens leiding maakte hij tot augustus 1881 oefentochten met een divisie van vier schepen over de Noord-Atlantische Oceaan en de Caribische Zee, en vervolgens over de Middellandse Zee. Aansluitend werd Ellis benoemd tot commandant van de schoener 'Argus', waarmee hij op de Noordzee patrouilleerde. Weer aan wal volgde in februari 1884 zijn aanstelling tot adjudant van de minister van Marine. Deze functie vervulde hij tot april 1885. Hij vertrok toen naar Indië om er opnieuw adjudant te worden van J.W. Binkes, inmiddels schout-bij-nacht en Commandant van de Zeemacht aldaar. Tot 1888 zou Ellis hier blijven, tussendoor een jaar lang het commando voerend over Hr.Ms. 'Java'. Met deze kruiser leidde hij in 1887 onder andere een belangrijke expeditie naar Nieuw-Guinea, om de noordelijke en zuidwestelijke kusten van dit eiland in kaart te brengen.

Nadat Ellis in 1889 was teruggekeerd in Nederland, trad hij nog hetzelfde jaar in het huwelijk met Binkes' enige dochter. In dat jaar kreeg hij een aanstelling op de afdeling Personeel van het departement van Marine in Den Haag. In 1891 werd Ellis bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee en ontving hij eerst het commando over een monitor - een zwaar gepantserd kustverdedigingsvaartuig - en daarna over een torpedo-logementschip. In 1893 vertrok hij voor een jaar naar Indië. Terug in Den Haag was Ellis eerst van 1894 tot 1895 inspecteur van de Marine-Torpedodienst om, na zijn bevordering tot kapitein-ter-zee in 1895, chef van de afdeling Personeel op het departement te worden. Eind 1897 ging Ellis weer de actieve dienst in. In Vlissingen hield hij toezicht op de afbouw van het ultramoderne pantserdekschip Hr.Ms. 'Zeeland', waarover hij op 1 juni 1898 het bevel aanvaardde.

In 1901 kreeg Ellis het commando over de Hr.Ms. 'Utrecht'. Met dit pantserdekschip vertrok hij vervolgens naar het Caribisch gebied om er het commando op zich te nemen van de Zeemacht in de West. Daarmee werd hem een delicate en moeilijke taak toebedeeld, omdat de verhouding tussen Venezuela en Nederland met betrekking tot Curaçao al tientallen jaren bijzonder slecht was. Door het aan de macht komen van de wispelturige Cipriano Castro als president van Venezuela in 1899 was de situatie in dit gebied nog verder verslechterd. Naar willekeur werden er schepen van Europese landen in beslag genomen, Nederlandse onderdanen zonder vorm van proces gevangengezet, schulden niet betaald enzovoort. Meermalen dreigde er oorlog. Na aankomst in de West besloot Ellis in april 1902 met twee oorlogsbodems een beleefdheidsbezoek te brengen aan president Castro. Terwijl deze schepen op schootsafstand in de haven van Caracas voor anker lagen, wist hij in vloeiend Spaans Castro op grond van de 'harmonie tussen twee bevriende naties' ertoe te bewegen de 'menselijke fouten' en ongelukkige incidenten uit het verleden te redresseren. Ellis handelde bij dit alles op grond van een vrij globale opdracht van de Nederlandse regering. Het was gunboat-diplomacy in optima forma.

Bij terugkeer in Nederland wachtte Ellis begin juni 1902 een bevordering tot schout-bij-nacht. Hij werd benoemd tot directeur-commandant der Marine te Willemsoord, een functie die ook de bevelvoering over de landmachteenheden in de Stelling Den Helder omvatte. Ellis nam er scherpe maatregelen tegen de in 1897 opgerichte sociaal-democratische Matrozenbond, die met succes in Den Helder ageerde. Hij verbood het lezen van het bondsorgaan Het Anker en stelde de bestuursleden van de bond - voor zover zij nog in dienst waren - aansprakelijk voor de inhoud van het blad. Artikelen in Het Anker hekelden de lage salarissen, de erbarmelijke arbeidsomstandigheden op de vloot, de slechte en karige voeding, de gebrekkige pensioenregelingen enzovoort. Veel begrip voor het streven naar lotsverbetering van de matrozen bleken Ellis en de marinestaf niet te hebben. Bestuursleden werden gestraft, vastgezet en overgeplaatst wegens ondermijning van het gezag en de krijgstucht. Hielp dat niet, dan werden zij ontslagen. De harde hand van Ellis leidde tot radicalisering van de bond.

Tijdens dit conflict overleed in december 1902 de ziekelijke minister van Marine G. Kruys. Toen begin 1903 de onrust rond de spoorstaking losbarstte en het 'rode gevaar' dreigde, was de kordate 'socialistenvreter' Ellis - hoewel partijloos - voor de voorzitter van de ministerraad Abraham Kuyper de aangewezen man om de marine te beteugelen. Op 16 maart 1903 nam hij zijn taak op het departement op zich. Zijn aanvaarding van het hoge ambt moet voor zijn inmiddels 77-jarige moeder - geboren in slavernij en sinds 1896 woonachtig in Den Haag - een aangrijpende gebeurtenis zijn geweest.

Ellis pakte het 'rode gevaar' hard aan. Alle bestuurders van de Matrozenbond werden ontslagen, Het Anker werd verboden en hij ontnam de bond rechtspersoonlijkheid. Als reactie op deze vergaande maatregelen formeerde de Matrozenbond een geheim hoofdbestuur, het ledental steeg van 61 procent van de matrozen in 1903 naar 72 procent in 1905, en er ontstonden naast deze bond bovendien een mariniersbond, een stokersbond en een onderofficierenbond. Ellis' aanpak leek dus averechts te werken.

Als minister heeft Ellis de afbouw van drie pantserschepen, waarvan de kiel tijdens het bewind van zijn voorganger was gelegd, krachtig bevorderd. Van doortastendheid getuigde ook zijn steun aan de bouw van de eerste Nederlandse onderzeeboot. Toen de Tweede Kamer hiervoor geen geld beschikbaar wilde stellen, nam scheepswerf 'De Schelde' in Vlissingen het initiatief om voor eigen rekening en risico een onderzeeboot te bouwen. Ellis stelde daarop een marineofficier ter beschikking om de bouw te begeleiden.

Van het ontwikkelen van een visie op de toekomst van de Nederlandse marine bleek bij Ellis echter weinig, hoewel die dringend gewenst was in verband met de snelle technologische ontwikkelingen, de opkomst van Japan als grote mogendheid en de groeiende spanningen tussen Europese grootmachten. Hieraan is hij in zijn kortstondige ministeriële loopbaan niet toegekomen, mede doordat hij al zijn energie leek te steken in de nutteloze strijd tegen de vakbonden en de sociaal-democraten. Vooral wegens de toenemende Japanse dreiging in Aziatische wateren werd zijn voorstel om het departement van Marine in Batavia op te heffen in parlement en pers fel bestreden.

Na de ontslagname van de zwakke minister R. Melvil baron van Lynden was Ellis van 9 maart tot 22 april 1905 minister van Buitenlandse Zaken ad interim. In die functie loste hij de zaak-Van Heeckeren op door deze lastige diplomaat, die - tot ergernis van onder anderen koningin Wilhelmina - meer in Den Haag verbleef dan in zijn standplaats Stockholm, een hoge onderscheiding te doen verlenen en hem via Kuyper een zetel in de Eerste Kamer te bezorgen. Het was een in die dagen geruchtmakende affaire.

Zijn collega-minister A.W.F. Idenburg typeerde Ellis als 'een levendig, warmbloedig zeeman, die geen goed spreker was, maar door zijn vaste kennis van de marine en door zijn flinkheid een goede positie in de kamer had'. Medio 1905 was er even sprake van dat Ellis zich - op verzoek van bevriende marineofficieren - kandidaat zou stellen voor de Tweede Kamer in het district Den Helder. Koningin Wilhelmina was daar echter tegen, want de vloot 'kent geene partijen'. Mede wegens hartklachten trok Ellis zich daarop terug. Hij werd ervoor beloond. Op 17 augustus 1905 - twee dagen na zijn aftreden als minister - werd hij adjudant in buitengewone dienst van Hare Majesteit. Sinds juni 1904 vice-admiraal zag hij zich door toenemende hartklachten gedwongen per 1 december 1905 ontslag te nemen uit de zeedienst. Diezelfde maand bleek Ellis bereid de vereniging 'Onze Vloot' mee te helpen oprichten. Tot 1913 bleef hij voorzitter van deze vereniging, die zonder politieke actie het belang van de marine onder de aandacht wilde brengen; het blad Onze Vloot redigeerde hij van 1908 tot 1912.

Koningin Wilhelmina had veel vertrouwen in Ellis. Nog in 1907 achtte zij hem de aangewezen man om kabinetsformateur Th. Heemskerk voor te lichten over vlootzaken. Aan de andere kant kon Wilhelmina erg kritisch zijn, bijvoorbeeld toen bleek dat Ellis zich in 1912 tot commissaris had laten benoemen bij de Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij, een - ondanks de naam - Amerikaanse onderneming, die de 'nationale' Koninklijke Shell beconcurreerde. De Koningin vond dit een 'pijnlijke zaak', waard om Ellis erover terecht te wijzen.

Abraham Ellis overleed als gevolg van een hartaanval tijdens een bestuursvergadering in november 1916 van de Koloniale Rubber Maatschappij in Amsterdam. Ellis was een man die het marinebedrijf met hart en ziel was toegedaan. In zijn kortstondig ministerschap heeft hij weinig succes gekend, omdat hij zich te veel concentreerde op het 'rode gevaar'. Hij was de eerste en enige Nederlandse minister, die, als kleurling geboren in Suriname, zoon was van een in slavernij geboren moeder.

A: Briefwisseling A.G. Ellis - A. Kuyper in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

P: De in de tekst genoemde publicatie.

L: Behalve necrologieën o.a. in De Hollandsche Revue 21 (1916) 741- 744, in Marineblad 31 (1916/1917) 553-556 en in Onze Vloot 10 (1917) 1, 1-7: J.C. Mollema, Geschiedenis van Nederland ter zee I (Amsterdam 1939); Briefwisseling Kuyper - Idenburg. Uitgeg. door J. de Bruijn en G. Puchinger (Franeker 1985); W. Scholten, 'De Savornin Lohman in zijn relatie tot H.M. Koningin Wilhelmina', in Jhr.mr. A.F. de Savornin Lohman. Onder red. van W.F. de Gaay Fortman (Kampen 1987) 36-60; De kroon op het anker. 175 jaar Koninklijke Marine. Onder red. van G.J.A. Raven (Amsterdam 1988); C. Fasseur, Wilhelmina. I: De jonge koningin (Amsterdam 1998); Anselm J. van der Peet, Belangen en prestige. Nederlandse gunboat diplomacy omstreeks 1900 (Amsterdam 1999); Jean Jacques Vrij, 'Nederlandse minister van Surinaamse komaf: Abraham George Ellis (1846-1916)', in WiRutu 1 (juli 2001) 6-15; idem, 'Meer over minister Ellis', in WiRutu 2 (juli 2002) 49-55. Een carrièreoverzicht in: Gedenkboek honderd jarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord, 1854-1954. Samengest. door P.S. van 't Haaff en M.J.C. Klaassen (Bussum [1954]) 74.

I: De Hollandsche Revue 21 (1916) 743.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013