Everts, Johannes (1882-1954)

 
English | Nederlands

EVERTS, Johannes (1882-1954)

Everts, Johannes, sociaal hervormer en bestuurder (Utrecht 18-10-1882 - Amsterdam 5-2-1954). Zoon van Allard Gerrit Anton Everts, chef van exploitatie bij de spoorwegen, en Bregtje van der Veen. Gehuwd op 4-7-1913 met Pauline Cecile Joséphe Siepman van den Berg (1884-1939). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (20-1-1928) gehuwd op 1-2-1928 met Sophia Francisca Petronella Palstra (1893-1987). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Everts, Johannes

Hans Everts groeide, samen met drie broers en een zuster, op in Utrecht als oudste zoon van een hoge functionaris bij de spoorwegen. Zijn vader was maatschappelijk geslaagd en wilde dat ook zijn zoons carrière zouden maken. Deze nadruk op welstand en aanzien sprak Hans echter minder aan. Hij trok meer naar zijn moeder, een spirituele vrouw uit een gegoede Friese familie, die van gedichten hield. Met haar had hij een bijzonder goede verstandhouding. Beide ouders waren doopsgezind, en hoewel Hans zich nooit als lid van deze kerk zou laten dopen, vormde het vrijzinnige, doperse gedachtegoed het fundament waarop hij zijn eigen leven zou bouwen.

Reeds als scholier op het Utrechtse Stedelijk Gymnasium uitte zich Everts' belangstelling voor de sociaal zwakkeren in frequente bezoeken aan kindertehuizen en het pas opgerichte Wilhelmina Kinderziekenhuis in zijn woonplaats. Na het eindexamen in 1901 ging hij rechten studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. De studie verliep vlot, zodat er - behalve voor dispuutactiviteit en sociëteitsvertier binnen het Utrechtsche Studenten-Corps - voldoende tijd overbleef voor het lidmaatschap van de plaatselijke Vereeniging tot Verbetering van Armenzorg. Deze in 1890 opgerichte particuliere vereniging wilde het systeem van armenzorg veranderen door de situatie van de hulpbehoevenden via een intensieve begeleiding te verbeteren. Huisbezoeken en adviezen maakten een belangrijk deel uit van deze 'verheffing'. De jonge rechtenstudent kreeg meteen twee gezinnen toegewezen en moest zelf beoordelen of steunaanvragen gehonoreerd moesten worden. Na op 20 maart 1906 het doctoraalexamen te hebben behaald vervulde Everts in 1906/1907 zijn dienstplicht als onderofficier bij een infanterieregiment.

Op 10 juli 1908 promoveerde Everts cum laude bij professor J. de Louter op het proefschrift De verhouding van Kerk en Staat in het bijzonder ten aanzien der armverzorging. Met zijn dissertatie schaarde hij zich in de rij van pleitbezorgers van reorganisatie en verbetering van de armenzorg. Door het falen van de kerkelijke en particuliere armenbesturen achtte Everts een nieuwe armenwet noodzakelijk. Staatsarmenzorg wees hij af, maar de overheid moest wel leiding geven en zo nodig corrigeren. Hoewel hij zich met dit standpunt in het toenmalige politieke debat schaarde aan de zijde van de sociaal-liberalen, is Everts nooit lid geworden van een politieke partij.

Na zijn promotie koos Everts voor een baan waarin hij een bijdrage zou kunnen leveren aan de verbetering van de charitatieve zorg in Nederland. Op 1 november 1908 trad hij als juridisch adviseur in dienst bij de Centrale Werkgevers Risico Bank in Amsterdam, een commercieel bedrijf dat de Ongevallenwet van 1901 uitvoerde voor werkgevers die de Rijksverzekeringsbank liever links lieten liggen. Drie jaar later werd hij bevorderd tot secretaris van deze inmiddels bij de Coöperatieve Vereeniging 'Centaal Beheer' ondergebrachte verzekeraar. Na in 1909 van Utrecht naar Amsterdam te zijn verhuisd trouwde hij in 1913 met Pauline Siepman van den Berg, een telg uit een welgestelde familie uit de hoofdstad. Vóór en na zijn huwelijk was Everts actief in de jeugdbeweging, wat zich uitstekend liet combineren met zijn liefde voor de natuur en de wandelsport. In 1910 behoorde hij in Amsterdam tot de oprichters van Troep 1, de eerste padvindersgroep in Nederland, en van 1910 tot 1916 was hij voorzitter van de Nederlandsche Padvinders-Organisatie Amsterdam.

Eveneens in zijn vrije tijd was Everts betrokken bij de oprichting, eind april 1908, van de Nederlandsche Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid (NVAW), een neutrale, landelijke instelling die openstond voor organisaties van alle gezindten. Voor de NVAW schreef Everts in 1909 een preadvies over de Inrichting en werkkring van plaatselijke armenraden. Hij zag deze door het Rijk gefinancierde, maar verder autonome locale instellingen als het beste middel om het werk van charitatieve instellingen beter te coördineren. Toen het gemeentebestuur van Amsterdam overging tot de oprichting van een Armenraad, werd Everts - na ontslag te hebben genomen bij Centraal Beheer - op 5 mei 1913 benoemd tot eerste secretaris.

In deze jaren werkte Everts zijn denkbeelden over de functie van een armenraad verder uit. Naar zijn mening diende deze in de eerste plaats een coördinerende taak te hebben. Dat wilde zeggen dat de plaatselijke charitatieve instellingen moesten worden overreed toe te treden tot de Armenraad, waarin zij dienden te gaan samenwerken. Daarnaast had de raad een inventariserende en registrerende taak: het bureau van een armenraad moest een centraal register aanleggen van hulpverzoekenden en diende informatie te verzamelen over ter plaatse werkzame charitatieve instellingen. Een goede armenraad diende ook belendende maatschappelijke uitwassen aan te pakken, zoals woeker en de commerciële exploitatie van weldadigheid. Door Everts' inspanningen groeide de Amsterdamse Armenraad uit tot de grootste in het land. In 1939 waren hierbij 206 instellingen aangesloten. Ook gaf de raad vanaf 1919 een eigen maandblad uit: Maatschappelijk Hulpbetoon, vanaf 1922 De Schakelgenaamd.

Binnen het sociaal-charitatief werk in Nederland had Everts geleidelijk het vaandel overgenomen van het moegestreden hervormerstrio jhr. H. Smissaert, H.J. de Dompierre de Chaufepié en J.F.L. Blankenberg. Dit drietal had in 1899 - nog vóór de oprichting van de NVAW - voor het eerst een Gids der Nederlandsche weldadigheiduitgegeven met systematisch gerangschikte gegevens over charitatieve instellingen. In 1919 publiceerde Everts een nieuwe, geactualiseerde Gids voor armenzorg en maatschappelijken steun in Nederland, waarvan in 1933, 1940 en 1954 eveneens door Everts herziene edities het licht zouden zien.

In 1919 werd Everts tevens hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbescherming. Nadat dit blad eind 1920 door gebrek aan geldmiddelen niet langer kon verschijnen, wist hij het - in de functie van bezoldigd redacteur-secretaris, naast zijn andere betrekkingen - in 1922 als een tweewekelijkse uitgave van de NVAW nieuw leven in te blazen onder de naam Tijdschrift voor Armwezen, Maatschappelijke Hulp en Kinderbescherming. Zelf had hij het woord 'armwezen' met zijn uitgesproken negatieve context liever niet in de titel gezien, maar de tijd was hiervoor nog niet rijp.

Terwijl Everts bezig was de Armenraad op te bouwen en gegevens voor de Gids te verzamelen, ondervond hij in zijn privé-leven ernstige tegenslagen. Kort na de geboorte van hun derde kind, eind december 1918, raakte zijn vrouw zodanig in psychische problemen dat opname in een psychiatrische kliniek onontkoombaar bleek. De behandelende artsen beoordeelden de ziekte als ongeneeslijk. Dit alles zou ten slotte, begin 1928, tot echtscheiding leiden. Het is in dit verband veelzeggend dat Everts, op zoek naar een geschikt ex libris voor zichzelf, koos voor de afbeelding van een zonnewijzer met het opschrift 'Umbra docet': 'De schaduw leert (ons)'. Een maand na de echtscheiding trad Everts in het huwelijk met Sophia Palstra, de elf jaar jongere dochter van twee officieren van het Leger des Heils.

Ondanks deze problemen ontplooide Everts in de jaren twintig op organisatorisch terrein een indrukwekkend aantal activiteiten. In 1921 bracht hij een groot aantal Amsterdamse instellingen die zich het lot aantrokken van ongehuwde moeders en hun kinderen, samen in de Unie van Vereenigingen ten behoeve van Ongehuwde Moeders (UVOM). Op dezelfde wijze kwam in 1924 door zijn toedoen de Federatie van Instellingen voor Kinderbescherming te Amsterdam (FIKA) tot stand. Op nationaal niveau nam Everts het initiatief tot de oprichting in 1922 van de Vereeniging 'Pro Senectute', die tehuizen voor bejaarden exploiteerde. In 1925 richtte hij het Centraal Archief en Inlichtingenbureau inzake Maatschappelijk Hulpbetoon voor Nederland op. Dit bureau legde een gegevensbestand van charitatieve instellingen aan met als doel misbruik en bedrog te bestrijden en - door middel van een landelijk collecteplan - te voorkomen dat instellingen elkaar met hun geldinzamelingen voor de voeten zouden lopen. Everts' tweede echtgenote was van 1930 tot 1948 directrice van het Centraal Archief en Inlichtingenbureau.

Bij deze organisatorische activiteiten ging Everts veelal op dezelfde wijze te werk. Hij nam het initiatief, benaderde iemand om als voorzitter te fungeren en nam zelf de rol van secretaris op zich. Wanneer de zaak na enkele jaren levensvatbaar bleek, trok hij zich terug om weer iets nieuws op te richten. Naast alle vergaderingen en gesprekken hield Everts nog tijd over voor een lange reeks van publicaties, preadviezen en lezingen en een docentschap aan de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam.

Everts besefte terdege dat de liberaal-confessionele kabinetten uit het Interbellum niet bereid waren richting en steun te geven aan de particuliere armenzorg op een wijze zoals hem voor ogen stond. Hij betreurde het dat de betekenis van het privé-initiatief steeds geringer werd en dat de gemeentelijke overheden de armenzorg steeds meer naar zich toe trokken. Niettemin wist Everts de bestaande bestuurlijke activiteiten beter op elkaar af te stemmen, ordening aan te brengen in de veelheid aan organisaties en deze tot samenwerking te brengen.

Herhaaldelijk sprak en schreef Everts over de noodzaak van een verbeterde - of liever: een geheel nieuwe - armenwet. Zware kritiek had hij op gemeenten die hun wettelijk verankerde autonomie misbruikten door niets voor de hulpbehoevenden te doen. Ook in dit opzicht bleven desillusies Everts niet bespaard. Een in 1929 tot stand gekomen wijziging van de Armenwet kwam niet aan zijn wensen tegemoet. De bezuinigingen van de jaren dertig zouden het vurig door hem bepleite plan om te komen tot een zich over het gehele land uitstrekkend net van regionale armenraden uiteindelijk onmogelijk maken.

Tijdens de bezetting kreeg Everts als bestuurder te maken met het streven van de Duitse autoriteiten de charitatieve zorg onder te brengen in een nationaal-socialistische Nederlandsche Volksdienst. Met het oog hierop werd in juni 1943 het bestuur van de NVAW afgezet en werden alle bezittingen bij deze Volksdienst ondergebracht. Kort voordat dit gebeurde, had het bestuur een commissie gevraagd advies uit te brengen over een nieuwe opzet van de maatschappelijke zorg na de bezetting. Everts maakte deel uit van deze commissie en bood onmiddellijk aan een oriënterend rapport te schrijven, maar wegens persoonlijke omstandigheden kwam dit rapport niet af.

Tijdens de Duitse bezetting spande Everts zich in om kindertehuizen van voedsel te voorzien. De Armenraad bleef in deze jaren min of meer normaal functioneren. Twee joodse meisjes die bij hem in huis waren ondergedoken, werden echter na verraad opgepakt en door een misverstand weggevoerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Everts zelf ontsnapte weliswaar aan arrestatie, maar dit drama greep hem hevig aan, waardoor hij geen kans zag om het toegezegde rapport te voltooien.

In augustus 1945 publiceerde Everts 'De toekomstige organisatie der openbare maatschappelijke zorg' in het tijdschrift Economisch-Statistische Berichten(30 (1945) 63-65). Hierin ontvouwde hij zijn al tijdens de bezettingsjaren ontwikkelde visie op een betere organisatiestructuur van het maatschappelijk hulpbetoon. Ook nu weer verwachtte hij veel van een actieve rol van de overheid, die het particulier initiatief in goede banen moest leiden. Direct na de bevrijding richtte Everts in Amsterdam een afdeling van Nederlands Volksherstel op. Deze organisatie - met daarin veel leden van het verzet - wilde de verzorging van oorlogsslachtoffers coördineren, maar ook de oude structuren van de charitatieve organisaties doorbreken Tevens werd Everts redacteur van het tweewekelijkse Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk, dat in 1947 de plaats innam van het Tijdschrift voor Armwezen, Maatschappelijke Hulp en Kinderbescherming, dat in 1942 was opgehouden te verschijnen.

Op 31 december 1947 ging Everts na 34 jaar met pensioen als secretaris van wat inmiddels de Sociale Raad van Amsterdam was gaan heten. Mede omdat zijn gezondheid niet meer zo goed was, trok hij zich daarna terug uit het openbare leven en verdiepte hij zich nog meer dan vroeger in geestelijke stromingen. Veel steun putte hij uit de geschriften van de Amerikaanse zendeling E. Stanley Jones. Uit diens Abundant living(1946) schreef hij passages over in zijn zakagenda om er iedere dag inspiratie aan te kunnen ontlenen. Na een ernstige ziekte overleed hij in zijn Amsterdamse woning op 71-jarige leeftijd.

Reeds in 1904 had de student Hans Everts in zijn dagboek genoteerd: ''t Is me duidelijk geworden dat mijne werkkring op zich zelf moetliggen in mijn liefhebberij. (_) Ik wil werkzaam zijn op het groote gebied der liefdadigheid. Ik wil in mijn betrekking later het dagelijksche gevoel hebben van anderen te kunnen helpen, van goed te kunnen doen' (Bartholomée en Bijsterveld, 72). Everts zou de daad bij het woord voegen. Hij werd de idealist die van zijn roeping zijn beroep maakte en die dankzij zijn werkkracht, kennis van zaken, doorzettingsvermogen, organisatietalent en sociale vaardigheden vooral in het Interbellum zou uitgroeien tot de centrale figuur in het sociaal-charitatieve werk in Nederland.

A: Het familiearchief-Everts (met daarin enige dagboeken van J. Everts) is in particulier bezit. Persdocumentatie betreffende J. Everts in het Stadsarchief Amsterdam.

P: Bibliografie van J. Everts - zonder de tientallen artikelen in het Tijdschrift voor Armenzorg en Kinderbeschermingen het Tijdschrift voor Armwezen, Maatschappelijke Hulp en Kinderbescherming, 1909-1942 - in de onder L genoemde doctoraalscriptie van Bartholomée, 72-75. Beknopte bibliografie van de belangrijkste publicaties van J. Everts in het onder L genoemde artikel van Bartholomée en Bijsterveld, 81-82.

L: Behalve herdenkingsartikelen in o.a. Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk8 (1954) 55-61: H.P. Cloeck, 'Mr. J Everts als pionier op het gebied van het maatschappelijk werk', ibidem2 (1948) 17-18; Yvette Bartholomée, Voor de goede orde. Een dubbelportret van mr. Johannes Everts en Johannes Everts jr., organisator van maatschappelijk werk - schrijver van verhalen [Ongepubliceerde afstudeerscriptie Cultuur- en Wetenschapsstudies Universiteit Maastricht, 1999]; Yvette Bartholomée en Karin Bijsterveld, 'Voor de goede orde. Mr. J. Everts (1882-1954) en de samenwerking binnen het maatschappelijk werk', in Honderd jaar sociale arbeid. Portretten en praktijken uit de geschiedenis van het maatschappelijk werk. Onder red. van Berteke Waaldijk [e.a.] (Assen 1999) 70- 82.

I: Foto uit privé-bezit [Everts omstreeks 1930. Foto: N.V. Ver. Fotobureaux Amsterdam].

A.C.M. Kappelhof


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013