Fock, Gerardus Hubertus Galenus (1859-1935)

 
English | Nederlands

FOCK, Gerardus Hubertus Galenus (1859-1935)

Fock, Gerardus Hubertus Galenus (door naamstoevoeging bij KB d.d. 10-12-1863, nr. 73 gewijzigd in Von Brucken Fock), componist en schilder (Koudekerke 28-12-1859 - Heemstede 15-8-1935). Zoon van Henri Dignus Fock (door naamstoevoeging bij KB d.d. 10-12-1863, nr. 73 gewijzigd in Von Brucken Fock), ambtenaar, en Johanna Caland. Gehuwd op 19-10-1885 met jkvr. Maria Johanna Pompe van Meerdervoort (1864-1960). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Fock, Gerardus Hubertus Galenus

Gerard ('Geert') von Brucken Fock werd geboren op de fraaie, aan de rand van Middelburg gelegen buitenplaats 'Ter Hooge', waar hij de zomers van zijn vroege jeugd doorbracht. Hij had drie broers, van wie ook Emile - hoewel deze een militaire loopbaan verkoos - later bekendheid als componist zou verwerven. Graag trok Gerard zich als 'eenzaamheidsfanatiker' terug in de natuur, waartoe de omgeving van 'Ter Hooge' alle gelegenheid bood. Hoewel het liberaal georiënteerde, Nederlands-hervormde milieu waarin hij opgroeide daartoe geen aanleiding vormde, zou een zeker fanatisme hem later ook op het gebied van geloofszaken niet vreemd zijn.

Zoals zijn geboortehuis doet vermoeden, waren de ouders van Von Brucken Fock van aanzienlijke komaf en zeer gefortuneerd. Voor zijn levensonderhoud heeft hij nooit hoeven werken, waarin hij zich onderscheidde van de 'gemiddelde' kunstenaar uit zijn tijd. Aangezien Von Brucken Fock - naar eigen zeggen - in de ogen van zijn ouders 'ongezeggelijk en koppig' was, heel anders dan zijn broers, die 'vlijtig en gehoorzaam' waren (Dozy-de Stoppelaar, 11), werd hij in 1871 op een kostschool in Kampen geplaatst. Onderweg daarheen logeerden zijn ouders met hem en zijn broer Emile in het Amstelhotel in Amsterdam. Hier vond een voorval plaats dat van grote, blijvende invloed op Von Brucken Focks zelfbeeld is geweest. Toen hij daar op een piano in de salon enkele stukjes uit het hoofd speelde, complimenteerde een dame zijn vader hiermee. Die antwoordde echter dat dit spel nog niets was vergeleken bij dat van zijn zoon Emile. Deze uitspraak bleef - naar eigen zeggen - als een angel in het hart van de elfjarige Gerard zitten: zijn leven lang voelde hij zich achtergesteld bij anderen.

Na twee jaar kostschool keerde Von Brucken Fock in 1873 terug naar Zeeland. Vervolgens bezocht hij de HBS te Middelburg, maar doubleerde tweemaal, en ging toen van school. De muziek was in deze jaren steeds belangrijker voor hem geworden; componeren en tekenen wonnen het van het maken van huiswerk. In 1877 deed hij een poging om op de Koninklijke Militaire Academie in Breda te komen, 'maar zakte natuurlijk als een baksteen' (ibidem, 14), zoals hij het in zijn 'Levensherinneringen' schreef: 'Nu zou ik dus tot de muziek overgaan, nadat de heerlijkheid om met een sabel te pronken me ontgaan was' (ibidem).

Over zijn eerste composities - liederen en pianowerken - was Von Brucken Fock niet tevreden. Daarom nam hij compositielessen bij Richard Hol in Utrecht, die hem tussen 1877 en 1879 de beginselen van de harmonieleer bijbracht. In zijn Utrechtse tijd kreeg hij tevens pianolessen van T.L. van der Wurff, speelde altviool in ensembles en onderhield contacten met vooraanstaande musici uit het Utrechtsch Orkest, met wie hij in Middelburg concerteerde. Von Brucken Fock schreef in deze periode veel pianomuziek, waarvan sommige stukken onder 'opus 29' werden uitgegeven.

Von Brucken Fock besloot verder te studeren bij de bekende pedagoog en componist Friedrich Kiel in Berlijn, waar hij in september 1879 aankwam. Vervolgens studeerde hij compositie bij Woldemar Bargiel. De pianostukken uit deze tijd verschenen als 'opus 1' in druk. Op deze Berlijnse periode volgden vanaf 1883 rusteloze omzwervingen, tijdens welke Von Brucken Fock zich - componerend en tekenend - onder meer ophield in Amsterdam, Dresden, Praag, Wenen en op het Duitse waddeneiland Borkum. In 1885 keerde hij terug naar Middelburg. Zijn huwelijk met jkvr. Marie Pompe van Meerdervoort, de dochter van een Zeeuws Tweede-Kamerlid, vond in hetzelfde jaar plaats. 's Zomers verbleef het paar in een huisje te Domburg, waar Von Brucken Fock tekende, aquarelleerde en componeerde. Graag vertoefde hij ook op het buiten 'Eversdijk' op Zuid-Beveland, waar zijn schoonouders gingen wonen.

Na een verblijf in Parijs woonde het echtpaar van 1888 tot 1891 in Amsterdam. Von Brucken Fock schreef hier, onder de titel 'Muziek in de Hoofdstad', kritieken voor De Amsterdammer, die hem echter vanwege zijn vaak onbarmhartige oordeel niet door iedereen in dank werden afgenomen. Hij was er een tijdlang directeur van het remonstrantse zangkoor; daarnaast componeerde hij veel. Voortdurend heen en weer geslingerd tussen kunst en kerk, tussen de ideeën van Henrik Ibsen en Leo Tolstoj, vond Von Brucken Fock geen rust. Zijn echtgenote omschreef het later zo: 'Toen begon Geert's twijfel aan de kunst. Ook rentenieren werd hem zonde. Je moest je brood met je handen verdienen. Die gedachten werkten door, Tolstoï aan de financiële kant, Ibsen in ons liefdeleven' (Dozy-de Stoppelaar, 25).

Overeenkomstig de opvatting van Ibsen dat in ieder huwelijk de liefde noodzakelijkerwijs zou afnemen, ging het echtpaar - paradoxaal genoeg juist om de liefde te redden - uit elkaar. Het beviel Von Brucken Fock echter slecht om op zichzelf in Utrecht op kamers te wonen, zodat hij al snel naar zijn vrouw terugkeerde. Ook de denkbeelden van Tolstoj wist hij niet in de praktijk te brengen. Geïnspireerd door diens verhalen vatte hij het plan op, zelf zijn geld te 'verdienen' als pianodocent in Leipzig. Hij gaf de bankier die zijn geldzaken behartigde opdracht alles te verkopen, waarna het echtpaar afreisde naar Duitsland. Dit avontuur uit 1891 draaide al spoedig uit op een mislukking.

In de veronderstelling nagenoeg straatarm te zijn keerde het echtpaar terug naar Middelburg. Daar bleek de verkoopopdracht niet te zijn uitgevoerd, zodat Von Brucken Fock nog steeds rentenier was. Verschillende malen heeft hij nog geprobeerd ieder materieel bezit te ontvluchten, maar ook in de immateriële schoonheid vond hij het geluk niet. Hij probeerde het een paar dagen als landarbeider op de hofstede van een oom van zijn echtgenote nabij Kruiningen, maar bij een eerste poging de zeis aan te zetten sneed hij zich al in de vingers. Tijdens een verblijf in Parijs werd hij heilsoldaat, waarin zijn vrouw hem, na veel strijd, volgde. Van 1892 tot 1895 trokken zij, evangeliserend op straat, met een draagbaar orgeltje heel Frankrijk en Zwitserland door. In deze periode schreef en harmonieerde hij slechts liederen voor het Leger des Heils.

In 1895 nam Von Brucken Fock zijn tijdelijke demissie uit het Leger des Heils, pakte de draad van het componeren weer op en componeerde in 1898 De mond van de Gironde, later uitgegeven als Impromptu le Gironde (opus 12/1) voor piano. Het is slechts één van zijn vele werken die zijn geïnspireerd door de natuur. Zelf zag Von Brucken Fock het als een pendant van een drie jaar eerder geschreven compositie met de titel Laag water aan de Schelde. Zijn schilderijen, tekeningen en aquarellen behelzen dezelfde thematiek: landschappen, de duinen en de zee, zoals moge blijken uit titels als Domburg badstrand (1886) en Een rustige Westerschelde (1890).

Von Brucken Fock verliet Frankrijk en vestigde zich samen met zijn vrouw opnieuw in Amsterdam, waar hij - behoudens enkele korte onderbrekingen - tot 1904 bleef wonen. Bij hem bleef een hang naar evangeliseren. Enige malen verruilde hij het Leger des Heils voor de Vrije Evangelische Gemeente, en in 1898 wilde hij een 'Halleluja-bond' oprichten 'in de geest van het Heilsleger, maar zonder de militaire dictatuur' (ibidem, 35). Maar het bleef bij wat rondlopen met een sjerp om, waarop stond: 'Komt tot Jezus'. In muzikaal opzicht waren het productieve jaren voor Von Brucken Fock. Hij componeerde veel, onder meer zijn Kerstcantate (1900) en de Paascantate (1901). Tijdens een kort verblijf op Walcheren werd hij geïnspireerd tot het schrijven van zijn 24 Préludes voor piano (1900/1901), naar het voorbeeld van Frédéric Chopin.

Van 1904 tot 1912 woonden Von Brucken Fock en zijn vrouw in Aerdenhout, in 1905/1906 onderbroken door een verblijf in Berlijn. Na in 1912/1913 in Parijs te hebben gewoond en vervolgens in Laren, verhuisde het echtpaar in 1917 naar Katwijk aan Zee. In Laren schreef hij een boek over het naderend Koninkrijk Gods op aarde, dat hij aan een geïnteresseerde uitgever zond. 'Toen werd mijn vrouw ziek en kwam de angst in mij op dat ik - door mijn totaal van het actuele afgekeerde wezen - de oorzaak van haar dood worden kon' (Dozy-de Stoppelaar, 42). Von Brucken Fock vroeg het manuscript terug, 'want ik bleek zelf niet uit te leven, wat ik daarin als Christendom beschreef' (ibidem).

De Middelburgse muziekuitgever Anthony Noske benaderde hem kort hierop om hulp bij het pousseren van zijn werk, maar Von Brucken Fock beleefde op dat moment een van zijn vele 'anti-kunstperiodes'. Het antwoord dat hij Noske in april 1918 gaf, was veelzeggend: hij deelde mee met de kunst te hebben gebroken, omdat hij daarin een antichristelijke macht was gaan zien, die slechts leidde tot hoogmoed, eerzucht en jaloezie. Nauwelijks een maand later schreef hij echter dat een ziekte van zijn vrouw hem de ogen had geopend en had doen besluiten tot zijn vroegere opvattingen en leefwijze terug te keren. In 1920 verhuisde hij naar Heemstede, waar hij tot zijn dood bleef wonen.

In deze laatste periode van zijn leven gaf Von Brucken Fock enkele kerkconcerten. Daarnaast musiceerde en tekende hij hoofdzakelijk voor zichzelf, vluchtend voor het gezelschap van anderen. Ook werkte hij opnieuw aan zijn oratorium De wederkomst van Christus, dat hij omstreeks 1905 had gecomponeerd. In 1921 bracht hij er wijzigingen in aan, en in 1934 ontstond een nieuwe bewerking. Over dit thema woonde hij ook enkele conferenties bij. Vele malen wendde Von Brucken Fock zich nog tijdens 'anti-kunstperioden' - zoals hij ze zelf noemde - af van de kunst, en evenzovele malen kwam hij van die overwegingen terug. Kort voor zijn overlijden op 75-jarige leeftijd voltooide hij zijn Requiem, een meesterwerk, waarmee hij al in 1888 was begonnen en dat hij in 1933 afsloot. Bij de succesrijke première, een jaar later, kon hij wegens zijn verzwakte gezondheid niet meer aanwezig zijn.

Gerard von Brucken Fock heeft een aanzienlijk oeuvre nagelaten, als componist èn beeldend kunstenaar. Als toonkunstenaar schiep hij een groot aantal werken voor een ruim aantal bezettingen, waaruit invloed blijkt van, onder anderen, Frédéric Chopin, Edvard Grieg, Johannes Brahms en Franz Liszt. Vele daarvan zijn tijdens zijn leven uitgevoerd. Zijn composities voor piano verraden grote affiniteit met het instrument, en veel van zijn orkestwerken zijn impressionistisch van karakter. Als componist van liederen behoorde hij - met Daniël de Lange en Alphons Diepenbrock - tot de eersten in Nederland die Franse liederen schreven. Het belangrijkste deel van Von Brucken Focks oeuvre als beeldend kunstenaar kwam tot stand tussen 1910 en 1920. In zijn schilderijen en tekeningen liet hij zich ten dele door dezelfde onderwerpen inspireren als in zijn composities: landschappen en de zee. Zijn werk sluit aan bij de Haagse School, maar vertoont verschillende stijlinvloeden, waaronder het impressionisme overheerst.

A: Archief Stichting G.H.G. von Brucken Fock Fonds in de Zeeuwse Bibliotheek te Middelburg (o.a. het manuscript van de 'Levensherinneringen'); archief-Von Brucken Fock in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage; persdocumentatie betreffende G.H.G. von Brucken Fock bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te 's-Gravenhage.

P: H.I.C. Dozy-de Stoppelaar, G.H.G. von Brucken Fock. Een mens van twee werelden, 1859-1935 (Zeist 1959) bevat: 'Uit de Levensherinneringen' (7- 46) en andere autobiografische aantekeningen (51-69), 'Composities van G.H.G. von Brucken Fock' (70-73) en 'Overzicht van de schilderijen, tekeningen en aquarellen van G.H.G. von Brucken Fock' (74-78).

L: Wouter Paap, 'Gerard H.G. von Brucken Fock. Componist en schilder', in Mens en Melodie8 (1953) 75-79; Elbert van Zoeren, De muziekuitgeverij A.A. Noske (1896-1926). Een bijdrage tot dertig jaar Nederlandse muziekgeschiedenis (Haarlemmerliede 1987) 87-89, 158-161; A.J.A. ten Bruggencate, Een leven voor de kunst. G.H.G. von Brucken Fock (1859-1935) [Zeeuwse Katernen 4] (Middelburg 1989); Anna ten Bruggencate, Gerard von Brucken Fock. Een selectie [Zeeuwse Katernen 11] (Middelburg 1995); Albert Clement, 'Gerardus Hubertus Galenus von Brucken Fock (1859- 1935) - de musicus', in Zeeland. Tijdschrift van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 4 (1995) 86-90; G.H.G. von Brucken Fock, 5 moments musicaux. Op. 11; 12 Klavierstukken Op. 27/1, 3, 7, 8. Onder red. van Albert Clement [Exempla Musica Zelandica III] (Middelburg 1995); Ernst Jan Rozendaal, 'Von Brucken Fock, schilder-componist', in Proviciale Zeeuwse Courant, 1-9-1995; lemma door Jan ten Bokum, in Het Honderd Componisten Boek. Nederlandse muziek van Albicastro tot Zweers. Onder red. van Pay-Uun Hiu en Jolande van der Klis (Haarlem [etc.] 1997) 89- 91; Marianne Boer, 24 Préludes van Von Brucken Fock en Chopin [Ongepubliceerde doctoraalscriptie, Opleiding Muziekwetenschap Universiteit Utrecht, 2001]; lemma door Albert Clement, 'Gerard(us Hubertus Galenus) von Brucken Fock', in The New Grove Dictionary of Music and Musicians(2de dr.; Londen [etc.] 2001) IV, 458.

I: Het HonderdComponistenBoek. Nederlandse muziek van Albicastro tot Zweers. Onder red. van Pay-Uun Hiu en Jolande van der Klis (Haarlem [etc.] 1997) 90.v

A.A. Clement


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013