Gaay Fortman, Wilhelm Friedrich de (1911-1997)

 
English | Nederlands

GAAY FORTMAN, Wilhelm Friedrich de (1911-1997)

GAAY FORTMAN, Wilhelm Friedrich de, jurist, politicus en minister (Amsterdam 8-5-1911 – ’s-Gravenhage 29-3-1997). Zoon van Bastiaan de Gaay Fortman, rechter, en Elisabeth Nolte. Gehuwd op 5-9-1936 met Margaretha Titia Hillegonda Woltjer (1913-2008). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.

afbeelding van GAAY FORTMAN, Wilhelm Friedrich de

Wilhelm – of ‘Willy’, zoals hij thuis werd genoemd – de Gaay Fortman was het oudste kind in een gereformeerd gezin, dat verder nog twee dochters telde. In Dordrecht, waar zijn vader in 1920 rechter in de arrondissementsrechtbank was geworden, bezocht hij de christelijke lagere school en daarna – bij gebrek aan christelijk gymnasiaal onderwijs – het openbaar stedelijk gymnasium. Toen De Gaay Fortman senior in 1925 tot rechter in Amsterdam werd benoemd, verhuisde het gezin naar de hoofdstad, waar Willy het gereformeerd gymnasium bezocht. Aanvankelijk wilde hij theologie studeren, maar uiteindelijk schreef hij zich in 1929 aan de Vrije Universiteit (VU) in als rechtenstudent. In militaire dienst hoefde hij niet, omdat hij was afgekeurd op zijn ogen.

Op dat moment had De Gaay Fortman al een sterke belangstelling voor sociale vraagstukken. Onder invloed van zijn vader ontwikkelde hij een individualistische instelling met veel kritische zin tegenover de in de Gereformeerde Kerken als waar verkondigde leerstelligheden. Twijfel aan zekerheden, met een daaraan gepaarde houding van verdraagzaamheid, bepaalde al vroeg De Gaay Fortmans manier van denken en doen, al kon hij soms driftig uit de hoek komen als hem iets niet zinde. Aan de VU had hij het moeilijk met het daar gehuldigde uitgangspunt dat de gereformeerde beginselen fundament van de wetenschap waren.

‘Gaius’, zoals vrienden en goede kennissen De Gaay Fortman vanaf zijn studententijd gingen noemen, was een enthousiast deelnemer aan de zomerkampen van de Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging, vaak in leidende functies. Ook was hij betrokken bij door het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) georganiseerde kampen voor jonge werklozen. In 1933 deed hij doctoraalexamen. In de jaren daarna werkte De Gaay Fortman aan een dissertatie over De onderneming in het arbeidsrecht, waarop hij op 12 juni 1936 cum laude aan de VU promoveerde bij P.S. Gerbrandy. Het proefschrift is een weergave van moderne opvattingen over het recht van meespreken van arbeiders in een onderneming. In de faculteit, waar men niet gewend was de onderneming te beschouwen als een gemeenschap van werkgever en werknemers, zinde dat niet iedereen.

De Gaay Fortman schreef zijn proefschrift vanaf 1934 naast zijn werk voor het Landbouwcrisisbureau, verbonden aan het departement van Economische Zaken en vanaf 1935 aan dat van Landbouw en Visserij. Drie maanden na zijn promotie huwde hij Marry Woltjer, dochter van R.H. Woltjer, hoogleraar in de klassieke talen aan de VU, die hij al heel lang kende. Uit dit huwelijk zouden tussen 1937 en 1946 vijf kinderen worden geboren.

In 1938 maakte De Gaay Fortman de overstap naar het ministerie van Sociale Zaken. Daar klom hij in een paar jaar op van hoofdcommies bij de afdeling arbeidsverzekering tot hoofd van de afdeling arbeidsverhoudingen. Daarnaast was hij vanaf 1938 werkzaam op het secretariaat van het College van Rijksbemiddelaars en vertegenwoordigde hij vaak de minister bij de Hoge Raad van Arbeid. Aldus leerde De Gaay Fortman alle hoofdrolspelers op het terrein van de sociale vraagstukken van nabij kennen. Hierdoor ontstond een uitgebreid netwerk van soms intensieve contacten, die hem in zijn verdere carrière een eenvoudige toegang zouden geven tot de Haagse wereld.

Terugblikkend op de Duitse bezetting constateerde De Gaay Fortman: ‘Mij valt geen enkele heldendaad te verwijten’ (Breedveld en Jansen van Galen, 114). Zijn afdeling was verplaatst naar Amsterdam, en daar viel weinig meer te doen dan ‘pennenlikker’ te zijn (ibidem, 112). In de nazomer van 1943 werd hij medewerker sociale aangelegenheden van het illegale blad Vrij Nederland. Na de bevrijding zette De Gaay Fortman – overtuigd dat een brug moest worden geslagen tussen de sociaal-democratie en de confessionelen – als redacteur het werk bij Vrij Nederland voort. Dit werd hem in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), waarvan hij sinds 1934 lid was, niet in dank afgenomen, evenmin als het feit dat hij tijdens de bezetting niet met de afsplitsing van de Trouw-groep was meegegaan. Ondanks zijn sympathie voor de sociale doeleinden van de in 1946 opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA) bleef hij de ARP trouw.

Wetenschappelijk deed De Gaay Fortman vooral van zich horen in het Sociaal Maandblad en in Arbeid. Deze periodieken zouden in 1946 fuseren tot het Sociaal Maandblad Arbeid, waarvan hij van 1951 tot 1971 redactiesecretaris zou zijn. In 1947 aanvaardde De Gaay Fortman de benoeming tot hoogleraar privaatrecht en arbeidsrecht aan de VU. Voor een deel van zijn leeropdracht was hij de opvolger van zijn promotor Gerbrandy. Aanvankelijk dreigde de benoeming niet door te gaan, doordat het bestuur van de vu van hem eiste dat hij zijn redacteurschap bij Vrij Nederland zou opgeven, wat hij weigerde. Onder druk van de rechtenfaculteit moest het bestuur ten slotte bakzeil halen. Enkele maanden later zegde De Gaay Fortman zelf het redacteurschap op, omdat hij zich niet langer kon vinden in het steeds meer pro-republikeins wordende standpunt van de kernredactie inzake Nederlands-Indië.

Met jongere collega’s als A.M. Donner, J. Verdam en I.A. Diepenhorst zette De Gaay Fortman aan de vu de vensters open. Door hun toedoen zou deze universiteit zich meer gaan richten op de buitenwereld en een minder strikt gereformeerd en een meer algemeen christelijk karakter krijgen. Al onmiddellijk in zijn oratie van 30 mei 1947 over Herziening van het echtscheidingsrecht demonstreerde De Gaay Fortman zijn drang naar openheid: onheelbare tweespalt tussen de echtgenoten zou, wat hem betreft, echtscheidingsgrond moeten worden. In zo’n geval was scheiding te prefereren, want handhaving van de echt met wettelijke dwang zou een toestand bestendigen die veel onchristelijker was. Men keek er in de eigen kring vreemd van op. Dat deed men ook van het in datzelfde jaar verschenen De arbeider in de nieuwe samenleving, waarin hij progressieve opvattingen over de positie van de arbeider in de onderneming verkondigde.

In 1948 werd De Gaay Fortman rector van de kaderschool van het CNV, waar hij op zaterdag maatschappijleer gaf. Hij verwierf er groot prestige in het CNV door, en kreeg er op den duur ook gezag mee in de ARP. Een echte partijman werd De Gaay Fortman overigens niet. Zijn voorkeur lag bij het bestuur en de wetenschap. Bovendien beviel hem de aanvankelijk nog overwegend conservatieve inslag van de partij allerminst.

Vanwege zijn imago als bruggenbouwer met vooruitstrevende sociale opvattingen werd De Gaay Fortman buiten de ARP al gauw gezien als een ministeriabele kandidaat. Vanaf de formatie van 1951 was hij steeds in beeld voor een ministerspost, maar steeds ketste een benoeming af, wat bij hem nauwelijks teleurstelling opriep.

Gebrek aan politieke ervaring brak De Gaay Fortman op in de beruchte formatie van 1956, toen KVP en PvdA langdurig met de ruggen tegen elkaar stonden. Als vierde informateur moest De Gaay Fortman proberen de onderhandelingen uit het slop te halen, maar hij faalde jammerlijk. Beide partijen gaven hem geen kans van slagen, en hij voelde zich misbruikt. Hij heeft dat altijd als de zwarte bladzijde in zijn politieke loopbaan ervaren. Rond kerstmis 1960 had hij meer succes, toen in het kabinet-De Quay (1959-1963) een conflict was ontstaan over het aantal te bouwen woningen. In feite betrof het hier een interne crisis tussen arp-fractie en -bewindslieden, die door De Gaay Fortman binnen de kortste keren uit de wereld werd geholpen.

Met de pogingen in de jaren daarna om de partij in christelijke zin te radicaliseren stemde De Gaay Fortman van harte in; voor menigeen werd hij een stuwende kracht binnen de vakbondsvleugel in de ARP. Zijn politiek profiel kreeg er meer scherpte door, mede door zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer van 20 september 1960 tot 11 mei 1973. In deze jaren werd De Gaay Fortman bij herhaling gevraagd voor een ministerschap, maar omdat dat telkens in een combinatie met liberalen was, ging hij er niet op in. Dergelijke kabinetten leidden, naar zijn mening, maar tot overheersing van het werkgeverselement en het aanslaan van een antisocialistische toon.

Zijn politieke en bestuurlijke activiteiten verrichtte De Gaay Fortman naast zijn wetenschappelijke arbeid aan de VU. Daar werd hij op den duur overladen met bestuurstaken. Van 1962 tot 1963 en opnieuw van 1965 tot 1972 was hij rector magnificus. Hoewel het rectoraat hem veel voldoening schonk, vond hij het tegelijkertijd een vervelende periode vanwege de studentenbezettingen en de strijd om democratisering, die in zijn ogen de redelijke proporties te buiten ging. Ook buiten de universiteit werd De Gaay Fortman als wetenschapper veel gevraagd. Zo was hij lid van enkele staatscommissies en was hij van 1960 tot 1973 lid van de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO).

Toen informateur J. Burger in 1973 een breekijzer nodig had om de confessionelen te dwingen een door de pvda gedomineerd kabinet-Den Uyl mogelijk te maken, benaderde hij De Gaay Fortman voor een ministerspost. Het aanbod kwam op een moment dat deze zich aan de VU minder gelukkig voelde, en tot woede van de arp-leiding – die niet werd geraadpleegd – zegde De Gaay Fortman toe. In het kabinet-Den Uyl, dat op 11 mei 1973 in een gespannen sfeer van polarisatie tussen links en rechts aantrad, viel hem Binnenlandse Zaken toe, niet het departement van zijn voorkeur. Liever was hij minister van Justitie geworden. Met zijn 62 jaar was De Gaay Fortman de nestor in het kabinet. Het bedrijven van partijpolitiek was hem vreemd, en zijn onverstoorbare benadering van de politieke vraagstukken haalde binnen de ministersploeg de scherpste kantjes van de gepolariseerde verhoudingen af.

In het parlement schepte De Gaay Fortman behagen in het debat, dat hem gemakkelijk afging, vooral bij juridisch getinte onderwerpen; graag troefde hij zijn tegenstanders af. Hij had zijn welsprekendheid mee, was geestig, deed aan zelfkritiek en bewaarde bij alle scherpte zijn hoffelijkheid, al liet hij soms blijken te felle aanvallen niet te waarderen. Ook beheerste hij steeds de stof, zelfs als die buiten zijn eigen expertise lag. Hij werd er een algemeen gewaardeerd minister door, al zou hij op zijn beleidsterrein weinig opzienbarende resultaten boeken.

Op Binnenlandse Zaken zag De Gaay Fortman het vooral als een uitdaging de algehele grondwetsherziening – waaraan reeds lang werd gewerkt om het functioneren van de parlementaire democratie te moderniseren – eindelijk tot stand te brengen. Ook slepende kwesties als de reorganisatie van de politie en het binnenlands bestuur vatte hij kordaat aan. Een stortvloed aan plannen, nota’s en wetsontwerpen was het gevolg. Maar alle ambities smoorden in politieke, ambtelijke, bestuurlijke en maatschappelijke discussies, die ook zijn voorgangers al hadden verlamd. Een aantal burgemeestersbenoemingen die logisch voortvloeiden uit de gewijzigde politieke verhoudingen – met name in Eindhoven en Rotterdam – leverde veel politiek gekrakeel op.

Als minister van Binnenlandse Zaken had De Gaay Fortman ook Koninkrijkszaken in zijn portefeuille. In die hoedanigheid kreeg hij te maken met het streven in Suriname naar onafhankelijkheid. Hij verzette zich hier niet tegen, mits er zou worden gezorgd voor een deugdelijk bestuur en een grondwet. Onder zijn ministerschap kwam alles in een stroomversnelling. Al in 1975 was de onafhankelijkheid een feit. Latere ontwikkelingen maakten er een echec van, en achteraf vond De Gaay Fortman dat Nederland te toegeeflijk was geweest, maar ook hij achtte zich gebonden aan het statutair vastgelegde recht van secessie.

Met het aantreden van het kabinet-Van Agt-Wiegel op 19 december 1977 kwam er een einde aan De Gaay Fortmans ministeriële loopbaan. Voor een hem aangeboden portefeuille in deze confessioneel-liberale coalitie voelde hij uiteraard niets. Eind 1977 nam De Gaay Fortman zijn hoogleraarschap aan de VU weer op, hoewel niet voor lang, want in februari 1979 ging hij met emeritaat. Van 20 september 1977 tot 10 juni 1981 had hij wederom zitting in de Eerste Kamer. In 1978 keerde hij terug in de raad van bestuur van ZWO, nu als voorzitter, een functie die hij tot 1983 zou bekleden.

Ondanks de teleurstellende ervaringen in het kabinet-Den Uyl hielp De Gaay Fortman in 1981 als informateur de door hem begeerde samenwerking tussen confessionelen en sociaal-democraten te herstellen in het kabinet-Van Agt-Den Uyl, maar dat hield nog geen jaar stand. In de eigen politieke kring raakte hij steeds meer in een isolement. In de ARP was hij altijd een bezwaarde geweest, met in de jaren zestig sympathie voor de radicalen in de partij, maar het antirevolutionaire milieu bleef hem te dierbaar om het voorbeeld te volgen van zijn oudste zoon Bas, die de ARP in 1970 had verlaten. Ook met het opgaan van de ARP in het Christen-Democratisch Appèl (CDA) had De Gaay Fortman grote moeite. Hij vreesde een overwicht van katholieken, die hij niet voldoende evangelisch en progressief achtte. Desondanks sloot hij zich bij de in 1980 ontstane partij aan, maar hij vond daar zijn draai niet. Tot op hoge leeftijd gaf hij in publicaties en redevoeringen aan waar politiek zijn hart lag. De medewerking van het cda aan wat hij zag als de afbraak van de sociale zekerheid ging De Gaay Fortman dermate storen dat hij bij de Tweede-Kamerverkiezingen in mei 1994 zijn stem gaf aan het Gereformeerd Politiek Verbond, waarin hij de christelijk-sociale traditie wel gewaarborgd vond. Na al geruime tijd met hartproblemen te hebben gekampt, overleed hij in 1997 op 85-jarige leeftijd.

Wilhelm de Gaay Fortman stond zijn leven lang met beide benen in de christelijk-sociale traditie. In het doorgeven en aanpassen van die traditie aan de eisen van de tijd vond hij zijn missie, waarvoor hem meer de wetenschap dan de politiek ten dienste stond. Wanneer de confessionelen trouw wilden zijn aan hun uitgangspunten, moesten zij, naar zijn vaste overtuiging, samenwerken met de sociaal-democraten. In zijn eigen politiek tehuis – ARP en CDA – , waar een voorkeur voor samenwerking met de liberalen leek te overheersen, heeft De Gaay Fortman zich dan ook nooit echt op zijn gemak gevoeld. Zijn instelling om met twijfel tegemoet te treden wat anderen met stelligheid als de waarheid uitdroegen, wekte in eigen kring nogal eens ergernis, maar daarbuiten werd zijn neiging tot relativering van tegenstellingen juist gewaardeerd. Mede daardoor werd De Gaay Fortman bij herhaling aangezocht voor een ministerschap en trad hij verscheidene keren op als informateur. Ook gold hij enkele malen als een serieuze kandidaat voor het premierschap. De Gaay Fortmans uiteindelijk enige ministerschap in het kabinet-Den Uyl heeft niet veel opgeleverd, omdat de toen door polarisatie bepaalde debatcultuur het bereiken van de nodige concrete resultaten op hoofdpunten van beleid onmogelijk maakte.

A: Archief-W.F. de Gaay Fortman in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.

P: Een selectie van artikelen en voordrachten in: Recht doen. Geschriften van mr. W.F. de Gaay Fortman. Samengest. door E. Korevaar [e.a.] (Alphen aan den Rijn 1972). Behalve de in de tekst genoemde titels: Rechtsstaat en terrorisme [Afscheidscollege VU] (Alphen aan den Rijn 1977).

L: Behalve necrologieën in alle dag- en weekbladen in de eerste week van april 1997: I.A. Diepenhorst, ‘De juridische faculteit (1880-1980)’, in Wetenschap en rekenschap 1880-1980. Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit. Onder red. van M. van Os en W.J. Wieringa (Kampen 1980) 105-155; H.M. Franssen, Tweede Kamer en Binnenlandse Zaken. Een verkennend onderzoek naar parlementaire invloed onder het kabinet-Den Uyl (Assen 1981); H.A. van Wijnen, A man for all seasons. De kabinetsformaties van mr. W.F. de Gaay Fortman (Amsterdam 1986); Willem Breedveld en John Jansen van Galen, Gaius. De onverstoorbare gang van W.F. de Gaay Fortman (Utrecht 1996); Albert E. Kersten, Een organisatie van en voor onderzoekers. De Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (Z.W.O.) 1947-1988 (Assen 1996); Jan-Jaap van den Berg, ‘De Gaay Fortman: peetvader van evangelisch radicalisme’, in CD Verkenningen 9 (1997) 491-499; Gert Oostindie en Inge Klinkers, Knellende Koninkrijksbanden. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Caraïben, 1940-2000 (3 dln; Amsterdam 2001); Peter Bak, ‘W.F. de Gaay Fortman, christelijk-sociaal denker op het snijvlak van politieke partij en vakbond’, in Cahier over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging 4 (2002) 42-53; idem, Pientere knaap. Jeugdjaren van W.F. de Gaay Fortman (Amsterdam 2003). Op 4 juli 1986 zond de VPRO-radio een vijf uren durend marathoninterview met W.F. de Gaay Fortman door John Jansen van Galen uit. Het is te beluisteren via: http://www.vpro.nl/programma/marathoninterview/afleveringen/35387165/ [5-2-2008].

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Verhoef; Collectie ANEFO: De Gaay Fortman in de Tweede Kamer in november 1973].

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013