Gerhard, Adrien Henri (1858-1948)

 
English | Nederlands

GERHARD, Adrien Henri (1858-1948)

Gerhard, Adrien Henri, politicus en publicist (Lausanne (Zwitserland) 7-4-1858 - Castricum 3-7-1948). Zoon van Hendrik Gerhard, kleermaker en politiek activist, en Susanna Stehli, dienstbode. Gehuwd op 20-12-1881 met Hendrika Wilhelmina Beeking (1856-1918). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na het overlijden van zijn vrouw huwde hij op 31-7-1924 met Marianne Brandon (1878-1953), onderwijzeres. Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Gerhard, Adrien Henri

Adrien Henri Gerhard werd door tijdgenoten de 'jonge Gerhard' genoemd ter onderscheiding van zijn vader, een bekende vrijdenker en een der voortrekkers van de oude socialistische beweging. Deze had zich, na vele jaren een zwervend bestaan te hebben geleid, in 1861 met zijn jonge gezin als luxekleermaker in Amsterdam gevestigd. Hier werd hij een van de oprichters van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale. Nadat hij vanwege deze politieke activiteiten in 1872 was ontslagen, geraakte het inmiddels zeven kinderen tellende gezin in kommervolle omstandigheden. Dit werd nog verergerd toen Gerhard senior door ziekte niet meer in staat was te werken. Deze ingrijpende gebeurtenissen maakten diepe indruk op Adrien. Hoewel openbare uitspraken over zijn persoonlijke leven zeldzaam waren, zou hij steeds vol waardering spreken over zijn vader als het grote voorbeeld in zijn leven.

Ondanks de geringe financiële middelen wist vader Gerhard zijn twee oudste zoons toch een onderwijzersopleiding te laten volgen dankzij gehonoreerde bedelbrieven aan vrienden en bekenden. Zodoende bezocht Adrien van 1872 tot 1876 de Rijksnormaalschool in Hoorn, waar hij bij de directeur in de kost werd gedaan. Van blijvende invloed op hem was een bloemlezing uit het werk van Multatuli die hem hier onder ogen kwam. Terwijl hij zijn opleiding later omschreef als 'beroepsafrichterij', stelde hij vast 'voor mijn praktijk als ouder en onderwijzer van niemand zooveel [te hebben] geleerd als van Multatuli' (Multatuli, 1910). Kort na zijn eindexamen in 1876 behaalde Adrien de akte wiskunde en kreeg hij zijn eerste aanstelling aan een lagere school in Amsterdam.

Tussen 1876 en 1883 studeerde Gerhard hard voor de hoofdakte. In 1881 trouwde hij met Hendrika Beeking, bij wie hij twee kinderen zou krijgen. Na in 1882 met succes zijn avondstudie te hebben afgerond werd de 25-jarige onderwijzer prompt benoemd tot hoofd van een openbare lagere school der eerste klasse in de Amsterdamse volkswijk 'De Jordaan'. Weliswaar gaf de aanstelling van deze 'zoon van de man die met de rooie lap liep' (Spigt, 13) aanleiding tot enig tumult in de gemeenteraad, maar de wethouder zette zijn benoeming door. Met een vaste aanstelling op zak werd Gerhard nu actief in de socialistische beweging. Daarmee werd hij het eerste 'rode' schoolhoofd van Nederland. Meer dan dertig jaar - tot 1913 - zou hij voor de klas staan.

In navolging van zijn vader werd Gerhard in 1883 lid van de Vrijdenkersvereeniging 'De Dageraad', die hij zijn leven lang trouw zou blijven. In 1885 hield hij voor dit gezelschap een voordracht onder de veelzeggende titel: 'Welke plichten legt het humanisme den vrijdenker op?' Van 1888 tot de beëindiging in 1898 was hij redacteur van het weekblad De Dageraad, daarna van zijn opvolger De Vrije Gedachte. Het streven van de irenische Gerhard zou er steeds op gericht zijn binnen 'De Dageraad' vrijdenkende liberalen, vrijzinnig-democraten en socialisten samen te brengen.

Ook met zijn politieke opvattingen trad Gerhard nu volop in de openbaarheid. Hoewel sinds 1880 actief lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) wees hij in 1884 de vernietiging van het kapitalisme door een gewelddadige revolutie als een 'onzinnig idee' van de hand. Wel had die productiewijze in zijn ogen geleid tot 'onduldbare, menschonteerende wanverhoudingen' ('Mijmeringen', in Recht voor Allen, 11-10-1884). Deze economische en politieke kwesties raakten volgens hem ook aan een belangrijk moreel vraagstuk. Hij betoonde zich een warm pleitbezorger van sociale hervormingen, een grondwetsherziening en de invoering van het algemeen kiesrecht, maar 'de practische zaken', als invoering van de leerplicht en een verscherping van de wet op de kinderarbeid, hadden voor hem de hoogste prioriteit. Als voorstander van praktische verbeteringen - hoe miniem ook - was hij erg gecharmeerd van het Britse, ethisch ingestelde 'Fabian socialism'. Het kostte hem dan ook geen moeite medewerking te verlenen aan de door sociaal bewogen notabelen gefinancierde volksacademie voor kansarme arbeiders 'Ons Huis' in 'De Jordaan'.

Intussen beviel de eenzijdige, polariserende strategie van de SDB Gerhard vanaf het begin van de jaren negentig steeds minder. Tot een duidelijke breuk kwam het echter niet. Om zijn politieke aspiraties te kunnen verwezenlijken, moest Gerhard uitzien naar andere coalities. In Amsterdam vond hij die onder meer in de radicale Kiesvereeniging, landelijk in de beweging voor het algemeen kiesrecht. Zo redigeerde hij in het begin van de jaren negentig het Radicaal Weekblad en later De Strijd. Duurzame resultaten behaalde Gerhard er niet mee, maar om zich aan te sluiten bij de moderne sociaal-democratische beweging, zoals die gestalte kreeg in de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) onder leiding van P.J. Troelstra, vond hij nog voorbarig. Zijn ideaal van een brede, hervormingsgezinde Nederlandsche Volkspartij had hij namelijk nog niet opgegeven.

Gerhards bedenkingen vormden, ironisch genoeg, later geen beletsel voor W.H. Vliegen hem tot de twaalf oprichters van de SDAP - de 'twaalf apostelen' - te rekenen. Weliswaar had hij schriftelijk ingestemd met haar totstandkoming, maar op de oprichtingsbijeenkomst op 26 augustus 1894 in Zwolle schitterde hij door afwezigheid. Ook zijn partijboekje liet nog enkele jaren op zich wachten. Eerst moest Gerhard nog in het krijt treden tegen Troelstra. De ontknoping kwam bij de Tweede-Kamerverkiezingen in het district Leeuwarden in 1897, waar Gerhards Volkspartij en Troelstra's SDAP streden om de gunst van de kiezers. Troelstra werd het nieuwe Kamerlid, en nog datzelfde jaar maakte Gerhard schoorvoetend de overstap naar de SDAP.

De moralistische Gerhard had weinig op met de marxistische dogma's die de SDAP nog lange tijd in de ban zouden houden. Niet minder zorgen baarde hem de flexibele houding van zijn nieuwe partij tegenover kerk en godsdienst. Volgens Gerhard zouden de arbeiders eerst van hun geloof moeten vallen, alvorens zij zouden kunnen toetreden tot de SDAP. In die ontkerstening zag hij voor 'De Dageraad' een cruciale rol weggelegd.

Gedurende de rest van zijn leven bleef Gerhard met één been in de vrijdenkersbeweging en met het andere in de sociaal-democratie staan. Binnen beide werelden propageerde hij onvermoeibaar zijn ideaal van 'opvoeding zonder (geloofs-)dogma'. Volgens Gerhards eigen didactische benadering moest het kind zoveel mogelijk op basis van 'eigen aanschouwing' vrijelijk tot een eigen oordeel kunnen komen. Multatuli's adagium: 'Ik geef wenken, geen regels' was hem dan ook uit het hart gegrepen. In zijn ideaal was een eenzijdige, atheïstische opvoeding even ongepast; dat zou pas van dogmatisme getuigen.

Gerhards pedagogische idealen kwamen misschien nog het meest tot hun recht in de Weezenkas van de vrijdenkersbeweging, waarvan hij vanaf de oprichting in 1896 tot 1948 onafgebroken voorzitter was. Deze vorm van 'sociale zekerheid in eigen kring' voorzag niet alleen in materiële en financiële zorg voor weeskinderen van vrijdenkers, maar streefde tevens een niet-godsdienstige opvoeding van de pupillen na.

In zijn persoonlijk leven werd Gerhard tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog getroffen door het overlijden van zijn vrouw. Niets wijst erop dat dit verlies hem zijn werklust ontnam. Integendeel, het leek wel alsof hij zich met nog grotere overtuiging dan vroeger stortte op de publieke zaak. Zes jaar lang duurde zijn vroegtijdige weduwnaarschap, totdat hij in 1924 hertrouwde met de twintig jaar jongere onderwijzeres Marianne Brandon, die hij in de kring van de Weezenkas had leren kennen.

Gerhards favoriete werkterreinen bleven volksopvoeding, volksontwikkeling en volksonderwijs. Voor een uiteenlopend publiek schreef hij tal van artikelen, bijvoorbeeld in het maandblad Opvoeding en Moraal, een uitgave van De Weezenkas. Voor SDAP-leden publiceerde hij in periodieken van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, dat hij in 1924 mee had helpen oprichten. Ook daarbuiten, in het burgerlijke kamp, verschenen van hem als gerespecteerd redactielid van Volksontwikkeling, het maandblad van de Maatschappij tot Nut voor 't Algemeen, tal van artikelen en boekbesprekingen.

Naast zijn vele en veelsoortige werkzaamheden als onderwijzer, vakbondsman, publicist, redacteur en bestuurder, maakte Gerhard kort voor de Eerste Wereldoorlog ook binnen de SDAP als politicus furore. Vanaf 23 juni 1913 had hij zitting in Provinciale Staten van Noord-Holland, en op 16 september 1913 werd hij lid van de Tweede Kamer. Als parlementariër bemoeide deze geduchte debater - het 'Gerhardsche Maaar' (De Tribune, 16-6-1922) werd een gevleugelde uitdrukking - zich op velerlei wijze met onderwijsvraagstukken. Hoewel een fel voorstander van het openbaar onderwijs, was Gerhard pragmaticus genoeg om zijn partijgenoten in 1917 te overtuigen van het nut van de 'grote uitruil', waarbij - na een jarenlange impasse - het bijzonder onderwijs financieel werd gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs in ruil voor het felbegeerde algemeen kiesrecht en nieuwe sociale wetgeving.

Deze 'meest liberale partijman' (De Nieuwe Amsterdammer, 23-06- 1917) wist op het congres van de SDAP in april 1919 de tweedracht binnen de partij, zo kort na het dreigen met revolutie door Troelstra, met een indrukwekkende rede te bezweren. In de Tweede Kamer, waar confessionele afgevaardigden steeds weer op hem hamerden als de kop van jut van de vrijdenkers, verweerde hij zich bij voortduring tegen hun aantijgingen. Zijn grootste stembusoverwinning - maar liefst 39,5 procent van het electoraat - behaalde Gerhard in 1929 als lijstaanvoerder in het Amsterdamse kiesdistrict. In 1931 verliet de toen 73-jarige de Tweede Kamer. Van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, waarin hij sinds 5 juli 1916 zitting had, bleef hij tot 1935 deel uitmaken.

In de loop van de jaren dertig werd het politieke klimaat steeds grimmiger. Op vele fronten werd 'De Dageraad' gemarginaliseerd: het ambtenarenverbod, toenemende censuur op de radio en uiteindelijk zelfs het intrekken van de zendmachtiging van de Vrijdenkers Radio Omroep in 1936. Ook over de ontwikkelingen binnen de SDAP maakte Gerhard zich grote zorgen. Met lede ogen zag hij de opmars van de religieus-socialisten aan, waardoor de kloof tussen de vrijdenkersbeweging en de SDAP alleen maar groter zou worden.

In april 1948 vierde Gerhard zijn negentigste verjaardag in het Amsterdamse Hotel Krasnapolsky te midden van meer dan duizend mensen. De feestelijke bijeenkomst bood de oude 'meester' nog eenmaal de gelegenheid zijn jongere toehoorders enkele levenslessen voor te houden. Drie maanden later overleed deze humoristische, maar bedachtzame man, geheelonthouder, moralist, debater, volkspedagoog en onderwijzer in hart en nieren. In het door en door christelijke, vooroorlogse Nederland heeft Adrien Gerhard, als spreekbuis van de vrijdenkers, gewezen op een reëel maatschappelijk alternatief, hoe klein qua aanhang ook, maar daarbij de materiële belangen van (wees)kinderen, arbeiders en onderwijzers nooit uit het oog verloren. Hoewel de sociaal-democratie minder enthousiast was over Gerhards onophoudelijke pleidooien voor de 'vrije gedachte' en zijn onvermoeibaar ijveren voor een ondogmatische opvoeding, heeft de SDAP de vruchten kunnen plukken van zijn redenaarstalent, zijn vermogen op cruciale momenten tweedracht te bezweren, zijn deskundigheid in onderwijsvraagstukken, zijn rol in de onderwijspacificatie en zijn pragmatische manier van besturen.

A: Archief-A.H. Gerhard in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, alsmede rapporten van (regerings-, en partij-) commissies, diverse brochures, vele artikelen en boekbesprekingen in tijdschriften als De Vrije Gedachte, Opvoeding en Moraal en Volksontwikkeling. Een bloemlezing in: A.H. Gerhard, vrijdenker, socialist en opvoeder. Een keur van zijn opstellen. Onder red. van P. Spigt (Amsterdam 1949). Een bibliografie van A.H. Gerhards publicaties bevindt zich in het Archief-A.H. Gerhard.

L: Behalve necrologieën o.a. door J.W. Albarda, in Socialisme en Democratie 5 (1948) 390-392 en door P. Spigt, 'Over de levensstijl van A.H. Gerhard', in onder P genoemde bundel van Spigt, 9-20: W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaaldemocratische Arbeiderpartij in Nederland gedurende de eerste 25 jaar van haar bestaanII (Amsterdam z.j.) 182-186; 'Verhoor van den heer A.H.Gerhard', in Jacques Giele, Een kwaad leven. [Heruitgave van] de arbeidsenquête van 1887. I: Amsterdam (Nijmegen 1981) 132-147; J.P. Winter, 'De Wezenkas'. De filantropische bemoeiingen van de Nederlandse vrijdenkersbeweging [Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam] (Amsterdam 1983); lemma door A.F. Mellink, in Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland II (Amsterdam 1987) 46-49; Jasper Groos, A.H. Gerhard, een meester. Een samenvatting van zijn ideeën (Amsterdam 1994); Piet Houkman en Jannes Houkes, 'Sociale zekerheid in eigen kring. Het Nederlandsch Vrijdenkersfonds, De Weezenkas en Aurora (1888-1996)', in Voor menselijkheid of tegen godsdienst? Humanisme in Nederland, 1850-1960. Onder red. van Peter Derx [e.a.] (Hilversum 1998) 84-100; Jaak Slangen, ' We moesten het zelf doen!' Van eerste pension voor buitenkerkelijke bejaarden tot woon- en zorgcentrum voor ouderen in Amsterdam: Het A.H. Gerhardhuis, 1959-1999 (Amsterdam 1999) 36-40.

I: Jaak Slangen, 'We moesten het zelf doen!' (Amsterdam 1999) 36 [Tekening van A.H. Gerhard door Albert Hahn uit 1914].

Jaak Slangen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013