Hacke, Aart Hendrik Willem (1893-1961)

 
English | Nederlands

HACKE, Aart Hendrik Willem (1893-1961)

HACKE, Aart Hendrik Willem, bestuurder en politicus (Amsterdam 10-5-1893 - Putten (Gld.) 1-9-1961). Zoon van Hendrik Cornelis Hacke, bankdirecteur, en Woutrina Johanna van Tienhoven van den Bogaard. Gehuwd op 3-5-1921 met Josina Johanna Oudemans (1894-1966). Dit huwelijk bleef kinderloos.

afbeelding van Hacke, Aart Hendrik Willem

Aart Hacke groeide op als zoon van de directeur van de Nederlandsche Grootboekbank. Na de Eerste HBS met vijfjarige cursus in Amsterdam te hebben voltooid, deed hij enige tijd praktische ervaring op in fabrieken. In 1912 begon hij aan een technische studie eerst anderhalf jaar lang aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich, daarna vanaf eind 1913 aan de Technische Hoogeschool te Delft. Deze studie moest hij onderbreken toen hij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd gemobiliseerd. In dienst bereikte hij de rang van tweede luitenant. In 1918 keerde Hacke terug naar Delft, waar hij in januari 1920 afstudeerde als electrotechnisch ingenieur bij professor C. Feldmann. Na enkele kortdurende praktijkstages bij uiteenlopende bedrijven als de Staatsmijnen en Willem Smit in Slikkerveer trad hij in juli 1920 in dienst van de gemeente Haarlem.

In 1921 trad Hacke in het huwelijk met Josina Oudemans, dochter van een entomoloog en kleindochter van de bekende Amsterdamse hoogleraar C.A.J.A. Oudemans, die onder meer het door haar geërfde landgoed 'De Schovenhorst' bij Putten op de Veluwe inbracht. Het echtpaar zou graag op Schovenhorst verblijven. Josina en Aart Hacke hielden beiden van de natuur en Hacke ook van wandeltochten. Het huwelijk bleef tot groot verdriet van Josina kinderloos. Om dit gemis te compenseren hield zij zich intensief bezig met de geschiedenis van de bosbouw, de flora en de fauna van de Veluwe. Over dit onderwerp zou zij enkele boeken en artikelen publiceren.

Intussen was Hacke in januari 1921 in dienst getreden van de Arbeidsinspectie. Hij maakte daar snel carrière. Begonnen in de rang van adjunct-inspecteur in Utrecht werd hij al in oktober 1922 bevorderd tot inspecteur in dezelfde stad. In januari 1929 kreeg hij een aanstelling als hoofdinspecteur in Groningen. In zijn vrije uren werkte hij aan een dissertatie over De sociaal-economische betekenis der Arbeidswet, waarop hij op 16 december 1931 in Delft promoveerde bij professor J.A. Veraart.

Toen C.J.P. Zaalberg, de directeur-generaal van de Arbeid van het departement Economische Zaken en Arbeid - tevens hoofd van de Arbeidsinspectie - na een conflict onverwacht zijn functie neerlegde, werd Hacke begin september 1932 tot zijn opvolger benoemd. Hij werd bij die gelegenheid omschreven als buitengewoon intelligent en in staat tot het zelfstandig verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Hacke kreeg nu heel wat meer werk om handen, ook al omdat de politieke druk om iets te doen aan de stijgende werkloosheid de regering vanaf 1933 tot maatregelen dwong. Hacke werd voorzitter van een in 1933 opnieuw opgetuigde Interdepartementale Commissie inzake Werkloosheidszorg.

Het tweede kabinet-Colijn (1933-1935) trok het voor die tijd grote bedrag van 60 miljoen gulden uit voor een fonds waaruit werkverschaffingsprojecten werden gefinancierd. Hacke werd algemeen secretaris van het bestuur van dit fonds. Hij kon zich goed vinden in de economische politiek van de kabinetten-Colijn, waarin loonsverlaging een cruciale rol moest spelen. Hoewel dat aanvankelijk niet de bedoeling was, kwam de uitvoering van deze maatregel al spoedig in ambtelijke handen. Als secretaris van het fonds was Hacke directeur van het ondersteunend bureau dat tot 1939 zou blijven bestaan. Daarnaast had hij ambtshalve zitting in commissies van de Hooge Raad van Arbeid, de Economische Raad en de Gezondheidsraad. Tevens was hij lid van een groot aantal besturen en commissies. In zijn functie moest Hacke ook vele reizen naar het buitenland maken, onder andere in 1938 naar Zweden om te zien hoe daar de werklozenzorg werd aangepakt en naar Duitsland in verband met een ontwerp voor een Landbouwveiligheidsbesluit. Opmerkelijk is dat hij ondanks al deze Haagse bezigheden tot december 1943 in Groningen bleef wonen.

Nadat Nederland in mei 1940 door de Duitsers was bezet, kreeg Hacke een nieuwe nevenfunctie, namelijk die van directeur van het Rijksbureau voor Diamant, dat import, handel en distributie van luxe- en industriediamanten regelde. Toen hij in februari 1941 niet bereid bleek lijsten over te geven met namen van in de diamantindustrie werkzame joden, die al dan niet voor deportatie in aanmerking kwamen, werd hij uit deze nevenfunctie ontheven. Als hoofd van de Arbeidsinspectie wist Hacke veel mensen uit de Arbeitseinsatz te houden door hen in het kader van de werktijdverkorting een zogeheten nulvergunning te geven.

Op Hackes werkkamer op het Haagse departement vonden in 1942 en 1943 conferenties plaats van voormannen van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties over de wijze waarop na de oorlog een samenwerkingsverband tussen beide partijen moest worden geformaliseerd. Men kwam uit op een privaatrechtelijke stichting - de latere Stichting van de Arbeid - en op een Nederlandse Organisatie van de Arbeid (NOVA) die de besluiten van de stichting zou gaan uitvoeren. Aan het hoofd moest een directeur-generaal komen te staan, met daarnaast een Hooge Raad voor de Arbeid. Vermoedelijk zag Hacke zichzelf als het eerste hoofd van de NOVA. In het plan was in het geheel geen plaats ingeruimd voor ministers en een parlement.

Terstond na de bevrijding werd de Stichting van de Arbeid opgericht onder voorzitterschap van D.U. Stikker, de directeur van Heineken's Bierbrouwerij NV, die Hacke tijdens de conferenties op zijn werkkamer had leren kennen. Het uit ballingschap teruggekeerde kabinet-Gerbrandy liet zich evenwel niet zomaar aan de kant schuiven door in corporatistische termen denkende werkgevers en werknemers. Reeds in 1944 had het in Londen verblijvende kabinet maatregelen uitgevaardigd ter regulering van de arbeidsverhoudingen. De door Hacke verachte arbeidsbureaus - die immers hadden meegewerkt aan de Arbeitseinsatz en wellicht ook zijn dromen in de weg stonden - bleven bestaan. In mei 1945 overspeelde hij echter zijn hand door in een gestencilde brief het beleid van de regering openlijk te bekritiseren en de zes in 1944 door deze genomen koninklijke besluiten als 'verwerpelijk' te betitelen. Toen minister van Sociale Zaken F.C.M. Wijffels deze brief onder ogen kreeg, was dit voor hem aanleiding Hacke onmiddellijk met ziekteverlof te sturen.

Voorlopig werd Hacke benoemd tot regeringscommissaris tot liquidatie van het Nederlandsche Arbeidsfront (NAF). Deze in 1942 opgerichte nationaal-socialistische organisatie was in de plaats gekomen van de door de bezetter opgeheven vak- en arbeidersverenigingen. Hun bezittingen - waaronder ook effecten en spaartegoeden - waren toen overgegaan naar het NAF. Hacke moest ervoor zorgen dat de na de bevrijding heropgerichte werknemersorganisaties hun bezittingen weer terugkregen. Door de slechte administratie van het NAF bleek dat een hele opgave, zodat het nog tot 1961 zou duren voordat deze werkzaamheden waren voltooid.

Terwijl vóór de oorlog uit niets bleek dat hij interesse had voor de politiek, besloot Hacke, die op non-actief was gesteld, in 1946 in de politiek te gaan. Hij sloot zich aan bij de in maart 1946 opgerichte Partij van de Vrijheid - een wat vooruitstrevender voortzetting van de Liberale Staatspartij - die onder leiding stond van Stikker. Vanaf 4 juni 1946 bezette Hacke een van de zes zetels van deze partij in de Tweede Kamer. Hij hield zich hier vooral bezig met economische en sociale zaken, woningbouw, onderwijs, verkeer en waterstaat en het post- en telefoonverkeer. Samen met zijn fractieleden keerde hij zich tegen het in hun ogen te toegevende beleid van het kabinet-Beel (1946-1948) inzake Nederlands-Indië. Op binnenlands gebied kwam hij, zoals bleek bij de interpellatie van Hacke in augustus 1947, op voor de belangen van de kleine, zelfstandige bakkers. In deze periode was hij ook lid van de gemeenteraad van Voorburg. Toen de Partij van de Vrijheid eind januari 1948 fuseerde met de groep rond de liberale politicus P.J. Oud tot de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) werd hij hiervan lid. Op 27 juli 1948 verliet hij de Tweede Kamer.

In 1948 kreeg Hacke fomeel eervol ontslag als directeur-generaal van de Arbeid en werd hij benoemd tot voorzitter van de juist opgerichte Ziekenfondsraad. De ziekenfondswereld was voor Hacke een onbekend werkterrein waartoe hij zich als ingenieur weinig toe aangetrokken voelde, maar hij had geen andere keus.

Intussen had Hacke in 1947 de Stichting Opleiding Arbeidskrachten Nederland (SOAN) opgericht. Achter deze weinigzeggende naam verborg zich een anticommunistische particuliere veiligheidsdienst die inlichtingen verzamelde over personen. De onderneming was opgericht met medeweten van minister-president L.J.M. Beel en werd gefinancierd door bedrijven. Wellicht wilde Hacke zijn gestrande loopbaan op deze wijze een nieuwe impuls geven. Weldra kwam echter aan het licht dat een deel van de geworven fondsen was verduisterd door medewerkers van de dienst. Ernstiger was nog dat de SOAN concurreerde met de na de oorlog opgerichte Centrale Veiligheidsdienst die zich vanaf 1948 ging verzetten tegen dit particuliere initiatief dat aanvankelijk werd gesteund door het ministerie van Justitie.

Ook uit de ziekenfondswereld kwamen klachten binnen over Hackes functioneren als voorzitter van de Ziekenfondsraad. Hij zou ondeskundig zijn, geen belangstelling tonen voor het werk en er allerlei uiterst lucratieve nevenfuncties op na houden. Begin 1950 drong minister-president er bij de minister van Sociale Zaken openlijk op aan hem te ontslaan, maar de bui dreef over. De SOAN verdween na 1950 uit beeld en er kwam een einde aan de nevenfuncties. Als voorzitter van de Ziekenfondsraad hield Hacke zich van 1948 tot aan zijn pensionering in 1958 bezig met bemiddelen in conflicten en het uitvaardigen van ambtelijke richtlijnen, waar de ziekenfondsen, waarop de Raad toezicht hield, zich aan te houden hadden. In 1958 ging hij met pensioen, en drie jaar later overleed hij op zijn landgoed 'De Schovenhorst' bij Putten, waar hij zich in 1952 had gevestigd.

Aart Hacke was een echte technocraat met een liberale politieke gezindheid. Hij hield van hard werken, organiseren en leiding geven. Wetenschappelijk onderzoek lag hem niet. Het politieke vacuüm dat tijdens de Duitse bezetting ontstond, gaf hem nog meer speelruimte. Dat leverde enerzijds goede resultaten op, zoals de Stichting van de Arbeid die veel heeft bijgedragen aan de na de bevrijding ontstane godsvrede tussen de sociale partners, anderzijds leidde dit tot plannen die zich niet verdroegen met de na de bevrijding al spoedig herstelde parlementaire democratie. Doordat een persoonlijk archief niet meer beschikbaar is en ook elders geen persoonlijke documenten zoals brieven van hem zijn aangetroffen, tasten we helaas vaak in het duister omtrent de motieven van deze topambtenaar die op meerdere borden schaak speelde.

A: Personeelsdossier in het Archief van de Centrale Dienst der Arbeidsinspectie in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.

P: The labour inspectorate in the Netherlands (Z.pl. [1935]); 'De nationale betekenis der Arbeidsinspectie', in Sociaal Maandblad Arbeid 5 (1950) 109-111.

L: Behalve necrologieën o.a. door D. Kuiper, in Sociaal Maandblad Arbeid 16 (1961) 615-617, door C.J. van Lienden, in Het Ziekenfonds 35 (1961) 237 en in Algemeen Handelsblad, 5-9-1961: P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding, 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam 1979). M.D. Bogaarts, Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. De periode van het kabinet-Beel 3 juli 1946 - 7 augustus 1948 (4 bdn.; 's-Gravenhage 1989-2004); J. Bosmans, Romme. Biografie, 1896-1946 (Utrecht 1991); Bob de Graaff en Cees Wiebes, Gladio der vrije jongens. Een particuliere geheime dienst in Koude Oorlogstijd ('s-Gravenhage 1992); Maarten van Bottenburg, 'Aan den Arbeid!'. In de wandelgangen van de Stichting van de Arbeid, 1945-1995 (Amsterdam 1995) vooral 34-46; H.C. van der Hoeven, 'Eerste voorzitter Ziekenfondsraad was sterk in overleven', in Jaarboek HiZ (1999) 89-96.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 585.

A.C.M. Kappelhof


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013