Hengel, Adrianus Johannes van (1886-1936)

 
English | Nederlands

HENGEL, Adrianus Johannes van (1886-1936)

Hengel, Adrianus Johannes van, bankier (Amsterdam 4-4-1886 - Schiphol 3-6-1936). Zoon van Adrianus Bernardus van Hengel, cargadoor, en Carolina Louise Kesting. Op 16-1-1912 gehuwd met Gerarda Johanna Versteegh (1887-1978). Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na echtscheiding (22- 11-1920) gehuwd op 27-12-1920 met Helena Antoinette Gips (1899-1981). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren.

afbeelding van Hengel, Adrianus Johannes van

Arie van Hengel groeide samen met een jongere broer op in het gezin van de directeur van een bekend Amsterdams cargadoorsbedrijf. Op de vijfjarige HBS aan de Keizersgracht was hij een uitblinker. Een klasgenoot omschreef hem als de jongste en knapste, met een grote intelligentie en een echte wiskundekop. Maar Arie legde bovendien een natuurlijk leiderschap aan de dag, dat hem, nog slechts in de tweede klas, tot voorzitter van de nieuw opgerichte schoolsportclub maakte. Hij speelde voetbal en cricket met de tomeloze energie die zijn hele wezen kenmerkte en zijn leven tekende, met een inzet die geen grenzen leek te kennen, vaak echter ook zonder er bepaald slag van te hebben. De overlevering vertelt niet of Arie de muziek met een zelfde hartstochtelijke onhandigheid beoefende. Zeker is wel dat hij zijn leven lang graag ter ontspanning achter de piano plaatsnam, na aanvankelijk ook viool te hebben gespeeld.

Na de HBS legde Van Hengel het staatsexamen Grieks en Latijn af en wilde hij eigenlijk wiskunde studeren. Zijn vader zag daar geen heil in en stelde medicijnen voor, wat Van Hengel - naar eigen zeggen - 'te vies' vond. Dus koos hij, als compromis, in september 1904 voor de rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit te Leiden, die hij in recordtijd afmaakte, ondanks een bevlogen deelname aan het studentenleven. Na het behalen van de meestertitel op 9 juni 1908 aanvaardde hij het jaar daarop een baan bij de Amsterdamsche Bank, een stap ongetwijfeld geïnspireerd door zijn wiskundige aanleg. Toch verrast het dat een zo dynamische, impulsieve en soms agressieve persoonlijkheid juist deze bank uitzocht, die te boek stond als een conservatief bedrijf met strakke en dus trage administratieve procedures. Van Hengel paarde echter een vurig temperament aan een hang naar nuchtere en heldere principes, wat zich vertaalde in een commerciële behoedzaamheid die haaks stond op zijn gewoonte tot het nemen van sportieve risico's, maar die uitstekend paste bij de Amsterdamsche Bank. Hij behoefde bovendien door zijn afkomst geen introductie tot de hoofdstedelijke handels- en scheepvaartwereld, waarmee het bedrijf nauw was verbonden.

Naast zijn werk vond Van Hengel de tijd voor het schrijven van een proefschrift over De verhouding tussen gerechtigden en verplichten bij papieren van waarde, waarop hij op 7 juli 1911 in Leiden promoveerde. Een half jaar later trad Van Hengel in het huwelijk met Gerarda Versteegh, de dochter van een houthandelaar. Dit huwelijk zou slechts acht jaar standhouden. In 1920 trouwde hij met de dertien jaar jongere Helena Gips, eveneens een dochter van een handelaar in hout.

Van Hengel maakte snel carrière bij de Amsterdamsche Bank. Al in 1911 mocht hij in bepaalde gevallen voor de bank tekenen (: bijzondere procuratie), drie jaar later kreeg hij algemene procuratie en in 1916 werd hij - pas dertig jaar oud - opgenomen in de directie, die uit vier personen bestond. In deze functies kreeg Van Hengel ruimschoots de gelegenheid verbeteringen in het bedrijf en het bankwezen door te voeren. Zo kwam het door zijn toedoen tot de oprichting in 1924 van de Internationale Bank, waarmee het Duitse bedrijfsleven weer toegang kreeg tot de internationale kapitaalmarkt. Ook nam hij de kantoorautomatisering ter hand en bracht hij een studiedienst voor rapportages over landen en bedrijfstakken tot stand. Tevens bekleedde hij een reeks van commissariaten.

Aan het begin van de jaren twintig leek Van Hengels carrière wat te verbleken. De commissariaten vloeiden voort uit zijn functie bij de bank en bevatten geen zetels bij bedrijven die suggereren dat hij in de hoofdstedelijke zakenwereld of daarbuiten een spilfunctie had weten in te nemen. Misschien was Van Hengel daarvoor nog te jong, maar stellig veroorzaakte hij door zijn soms nodeloos scherpe optreden ook te veel onrust en zelfs uitgesproken vijandigheid binnen en buiten de bank. Tegelijk kon hij zijn energie en levenslust in een drukke carrière onvoldoende kwijt. Dat uitte zich in gedreven paardrijden, schaatsen en skiën, daarnaast in een ongemeen vermogen gasten op huiselijke ontvangsten tot diep in de nacht te animeren en te amuseren, bijvoorbeeld door op zijn handen te lopen.

Zijn reputatie van tegelijk kordate en behoedzame bankier maakte Van Hengel de aangewezen persoon om in 1924 leiding te geven aan een ingrijpende reorganisatie bij de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). Tijdens de Eerste Wereldoorlog was deze bank uitgegroeid tot de grootste van Nederland. De conjuncturele terugslag van 1921/1922 legde vervolgens genadeloos de tekortkomingen van een onvoorzichtige kredietpolitiek bloot, en een bankroet dreigde. Een bijzonder krediet van De Nederlandsche Bank onder garantie van minister van Financiën H. Colijn (1923-1926) voorkwam deze catastrofe, maar de directie moest het veld ruimen. Een drastische sanering zou het vertrouwen in de Robaver moeten herstellen. Die ingreep had alleen kans van slagen wanneer een krachtfiguur van buiten de leiding kreeg. De bank zat namelijk vast op onverantwoord grote kredieten aan het scheepvaart- en mijnbouwconcern Wm.H. Müller&Co., waarvan de leidende firmant, A.G. Kröller, commissaris bij de Robaver was. Die kredieten waren deels gestoken in door de recessie zwaar getroffen mijnbouwondernemingen, deels echter ook in forse voorschotten van het bedrijf aan de firmanten, voornamelijk ter financiering van het onroerend goed en de kunstverzameling van het echtpaar Kröller-Müller. Alleen een buitenstaander zou dit kluwen van belangen kunnen ontwarren.

Van Hengel voelde wel voor de uitdaging en overwoog een directeurschap in Rotterdam. Aangezien zijn collega-directeuren hem niet wilden laten gaan, sloten de Amsterdamsche Bank en de Robaver ten slotte een gentlemen's agreement. In oktober 1924 verruilde Van Hengel zijn directeurspost voor een plaats in de raad van toezicht van de Amsterdamsche Bank, terwijl hij gelijktijdig werd benoemd tot gedelegeerd commissaris bij de Robaver. Na jarenlang Amsterdams gemor over 'een teveel aan Maaswater in de Amstel' waren de verhoudingen nu volledig omgedraaid. Van Hengel stelde zich als een neutraal zaakwaarnemer op, maar omdat hij zich niets van de lokale verhoudingen aantrok en vierkant zijn opvattingen omtrent gezond bankieren doorzette, maakte hij weinig vrienden in Rotterdam.

Het lukte Van Hengel om de Robaver weer vlot te krijgen en de bank in het voorjaar van 1927 met een kleine stille reserve over te dragen aan een nieuwe directie. Van Hengels wens om daarin te worden opgenomen bleef echter onvervuld. Een commissariaat bij Müller&Co. ging eveneens aan zijn neus voorbij, ondanks zijn onmiskenbare verdiensten bij de herstructurering van dat bedrijf parallel aan de redding van de Robaver. Per 1 april 1927 keerde Van Hengel terug op zijn vacant gehouden directeurspost bij de Amsterdamsche Bank, al trad hij pas een jaar later - na een wereldreis - weer in functie.

De conjunctuuromslag van 1929 schiep voor Van Hengel een nieuwe en nog veel delicatere gelegenheid zijn talenten als banksaneerder te tonen. In mei 1931 raakte de Oesterreichische Credit-Anstalt für Handel und Gewerbe in ernstige moeilijkheden door enorme verliezen. Er brak een paniek uit, die naast de bank ook de Oostenrijkse staatsfinanciën dreigde mee te slepen, wat weer grote consequenties zou hebben voor het fragiele bestel in de omringende landen, Duitsland voorop. Via de president van De Nederlandsche Bank, G. Vissering, kreeg Van Hengel een uitnodiging van de Oostenrijkse regering haar als deskundige in de crisis bij te staan, vermoedelijk op suggestie van de Rotterdamse hoogleraar economie G.W.J. Bruins, die adviseur van de Oostenrijkse nationale bank was. Lang zal Van Hengel zich niet hebben bedacht. Hij kende het land slechts van skivakanties, al had de Amsterdamsche Bank er wat belangen, maar de terugkeer naar een geregeld directeursbestaan was hem zwaar gevallen: hij voelde zich gevangen in de cel van zijn kantoor. Nadat Van Hengel op vrijdag de uitnodiging had ontvangen, zat hij op maandag al in Wenen.

Allereerst moest de paniek worden bezworen. Dankzij zijn via de Internationale Bank opgedane relaties bereikte Van Hengel dat de buitenlandse schuldeisers van de bank - waaronder de Amsterdamsche Bank - hem als hun vertegenwoordiger benoemden en een betalingsmoratorium aanvaardden. Vervolgens toog hij aan het werk om het vertrouwen in de bank te herstellen, wat door het verwerven van een staatsgarantie lukte. Binnen enkele maanden ondervonden Van Hengels bancaire gaven en karaktereigenschappen in Wenen meer waardering dan tevoren ooit in Rotterdam. Dat kwam vooral omdat hij zich niet gedroeg als buitenlandse bankier, maar er blijk van gaf de Oostenrijkse verhoudingen te begrijpen.

Begin 1932 vroeg de Verwaltungsrat van de Credit-Anstalt hem de algehele leiding van het bedrijf op zich te nemen door Generaldirektor te worden. Per 15 februari aanvaardde hij deze benoeming en nam hij ontslag als directeur bij de Amsterdamsche Bank, waaraan hij nog tot 1935 als commissaris verbonden zou blijven. In mei 1932 liet hij zijn kinderrijke gezin overkomen om zich in Oostenrijk te vestigen. Eenmaal Generaldirektor kon Van Hengel vaart zetten achter de saneringsoperatie. Het herstructureren van de bank vereiste ook nu weer een nauwe betrokkenheid bij de reorganisatie van haar debiteuren, in dit geval een zeer diverse reeks van industriële ondernemingen. Na twee jaar waren de zaken voldoende op orde om weer aan uitbreiding te denken. Die kreeg zijn beslag in een fusie met de Wiener Bankverein en de overname van nog een andere bank, waarmee de Creditanstalt-Bankverein in 1934 de feitelijke controle over het grootste deel van de Oostenrijkse zware industrie verwierf.

Toch slorpte zelfs de leiding van dit indrukwekkende bedrijf niet al Van Hengels energie op. Sport bleef een belangrijke plaats innemen, en toen de Creditanstalt-Bankverein in rustiger vaarwater raakte, zocht hij nieuwe uitdagingen. Aangestoken door zijn zwager, een enthousiast vrijetijdspiloot, nam hij in 1935 met zijn echtgenote vlieglessen en verwierf hij zijn brevet. Vliegen had voor Van Hengel ook een praktische kant. Ofschoon Oostenrijk feitelijk een tweede vaderland was geworden, ging hij nog graag even naar Amsterdam om vrienden te zien. Krap twee maanden na een - geheel in zijn stijl - uitbundig gevierde vijftigste verjaardag steeg hij met zijn instructeur Godwin von Brunowski vanuit Wenen op voor een vliegtocht naar Nederland. Na een tussenstop in Bazel wilde Van Hengel het laatste stuk per se zelf vliegen en negeerde hij Von Brunowski"s protesten over zijn onervarenheid. Bij de landing op Schiphol stortte het toestel neer. Waarschijnlijk schatte Van Hengel, die slechte ogen had, de hoogte van het toestel verkeerd in en nam hij te vroeg gas terug. Het vliegtuig raakte hierdoor in een vrille, die hij niet meer kon corrigeren. Beide inzittenden waren op slag dood.

De Nederlandse en Oostenrijkse persberichten over Van Hengels tragische ongeluk maken de schok en diepe verslagenheid die zijn overlijden teweegbracht, nog steeds goed voelbaar. Van Hengel was onmiskenbaar een groot man en een topbankier, tijdens het interbellum met C.E. ter Meulen en J.W. Beyen de enige Nederlandse bankier van Europees formaat. Op het moment van zijn overlijden was de Creditanstalt-Bankverein weer vrijwel gezond, en met deze geweldige prestatie had Van Hengel alom de aandacht op zich gevestigd. Zijn bijzondere kwaliteiten stonden echter ten dele in de schaduw van zijn bruuske karakter. Van Hengel bracht buitengewone dingen tot stand, maar bereikte - misschien door een gebrek aan balans - nooit helemaal de toppen van zijn formidabele capaciteiten.

A: Familiearchief-Van Hengel in particulier bezit; collectie-Van Hengel in het Historisch Archief van de ABN AMRO Bank te Amsterdam.

P: Behalve de in de tekst genoemde dissertatie: Opmerkingen over de rol der handels- (of algemeene) banken in Nederland bij kapitaalverschaffing [Lezing] (Z.pl. 1929).

L: In memoriam Adrianus Johannes van Hengel (Z.pl. z.j.); 'De dagtaak van den bankdirecteur mr. A.J. van Hengel", in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25-2-1928; Gedenkschrift Generaldirektor Dr. Adrianus J. van Hengel (Wenen 1936); A. Frankfurther, In klinkende munt. Herinneringen van een bankier (Amsterdam 1961); J.W. Beyen, Het spel en de knikkers. Een kroniek van vijftig jaren (Rotterdam 1968); Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871- 1954). Onder red. van Joh. de Vries (3 dln; Groningen 1970); H.A. Brosche-Gips, Herinneringen 1946 - 27 mei - 1971 (Z.pl. z.j.); J.P.B. Jonker, 'Waterdagers van het kapitalisme; nevenfuncties van Nederlandse bankiers en de verhouding tussen bankwezen en bedrijfsleven, 1910-1940', in Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek 6 (1989) 158-190; Joh. de Vries, Geschiedenis van de Nederlandsche Bank. V: De Nederlandsche Bank van 1914 tot 1948. Visserings tijdvak 1914-1931 (Amsterdam 1989); D. Stiefel, Finanzdiplomatie und Weltwirtschaftskrise. Die Krise der Credit-Anstalt für Handel und Gewerbe 1931 (Frankfurt 1989); Wereldwijd bankieren. ABN AMRO, 1824-1999. Onder red. van T. de Graaf [e.a.] (Amsterdam 1999).

I: Nederland's Patriciaat 67 (1983) 125 [Foto: Hay Wrightson, Londen].

J.P.B. Jonker


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013