Hermans, Antoine Gérard Theodore (1916-2000)

 
English | Nederlands

HERMANS, Antoine Gérard Theodore (1916-2000)

Hermans, Antoine Gérard Theodore, cabaretier (Sittard 17-12-1916 - Nieuwegein 22-4-2000). Zoon van Jean Baptiste Nicolas Hermans, bankier, later hoofdvertegenwoordiger en ondernemer, en Maria Elisa Josephina Dullens. Gehuwd op 5-12-1946 met Maria Christina Weijtboer (1925-1990), schrijver tweede klasse, later schoonheidsspecialiste. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren.

afbeelding van Hermans, Antoine Gérard Theodore

Antoine Hermans - voor zijn moeder 'Tonie' en voor zijn stadgenoten 'Teun' - was de tweede van vijf zoons in een welvarend gezin. Dichtbij het centrum van Sittard had vader Hermans in 1913 - kort voor zijn huwelijk - een luxueuze villa met een grote tuin laten bouwen, waar hij met zijn gezin op stand kon leven. Hij was een zwierige verschijning, die als directeur van de Sittardsche Bank tot de notabelen van de stad behoorde en op een vanzelfsprekende manier rooms-katholiek was. Bij zijn bescheiden, vrome vrouw ging het geloof veel dieper. Zij was ook degene die haar grote Mariaverering overbracht op haar kinderen.

Lang duurde de rijke tijd echter niet. In 1924, toen Toon acht jaar oud was, ging de Sittardsche Bank failliet door de voorafgaande inflatie van de Duitse mark. Prompt raakte vader Hermans niet alleen zijn positie en inkomen kwijt, maar ook zijn status in de stad. De villa moest worden verkocht, waarna het gezin al snel zijn intrek in een huisje in de binnenstad moest nemen. Vader trachtte het hoofd boven water te houden als hoofdvertegenwoordiger van de Belgische chocoladefabriek 'Côte d'Or' en daarna met een eigen beschuitfabriekje, maar een succes werd dat niet. Hij verloor zijn levenslust en stierf op 47-jarige leeftijd. Zijn vrouw en kinderen moesten daarna nog kleiner gaan wonen, in een huurwoning buiten het centrum.

Toen zijn vader overleed, was Toon nog geen twaalf jaar. Zelf had hij inmiddels al de clown gespeeld in circusvoorstellingen die hij samen met vriendjes organiseerde in de tuin bij de overburen, waar hij op zijn tiende ook al als Sinterklaas optrad. Gretig deed Toon na wat hij zag op de kermis en in het circus, bij processies en carnavalsoptochten en tijdens concerten van harmonieorkesten en zangkoren. Daarbij kwamen nog de populaire liedjes die hij bij zijn grootmoeder thuis op de radio hoorde. Mede omdat de armoede thuis een deprimerend effect op het gezin had, greep de jongen iedere gelegenheid aan om buitenshuis zijn vertier te zoeken.

Als scholier op de R.K. MULO was Hermans 'een ongedurige puber, vol gekheid en constant bezig met het maken van versjes en tekeningen' (Op den Kamp, 46). In 1930 ging de wispelturige jongen van school en zocht hij een baantje om voortaan ook zijn bijdrage aan de gezinskas te kunnen leveren. Naar eigen zeggen werkte hij een paar weken als kolenraper bij de Staatsmijn Maurits, verkocht hij nietmachines aan winkeliers en werd hij als etaleur en decorateur in dienst genomen bij een keten van schoenwinkels in de buurt (Verhalen uit mijn leven, 45). Toen hij daar eenmaal zijn draai had gevonden, nam hij ook opdrachten van andere winkeliers aan voor het beschilderen van etalageruiten en het tekenen van prijskaartjes.

Op zijn achttiende kreeg Hermans van een bevriende meubelmaker het verzoek een revueavond samen te stellen voor de afdeling Sittard van De Jonge Werkman, de katholieke vereniging van jeugdige ambachtslieden. Het evenement, dat plaatsvond op 20 januari 1935, kan worden gezien als Hermans' podiumdebuut, omdat hij ook zelf in de voorstelling optrad. De avond werd een succes en vormde voor Hermans de aanleiding een permanent Sittards revuegezelschap op te richten. In mei 1935 speelde het nieuwe ensemble zijn eerste voorstelling, waarvan Hermans, behalve als tekstschrijver, regisseur en decorschilder, met zijn voordrachten en liedjes het middelpunt vormde. Mede door de enthousiaste recensies ging het Sittardsch Revue-Gezelschap al spoedig ook elders in Limburg optreden.

Maar ook los van de revue kreeg Hermans in de loop van 1936 steeds meer emplooi, als solohumorist op de vele feestavonden van het Limburgse verenigingsleven. Zoals indertijd gebruikelijk lardeerde hij zijn komische nummers - waaronder een imitatie van de grote revueclown Johan Buziau - met positieve, optimistisch gestemde liedjes. Ook schreef hij in opdracht liedjes voor carnavalsverenigingen en andere gezelschappen. Een vaste werkkring had hij toen al niet meer; het artiestenbestaan vulde zijn dagen en begon tevens - zij het nog op bescheiden schaal - inkomsten op te leveren.

De Duitse bezetting leek aanvankelijk voor Hermans geen verschil te maken. Niet alleen gingen er tussen eind 1940 en eind 1941 maar liefst drie revues van en met hem in première, maar ook trad hij in die tijd als pauzenummer op in een paar Sittardse bioscopen. Op 11 oktober 1941 maakte 'de Sittardsche komiek' bovendien zijn radiodebuut, in het programma De Omroep in Limburg, opgevoerd in de Stadsschouwburg in Maastricht als onderdeel van een serie uitzendingen waarin de onder Duits gezag gestelde Nederlandsche Omroep een propagandatournee maakte langs alle provincies.

In het voorjaar van 1942 besloot Hermans de sprong naar landelijke faam te wagen door naar Amsterdam te verhuizen. 'Het ene moment dacht ik: was ik maar thuis gebleven, ik ben veel te klein voor deze grote wereld. En het andere moment dacht ik: hier komt een groot artiest, hij zal jullie wel eens wat laten zien', schreef hij later (Levensboek, 95). Bij een hospita kon hij een kamertje betrekken in een pand om de hoek van het Leidseplein, vlak bij het 'Leidsepleintheater', waar hij zijn Amsterdamse debuut maakte. Zijn eerste werkgever was de impresario Carl Tobi, die hem als extra attractie engageerde in de cabaretachtige revuetjes Avondmelodie en Pret van A tot Z. Daarna maakte Hermans deel uit van een klein ensemble rondom het revuepaar Berry Kievits en Gerard Walden, dat in 1943 en 1944 de voorstellingen Première, Uitverkoop en Mademoiselle Swing speelde. Hij deed typetjes, zong vrolijke en filosofisch gestemde liedjes en bleef ook succes oogsten met zijn perfecte imitatie van Buziau.

Tijdens de hongerwinter van 1944/1945 kon er niet meer worden gespeeld, maar onmiddellijk na de bevrijding werkte Hermans mee aan een aantal feestprogramma's in Amsterdam. In juli 1945 ging hij nog even terug naar Sittard om - voor het laatst - een nieuwe revue in elkaar te zetten en om zijn Sittardse vriendin, met wie hij vanuit Amsterdam was blijven corresponderen, weer te zien. Hermans was echter ambitieus genoeg om weer snel naar de hoofdstad terug te keren. Daar stond hij vanaf eind 1945 - naast de acteur Jan van Ees, actrice Wiesje Bouwmeester en enkele andere artiesten - bij het door impresario Floris Meslier opgerichte groepje 'Theater Plezier'. Zodra het trein- en autovervoer weer enigszins op gang kwam, ging hij daarmee ook tournees door de rest van het land maken.

In juni 1946 ontmoette Hermans de Amsterdamse schoonheidsspecialiste Rita Weijtboer, met wie hij binnen een half jaar trouwde. 'Theater Plezier' kreeg in 1947 extra bekendheid door een gastoptreden in de Bonte Dinsdagavondtrein, het massaal beluisterde amusementsprogramma van de AVRO-radio. Daarna vroeg de omroep het ensemble zo vaak terug dat Hermans spoedig uitgroeide tot een populaire artiest. Vooral twee Louis Davids-achtige liedjes van eigen hand die hij voor de microfoon ten doop hield, droegen daaraan bij, namelijk: 'Ik ben Jansen' (1947) en 'De jeep van Jansen' (1948). Beide nummers verschenen ook snel op de plaat en werden goed verkocht. Op publiciteitsfoto's uit die dagen droeg hij een zwierige artiestenhoed en een dun snorretje dat hem het uiterlijk van een Franse chansonnier gaf.

'Theater Plezier' heeft vijf seizoenen bestaan, waarin Hermans zich steeds vaker op de voorgrond wist te plaatsen. In de loop van 1950 begon hij plannen te maken voor een eigen ensemble, waarvan hij zelf de koers kon bepalen. In plaats van de traditionele opeenvolging van losse samenspraakjes en liedjes volgens het oude revueprocedé, wilde hij een veel moderner soort voorstellingen maken: cabareteske programma's in een speelse, kolderieke sfeer die aansloot op de smaak van de eerste Nederlanders die in de naoorlogse jaren naar Parijs gingen. In de programmaboekjes die Hermans daarbij ontwierp, wemelde het van de terrasjes met wijn en stokbrood, de gestreepte tricottruitjes en de alpinopetjes. Met wisselende groepjes jonge artiesten, onder wie Beppie Nooy, Mimi Kok en Nico Knapper, maakte hij drie programma's: Hartendwaas (1951), Ballot (1953) en Zaza (1954). De meeste critici schreven er welwillend over, maar een doorslaand succes werd de formule niet. De francofiele sfeer trok geen groot publiek.

Wel merkte Hermans dat het enthousiasme in de zaal doorgaans een hoogtepunt bereikte wanneer hij een solonummer deed. Op grond daarvan begon hij in de loop van 1955 alleen met een orkestje op te treden, naar het voorbeeld van de door hem bewonderde Franse chansonniers en Amerikaanse zangers: de eerste 'one-man-show' van een Nederlands cabaretier was daarmee een feit. Hermans optreden werd een combinatie van kolderpraatjes, mimische nummers en lichtvoetige liedjes, waarin hij zijn voorliefde voor zotte verzinsels van on-Nederlands allooi inbedde in de typisch Nederlandse hang naar gezelligheid. 'Niets zeggen is moeilijker dan iets zeggen,' was een kenmerkende opmerking uit die show. Toon Hermans speelde het programma ruim 300 keer met groeiend succes. En toen de AVRO het daarna, op 12 april 1958, rechtstreeks op de televisie uitzond, was hij in één klap de populairste artiest van het land. Hij trok miljoenen kijkers.

Al voor die televisie-uitzending had Hermans aangekondigd dat hij nu ook een speelfilm ging maken, met Charlie Chaplin en Jacques Tati als grote voorbeelden en de visuele grapjes in Bert Haanstra's film Fanfare (1957) als recente inspiratiebron. Aan zelfvertrouwen ontbrak het hem niet; hij fungeerde als scenarist, componist, decorontwerper, hoofdrolspeler en regisseur. De bioscooponderneming City Film had voldoende vertrouwen in het project, dat de titel Moutarde van Sonaansee kreeg, om een budget van 425.000 gulden beschikbaar te stellen. De opnamen werden grotendeels gemaakt in en om Zandvoort, waar Hermans inmiddels met zijn gezin woonachtig was. Hij liet zich omringen door vrijwel onbekende acteurs en dilettanten wier type hem beviel. Zelf speelde hij een dichterlijke man wiens pittoreske huisje moet wijken voor de uitbreidingsplannen van een grote worstfabrikant.

Toen de film in 1959 uitkwam, maakte de kritiek er korte metten mee. Het was, aldus Jan Blokker in het Algemeen Handelsblad (23-10-1959), 'een slordig rijgsel', met 'onbeholpen' dialogen, liedjes die 'geen zin' hebben op een filmdoek en 'rommelige' decors: 'Zijn regie is er niet; zijn beheersing van het filmvak blijkt uit niets'. Weliswaar kwamen er toch nog 250.000 bezoekers op de film af, maar dat was toen lang niet genoeg om van een succes te spreken. Ruim dertig jaar later gaf Hermans in een televisie-interview toe: 'Het was gewoon je reinste amateurisme' (Klöters en Wade).

Meer succes hadden de one-man-shows die Hermans na zijn filmavontuur weer ging maken. Hij stond erom bekend het publiek pijn in de buik van het lachen te bezorgen. In theater Carré in Amsterdam ging zelfs jarenlang de mare, dat niemand zo veel natte stoelen veroorzaakte als hij. De meeste one-man-shows kregen geen titel; alleen de naam 'Toon' op het affiche volstond om de zalen te laten vollopen. En ook de televisieregistraties - ongeveer eens in de drie jaar - waren een groot succes; ze stonden steeds in de top tien van de populairste en best bekeken programma's van het jaar.

In 1960 besloot Hermans dat er ook in het buitenland emplooi moest bestaan voor zijn variété in woord en muziek. Hij begon in een theater in Wenen, kreeg juichende kritieken en speelde enkele weken voor een uitverkochte zaal (700 zitplaatsen). Daarna ging hij naar München - waar zijn optreden tevens werd opgenomen voor de Duitse televisie - en naar Düsseldorf. Ondanks het succes zette hij deze Duitstalige tournee echter niet voort. Later zei hij ter verklaring heimwee naar huis te hebben gekregen. Wel vloog Hermans in 1965 naar New York voor besprekingen over een serie voorstellingen op Broadway. Ter plaatse werd besloten dat hij eerst in Canada ervaring zou opdoen met optreden in het Engels. In 1968 gaf hij tien voorstellingen in Toronto. Maar de stap naar Broadway bleef achterwege; ook ditmaal zei hij bij nader inzien te zijn teruggeschrokken voor het vooruitzicht dat hij maandenlang ver van huis zou moeten wonen.

In eigen land werd Hermans in deze jaren in toenemende mate bekritiseerd omdat zijn shows in geen enkel opzicht voldeden aan de eisen die indertijd aan cabaret werden gesteld. Enig maatschappelijk engagement klonk er immers niet in door, laat staan een aanval op het in die dagen alom bespotte gezag. In het cabaretprogramma Met blijdschap geven wij kennis (1968-1971) speelde Frans Halsema zelfs een parodie, waarin 'Toon' werd neergezet als iemand die leeghoofdige liedjes over bloemetjes en bijtjes zong. Die tijdgeest maakte Hermans onzeker. De one-man-show waarmee hij in 1970 in première ging, was de eerste die bij de critici gemengde gevoelens opriep. 'Toon verkondigt de blijheid met enige moeite,' aldus het Algemeen Handelsblad (24-9-1970). Na een half jaar moest de tournee worden beëindigd. Namens de artiest werd bekendgemaakt dat hij was getroffen door een acute infectieziekte. Pas eind 1972 keerde hij terug met een show die aanzienlijk beter werd ontvangen. De hoogtepunten waren een komische conference over de armoedige Sinterklaasvieringen uit zijn jeugd en de vergeefse auditie van een ietwat versleten goochelaar voor een televisieproducent van wie alleen het dwingende stemgeluid is te horen. Dit tragikomische nummer maakte van de tekst 'de duif is dood' een staande uitdrukking en gold bovendien als meesterproef. Sindsdien had de tijdgeest geen vat meer op hem; Toon Hermans was een theatergenre op zichzelf geworden.

Zo speelde Hermans de jaren zeventig door en leek hij onbekommerd aan de jaren tachtig te kunnen beginnen. Ware het niet dat hij toen steeds vaker voorstellingen moest afzeggen wegens problemen met zijn stem. In 1984 kondigde Hermans - inmiddels 67 jaar oud - daarom aan dat zijn nieuwe one-man-show tevens zijn laatste zou zijn. In die show speelde hij, als een kirrende malloot die niet tot bedaren te brengen was, een parodie op zijn eigen optreden van 25 jaar eerder. Hij draaide nu op een veel lager toerental, maar bleek ook zonder klassieke nummers op het niveau van zijn grote successen nog steeds een zeer omvangrijk publiek aan te spreken. Twee seizoenen lang had hij uitverkochte zalen.

Bij voorbaat had Hermans aangekondigd dat hij na die laatste tournee zijn dagen zou vullen met het schrijven van boeken en vooral met schilderen, een hobby die hij al vele jaren beoefende. Pas toen er na zijn dood voor het eerst een soloten toonstelling werd georganiseerd van zijn schilderwerk, bleek dat hij op enkele honderden schilderijen zo ongeveer alle stijlen en stromingen van de laatste honderd jaar had beproefd. Zijn schilderkunstige oeuvre was een bonte mengeling van fijnzinnige landschapjes en levensechte portretten naast stillevens en ander werk met aanzienlijk minder zeggingskracht.

Maar al na twee jaar, in 1988, kwam de notoir wispelturige Hermans terug op het podium met een nieuwe theatershow, en nogmaals in 1992. Die laatste tournee moest hij echter na enkele maanden afbreken. Zijn show omvatte toen enkele liefdesliedjes voor zijn Rietje, die twee jaar eerder aan kanker was gestorven. Hij liet weten dat deze nummers hem zo aangrepen dat hij niet meer verder kon. Daarna, in 1996, maakte hij nog één keer een nieuwe theatertournee. Sindsdien verschenen er nog wel enkele boeken en cd's, waarvan de laatste, Als de liefde niet bestond, postuum zou worden uitgebracht. Na veel verhuizingen woonde Hermans de laatste jaren van zijn leven in Bosch en Duin. Hij overleed op 83-jarige leeftijd, na een hartaanval, in het Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein.

Bij zijn dood werd Hermans alom herdacht als de grootste clown onder de topcabaretiers van zijn generatie. Anders dan Wim Kan en Wim Sonneveld was hij een komiek die zijn humor vooral in gekkigheid zocht. Hij kon een stoel oppakken, verklaren dat die nog van zijn tante was geweest en ongeëvenaarde hilariteit veroorzaken door daarover zeer langdurig te blijven doorzeuren. Hermans beschikte over de toverkracht om de aandacht van een volle zaal minutenlang op zo'n volstrekt gewoon zitmeubel te richten. Ook persifleerde hij een spreker die zichzelf met nasaal geluid eindeloos herhaalde en zette daarbij een feestneus op, die een lachwekkend contrast vormde met 's mans slepende timbre. En in een latere show voerde Hermans een zotte ornitholoog ten tonele, die zonder een spier te vertrekken imitaties liet horen van niet-bestaande vogels als de 'poelifinario' en de 'kroet'. De belangrijkste prijs voor het beste cabaretprogramma van het jaar draagt sinds 2003 de naam 'Poelifinario'. De herhaling was een van Hermans' sterkste wapenen, evenals de schijnbaar pointeloze onzin van zijn praatjes. 'Theater is magie,' luidde zijn motto. 'Niet een mededeling, maar magie' (Van Gelder).

De andere kant van zijn talent waren de liedjes die Hermans schreef. Tere chansons met een tijdloze kwaliteit, zoals 'De appels op de tafelsprei' en 'Vierentwintig rozen' en vrolijk huppelende deuntjes, die het soms zelfs, zoals 'Mien waar is mijn feestneus?', tot carnavalsschlager brachten. Achter de eenvoud van zijn taal ging een groot raffinement schuil, waardoor heel wat nummers klassiek zijn geworden.

Tegenover de buitenwereld presenteerde Toon Hermans zichzelf altijd graag als 'een gewoon menneke' dat er geen diepe gedachten over zijn werk op na hield, als iemand die geen verstand had van theaterwetten en zijn shows min of meer improviserend speelde, alsof elke avond een unieke gebeurtenis was en dus heel anders dan de vorige en de volgende. In werkelijkheid legde hij alles echter uiterst consciëntieus vast. Nadat de conferences tijdens de try-outs hun definitieve vorm hadden gekregen, week hij daarvan zelden of nooit meer af. Alles wat Hermans zei, en ook de timing daarvan, was vanaf dat moment onwrikbaar geworden. En volgens Wim Hazeu, die vanaf de jaren zeventig de initiator en uitgever was van een groot aantal van diens bundeltjes met versjes en filosofisch getinte teksten, was Hermans' optreden 'allemaal uitgekookt, tot en met de vouw in zijn broek' (Verbraak). Daarom kregen zijn muzikanten een 'lachpremie' van 50 gulden per avond wanneer zij tijdens de show vaak genoeg een lach op hun gezicht lieten zien. Het publiek had die aansporing niet nodig. Toon Hermans heeft miljoenen Nederlanders onbedaarlijk laten lachen.

A: Persdocumentatie betreffende Toon Hermans in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

P: o.a.: Kolderliedjes (Laren 1961); Toonboek (Utrecht 1968); Clownerietjes (Amsterdam 1975); Liggen in het gras (Amsterdam 1978); Fluiten naar de overkant (Amsterdam 1979); Waar ben je (Amsterdam 1980); Alles is heimwee (Amsterdam 1980); Ik heb het leven lief (Amsterdam 1981); De danstent in de wei (Amsterdam 1982); Verhalen uit mijn leven (Baarn 1986); Wie is jong, wie is oud (Baarn 1990); Levensboek (Baarn 2001). Toon, levenskunstenaar [Tentoonstellingscatalogus van zijn schilderijen, Singer Museum te Laren] (Amsterdam 2001). Toon Hermans one man shows, 1958 -1997. Box met 22 DVD's, samengesteld door Jacques Klöters en Lisa Wade (2005).

L: E. Elias, Portret van Toon. Het leven van een humorist ('s-Gravenhage 1951); Ruud Kuyper, Toon Hermans. Clown in klompenland (Amsterdam 1981); Maurice Hermans, Mijn vader (Baarn 1991); Harrie Op den Kamp, Teun/Toon. Van droom naar roem, Limburg 1916-1946 (Sittard 2002). Op 23-4-2005 zond de VARA de documentaire Toon Hermans, de kleuren van een clown van Coen Verbraak uit.

I: E. Elias, Portret van Toon. Het leven van een humorist ('s-Gravenhage 1951) omslagfoto.

Henk van Gelder


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013