Hillenius, Dirk (1927-1987)

 
English | Nederlands

HILLENIUS, Dirk (1927-1987)

Hillenius, Dirk, bioloog, dichter en schrijver (Amsterdam 29-5-1927 - Amsterdam 4-5-1987). Zoon van Jan Machiel Hillenius, bankemployee, en Johanna Petronella Dangermond. Gehuwd op 31-12-1955 met Florentia Gehrels (geb. 1928). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren.

afbeelding van Hillenius, Dirk Dick Hillenius groeide op in een gezin met drie jongens, van wie hij de oudste en ook de meest veelzijdig begaafde was. Al op de HBS viel hij op door zijn grote belangstelling zowel voor muziek en literatuur als voor de levende natuur. Deze laatste interesse werd mede gestimuleerd en gevormd door zijn lidmaatschap van de Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), waar hij een actieve rol in speelde en waarin hij ook zijn latere echtgenote heeft leren kennen.

Aanvankelijk ging Hillenius' voorkeur vooral uit naar de muziek, en hij droomde van een toekomst als componist. Kort na zijn eindexamen HBS in 1944 kwam hij echter tot de conclusie dat een loopbaan in de muziek voor hem niet was weggelegd. Hij besloot zich niet voor het conservatorium in te schrijven, maar ging in september 1945 biologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam; een keuze die hij nooit heeft betreurd, al is de wens componist te worden nog tot rond zijn vijfentwintigste levend gebleven.

Tijdens zijn studie bleef Hillenius ook zijn literaire interesses trouw. Op 6 januari 1950 trad hij toe tot de redactie van het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures, waarvan hij deel uitmaakte tot 20 december 1952. Met een redacteurschap van bijna drie jaar was hij een van de langstzittende redacteuren van dit al sinds 1890 bestaande blad. In talloze bijdragen, in proza zowel als poëzie, ontplooide hij zijn talent als schrijver en dichter met een heel eigen thematiek en toon.

Na het behalen van zijn kandidaatsexamen in 1950 moest Hillenius in militaire dienst. Hij weigerde, omdat hij niet in opdracht van een andere persoon een geweer wilde hanteren. Dit hield hij strak en stijf vol, en uiteindelijk werd dit als een gewetensbezwaar erkend. Zo kwam hij terecht in een kamp voor dienstweigeraars in het Drentse Vledder. Het voortdurend in gezelschap verkeren van gelovigen en idealisten van diverse snit werd de eigenzinnige individualist Hillenius echter te veel, en hij ging in hongerstaking. Toen de autoriteiten inzagen hoezeer het hem ernst was met zijn verzet, werd hij van de dienstplicht ontheven. Deze hele episode heeft een blijvende indruk op hem gemaakt, vooral ook door de haast mystieke ervaringen van onthechting en helderheid die de hongerstaking hem bezorgde.

Terug in Amsterdam kwam Hillenius in 1951 als student-assistent te werken bij het Zoölogisch Museum van de gemeentelijke universiteit. Hij werd in 1952 bevorderd tot tentoonstellingsconservator in tijdelijke dienst, en in 1957 tot conservator in vaste dienst voor de afdeling reptielen en amfibieën; een functie die hij zou blijven vervullen tot aan zijn dood. Na zijn afstuderen in 1954 trad hij het jaar daarop in het huwelijk met Florrie Gehrels, die hij al tijdens de bezetting in de NJN had leren kennen. Van 1957 tot 1973 heeft Hillenius met zijn gezin in de directe nabijheid van het Zoölogisch Museum op het terrein van de dierentuin Artis gewoond. De bijzondere locatie van deze woning, afgezonderd van de buitenwereld, maar toch centraal in de stad gelegen, kwam treffend overeen met zijn hele levenshouding, die sterk naar onafhankelijkheid neigde en tegelijk vol nieuwsgierigheid gericht was op wat andere mensen bezighield en bezielde.

Op 9 december 1959 promoveerde Hillenius bij zijn leermeester professor H. Engel op een proefschrift over de systematische indeling van kameleons, The Differentiation within the Genus Chamaeleo Laurenti 1768. Na zijn promotie ondernam Hillenius als bioloog reizen naar Afrika en Zuid-Amerika, en hij organiseerde diverse tentoonstellingen in het Zoölogisch Museum. Hij publiceerde in Engelstalige vaktijdschriften verschillende artikelen over kameleons en salamanders. Ook nam hij in openbare bijeenkomsten en in geschrifte duidelijk stelling in de strijd voor natuurbehoud. Zijn commentaren op de opzienbarende ontdekking in 1960 van misvormde kikkers in de buurt van het laboratorium van de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek van de Materie in Amsterdam-Oost, waar radioactief afval werd geloosd, droegen bij tot de vele publiciteit rond deze affaire.

Blijvende bekendheid heeft Hillenius echter vooral ontleend aan de rol die hij speelde in de Nederlandse literatuur in zijn unieke hoedanigheid van schrijver-dichter-bioloog. Hij leverde geregeld bijdragen aan de kort tevoren door generatiegenoten opgerichte tijdschriften Tirade en Hollands Weekblad. Vooral in Hollands Weekblad en in zijn opvolger, Hollands Maandblad, vond Hillenius een publicatiemogelijkheid die uitstekend paste bij zijn sterk persoonlijke, liefst in de notitievorm gestelde 'schrijfsels'. De Franse schrijvers Paul Léautaud en Stendhal, en in Nederland Multatuli, J. Slauerhoff en E. du Perron waren zijn grote voorbeelden. Daarnaast bleef de biologie steeds een bron van inspiratie.

Ook getuigde Hillenius met liefde van zijn muzikale voorkeuren. Hij beschreef de sensatie van het voor het eerst beluisteren en zelf spelen van werken van Maurice Ravel, Claude Debussy en Eric Satie, en gaf commentaar op uitvoeringen van jongere componisten. Hij schreef met enthousiasme over de - in Nederland indertijd nog weinig bekende - Amerikaanse experimentele componist John Cage.

In 1961 verscheen Tegen het vegetarisme, Hillenius' eerste bundel met gedichten, losse notities en essays. De proza-afdeling werd voorafgegaan door het motto 'Zintuigen zijn de voetjes van de ziel'. De combinatie van het biologische begrip 'zintuigen' met het uitgesproken niet-biologische 'ziel' is karakteristiek voor Hillenius, evenals de verrassende aardse verbinding die hij tussen beide wist te leggen met het woord 'voetjes'. Zijn voorkeur voor verkleinwoorden kwam herhaaldelijk tot uiting wanneer hij schreef over 'ideetjes', 'mechaniekjes', 'godjes', 'besies' en 'kereltjes'. Gewichtigdoenerij was hem een gruwel. In een tijd waarin mannen die als medewerker aan de universiteit verbonden waren bijna vanzelfsprekend met een das om op hun werk verschenen, tooide Hillenius zich steevast met een open Schillerkraag.

De losse toon en de gevarieerde thematiek van Tegen het vegetarisme zijn voortgezet in al Hillenius' latere bundels, te beginnen met Oefeningen voor een derde oog (1965). De gedichten staan hier niet meer in een afzonderlijke rubriek, maar tussen de prozastukken. Naast persoonlijke ideeën en inzichten bevat het boek ook een aantal jeugdherinneringen, waaronder zeer pijnlijke, zoals die - direct al in de eerste notitie - aan de uitbesteding voor één maand van Dick en zijn broer Kees in een weeshuis, omdat in het krap behuisde ouderlijk gezin een derde kind verwacht werd. Ook latere gebeurtenissen, zoals het dienstweigeren en de hongerstaking, worden indringend beschreven in een verslag dat eindigt met de woorden: 'Solidariteit is een instinct dat me zelden bespeelt, misschien omdat ik zo weinig soortgenoten herken'.

Voor Oefeningen voor een derde oog ontving Hillenius in 1966 de Boekenmarktprijs van warenhuis 'De Bijenkorf'. In hetzelfde jaar verscheen zijn eerste gedichtenbundel Uit groeiende onwil om ooit nog ergens in veiligheid aan te komen, die in 1967 werd bekroond met de Poëzieprijs van de Gemeente Amsterdam. Vanaf januari 1967 redigeerde hij als eerste Avenue Literair, het literaire supplement van het prestigieuze nieuwe glossy maandblad Avenue - een taak die hij aan het eind van het jaar overdeed aan Renate Rubinstein.

Een speciale plaats in Hillenius' oeuvre wordt ingenomen door De vreemde eilandbewoner (1967). Dit werk - opgedragen aan zijn promotor professor Engel, en geïllustreerd door zijn broer, de schilder Jaap Hillenius - is het enige van Hillenius' boeken dat is opgezet als een monografie. Het is een wetenschappelijk biologische studie met als leidraad een uit de darwinistische evolutietheorie afgeleide stelling over kenmerkende eigenschappen van dierpopulaties op eilanden. Af en toe verraadt zich in de stijl het literaire schrijverschap, zoals in de slotzin die de centrale these nog eenmaal samenvat: 'Eilanden zijn dus paradijzen, waar de boom al gezaaid is, waaraan vroeg of laat de appel van het verderf zal groeien'.

In zijn latere werk is Hillenius doorgegaan met nieuwsgierig verkennende essays en notities over muziek, literatuur, kunst en het leven in het algemeen. Daarbij is het darwinisme steeds sterker op de voorgrond getreden. Hij stortte zich met verve in een in Hollands Maandblad en andere periodieken gevoerde polemiek met de slavist en schrijver Karel van het Reve over de evolutietheorie. Hillenius had grote waardering voor Van het Reve, deelde vele literaire voorkeuren met hem, maar vond zijn opvattingen over de evolutietheorie dilettantische onzin.

In de boeken die hij met enige regelmaat publiceerde, hield Hillenius bij voorkeur vast aan de vertrouwde vorm van notities en korte essays, afgewisseld met gedichten. De belangrijkste bundels waren Het romantisch mechaniek (1969), Het principe van nieuwsgierigheid (1978) en Wat kunnen wij van rijke mensen leren? (1986). Afwijkend van vorm was Sprekend een dier (1974), dat een meer conventionele verzameling boekbesprekingen en korte artikelen bevatte. Maar ook in dit boek heerste een vrolijke oorspronkelijkheid, die zich telkens weer liet leiden door de gedachte dat het perspectief van de evolutietheorie verrassende en onthullende inzichten in het menselijk gedrag en de menselijke cultuur kan opleveren.

Van 15 januari 1983 tot 13 december 1986 had Hillenius een eigen rubriek op een vaste plek in het weekblad Vrij Nederland. Hij schreef hiervoor in totaal 177 columns, waarvan er 69 zijn gebundeld in De hand van de slordige tuinman (1996). Een geliefd thema was voor hem in deze jaren de 'tweede tuin', behorend bij de boerderij in het Drentse Uffelte, waar hij graag vertoefde.

In 1986 was Hillenius enige tijd 'gastschrijver' aan de Rijksuniversiteit te Groningen. De lezingen die hij hier hield zijn gebundeld in De hersens een eierzeef (1986), waarin hij zijn op de biologische evolutietheorie geënte denktrant toepaste op een hele reeks culturele en sociale verschijnselen, met als centraal thema het probleem van de creativiteit. Het boek is in zekere zin Hillenius' geestelijke testament geworden. Hij kampte al enige tijd met hartproblemen; in 1987 overleed hij plotseling op bijna zestigjarige leeftijd.

Uit zijn gepubliceerde nalatenschap blijkt telkens weer hoe innig de drie 'takken van bedrijf', zoals hij zelf ze noemde, die Dick Hillenius heeft beoefend bij hem met elkaar verbonden waren: de biologie, het beschouwelijk proza, en de poëzie. Het bijzondere van zijn werk ligt juist in de combinaties, de mengvormen, waarmee hij toonde als schrijver en dichter ook bioloog, en als bioloog ook schrijver en dichter te zijn.

A: Persdocumentatie in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Bibliografie van Hillenius op internet: www.schrijversinfo.nl/hilleniusdick.html [Laatst geraadpleegd: 27-3-2007]. Een overzicht van de biologische publicaties van Hillenius in de onder L genoemde publicatie van Arntzen en Zuiderwijk, 305-306. Een overzicht van zijn overige werk in: Jos Paardekooper, 'D. Hillenius' [aug. 1992], in Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur (Alphen aan den Rijn 1980- ). Postuum verscheen van Hillenius: Verzamelde gedichten (Amsterdam 1991).

L: Behalve necrologieën o.a. door J. Goudsblom, in NRC Handelsblad, 5-5-1987, door Tamar [= Renate Rubinstein], in Vrij Nederland, 6-6-1987 en 5-5-1990, door Marten Brouwer, in Het Parool, 9-5-1987, door Leo Vroman, in Vrij Nederland, 16-5-1987, door J.W. Arntzen en A. Zuiderwijk, in SEH-News 8 (1987) 305-306: interview door Theun de Winter, in Haagse Post, 6-6-1972; interview door H.J. Oolbekkink, in Haagsche Courant, 8-1-1983; Themanummer 'Herinneringen aan D. Hillenius' van Hollands Maandblad 29 (1987) 5/6 (mei/juni); Thomas Lieske, 'Dick Hillenius 1927-1987. Poëziekroniek', in Tirade 31 (1987) 345-361; interview door Gert J. Peelen, in Budgetboeken Doos 1, Deel 002 (1988) 65-74; Hans Ree, 'Hillenius', in NRC Handelsblad, 25-7-2000; Richter Roegholt, 'Herinnering aan Dick Hillenius (1927-1987)', in De Groene Amsterdammer, 8-6-2002. In 1995 maakte Brigit Hillenius de documentaire Zintuigen zijn de voetjes van de ziel over haar vader Dick Hillenius.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: J. Evers; Collectie ANEFO: Hillenius op 11 maart 1970].

J. Goudsblom


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013