Hoetink, Everardina Wilhelmina (1904-1945)

 
English | Nederlands

HOETINK, Everardina Wilhelmina (1904-1945)

HOETINK, Everardina Wilhelmina, juriste ('s-Gravenhage 11-1-1904 - Ravensbrück (Duitsland) 16-2-1945). Dochter van Hendrik Richard Hoetink, medicus, en Gijsbertha Anna Jongbloed.

afbeelding van Hoetink, Everardina Wilhelmina Dien Hoetink - ook wel Loesje genoemd - groeide samen met haar vier jaar oudere broer Henk op in Den Haag. In deze stad had haar vader zich in 1902, na een langdurig verblijf in Nederlands-Indië, gevestigd als arts. De relatie met de kolonie in de Oost zou voor het gehele gezin van blijvende betekenis zijn. In Den Haag bezocht Dien een particuliere lagere meisjesschool en daarna, vanaf 1915, zes jaar lang het Stedelijk Gymnasium, het latere Gymnasium Haganum. Vanwege haar nerveuze aard kampte zij in haar jeugd, maar ook in latere jaren, vaak met een zwakke gezondheid.

Vanaf 1921 volgde Hoetink als spoorstudente een rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Hier legde zij op 15 december 1925 het doctoraalexamen af. Voor een pas afgestudeerde juriste waren de banen in deze jaren echter schaars. Bovendien waren de rechterlijke macht, het notarisambt en vele andere beroepen voor vrouwen niet toegankelijk. Aangenomen mag worden dat haar leermeester professor E.M. Meijers haar naar de arbeidsmarkt begeleidde. Tussen 1925 en 1932 werkte zij eerst bij een graankantoor in Rotterdam en daarna als directiesecretaris bij het verzekeringskantoor Blom en Van der Aa in Amsterdam. Met de directie van dit kantoor bracht zij in 1930 een werkbezoek aan Nederlands-Indië, dat zij combineerde met familiebezoek aan haar broer, die van 1929 tot 1935 hoogleraar was aan de Rechtshoogeschool in Batavia. Vanwege de kennelijk onmogelijke werkrelatie met haar directeur nam zij eind 1931 zelf ontslag.

Van januari 1932 tot november 1933 had Hoetink geen vaste betrekking. In deze jaren werkte zij af en toe als repetitor voor Leidse rechtenstudenten en schreef zij samen met de Haagse advocaat en procureur H.F.A. Völlmar het handboek De wet op de omzetbelasting. Gids voor de praktijk (1933). Ook onderhield zij voor haar broer in Indië de contacten met de Nederlandse uitgever van zijn arrestenbundels voor burgerlijk recht en handelsrecht, die onder juristen grote bekendheid genoten. In deze periode moest zij verwerken dat de relatie met haar grote liefde, een getrouwde Haagse zakenman, werd verbroken.

Door de crisis in de landbouw ontstond er bij de uitvoeringsorganen van de Landbouwcrisiswet behoefte aan geschoolde juristen. Mede door bemiddeling van H.M. Hirschfeld, directeur-generaal op het ministerie van Economische Zaken en een voormalige Indische relatie van broer Henk, kon Hoetink op 13 november 1933 in dienst treden van de Stichting Landbouw-Crisisbureau, een onderdeel van het departement van Economische Zaken. Hier ontwierp Hoetink in 1937, samen met en onder verantwoordelijkheid van secretaris-generaal A.A. van Rhijn, het sterk de aandacht trekkende voorontwerp van de Landbouwordeningswet, waarbij via publiekrechtelijke ordening werd ingegrepen in de particuliere verhoudingen van het landbouwbedrijfsleven. Het voorontwerp bracht evenwel aan het licht dat het landbouwbedrijfsleven en de politiek nog niet rijp waren de jarenlange overheidsbemoeiing om te zetten in een publiekrechtelijke ordening voor de landbouw. Om te kunnen ingrijpen in de particuliere economische verhoudingen in de landbouw moest de overheid zich daarom vooralsnog blijven behelpen met de 'gebrekkige' middelen van het privaatrecht.

Na vanaf augustus 1939 werkzaam te zijn geweest bij de afdeling Landbouw-Crisis-Aangelegenheden op het departement werd Hoetink hier begin 1940 hoofd van de afdeling Algemene Zaken van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd. Deze functie behield zij nadat de Duitsers in mei 1940 Nederland hadden bezet. Hoetink - de vertrouwelinge van S.L. Louwes, de machtige directeur-generaal voor de Voedselvoorziening - kreeg nu de gelegenheid zelfstandig èn met eindverantwoordelijkheid verder te werken aan regelgeving waarbij - in aansluiting op de artikelen 152 en 153 van de Grondwet - publiekrechtelijke taken konden worden overgedragen aan bijvoorbeeld (hoofd)bedrijfschappen. Deze regelgeving betrof het Voedselvoorzieningsbesluit 1940, het Organisatiebesluit Voedselvoorziening 1941 en het daarbij behorende Algemeen Reglement Voedselvoorziening.

Hoetink schreef de regels voor de landbouwordening niet ten dienste van de Duitse autoriteiten, maar overeenkomstig de maatschappelijke ontwikkelingen en politieke opvattingen zoals deze zich onder de Nederlandse regering reeds vóór 1940 hadden geopenbaard. Daarnaast schreef zij haar ordening vooral ook met het oog op een toekomst zonder bezetter. Door aan te sluiten bij de mogelijkheden van de Grondwet van 1938 wilde Hoetink er namelijk voor zorgen dat de regelgeving inzake de landbouwordening na de bevrijding zo snel mogelijk democratisch gelegitimeerd zou kunnen worden.

Binnen de landbouw was dringend een nieuwe ordening nodig, waarbij publiekrechtelijke taken konden worden overgedragen aan private organisaties, zoals bedrijfschappen en hoofdbedrijfschappen, om te voorkomen dat de problemen waarmee deze sector in bezettingstijd te maken had - en daarna, naar verwachting, nog mee te maken zou krijgen - eenzijdig door de overheid moesten worden opgelost Het was de verdienste van Hoetink dat zij dit ordeningssysteem voor de landbouw - de voedselvoorziening - de formele dekking van wet gaf via de gedachte van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie. Door deze vooruitziende blik kwam de Nederlandse landbouw na mei 1945 niet in een vacuüm terecht.

Ondertussen werd de leiding van het Rijksbureau geconfronteerd met de gevolgen van de Duitse bezetting voor het eigen personeel. Tussen november 1940 en voorjaar 1941 werden negen medewerksters geruisloos uit de dienst verwijderd, omdat zij - in tegenstelling tot de rest van het personeel - niet schriftelijk konden verklaren niet van joodse afkomst te zijn. Terwijl de leiding van het Rijksbureau dus enerzijds probeerde de gevolgen van de Arbeitseinsatz voor haar medewerkers te beperken, voerde zij anderzijds de maatregelen van de bezetter met betrekking tot haar joodse personeelsleden vrijwel zonder tegenspel uit.

In het najaar van 1943 nam Hoetink het initiatief tot de vorming van een personeelsfonds van ambtenaren van het Rijksbureau om - vooral in financieel opzicht - hulp te verlenen aan collega's die door plotseling optredende omstandigheden buiten eigen schuld met hun gezinnen in moeilijkheden waren geraakt. Zelf zou Hoetink de eerste voorzitter zijn. Het personeelsfonds gaf bovendien aandacht aan medewerkers die gedwongen tewerkgesteld waren in Duitsland, onder andere door het versturen van voedselpakketten. Daarnaast onderhield Hoetink, met medeweten van de leiding van het Rijksbureau, de contacten met de illegaliteit.

Vanaf maart 1941 hield Hoetink zich ook intensief bezig met de tuchtrechtspraak. Haar eigenzinnige stellingname dat de zwarte handel in landbouwproducten via (tucht)rechtspraak bestraft diende te worden, zou haar later noodlottig worden. De Duitse autoriteiten wilden deze problematiek snel aanpakken door zelf de desbetreffende landbouwers en handelaren - buiten de rechtspraak om - door middel van een eenvoudige administratieve beslissing economisch uit te sluiten. Deze controverse zou uiteindelijk op 3 augustus 1944 tot Hoetinks arrestatie door de Sicherheitspolizei leiden. Kennelijk wilde de bezetter door middel van vrijheidsberoving de leiding van het Rijksbureau onder maximale druk zetten om de tuchtrechtspraak met betrekking tot de zwarte handel in landbouwproducten buiten werking te stellen. De Duitsers zagen Dien Hoetink als de belichaming van het meningsverschil over de aanpak van de zwarte handel.

Na bijna twee weken internering in de Scheveningse strafgevangenis werd Hoetink op 16 augustus per trein overgebracht naar Vught. Vanuit dit strafkamp Vught, waar zij tewerkgesteld was bij het zogeheten Philips-Kommando, werd zij op 6 september 1944 op transport gesteld naar concentratiekamp Ravensbrück nabij Berlijn. Daar verrichtte Hoetink gedwongen arbeid in het Siemens-Kommando. Door de lichamelijke en geestelijke ontberingen van het kampleven raakte zij uiteindelijk geheel uitgeput. Dien Hoetink stierf begin 1945 op 41-jarige leeftijd. Het is mogelijk dat deze moedige, beginselvaste juriste door uitputting is bezweken, maar het meest waarschijnlijk is dat zij, omdat zij door de SS tot de non-productieven werd gerekend, in de speciaal voor deze groep gebouwde gaskamer van Ravensbrück is omgebracht.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicatie: 'De verticale organisatie op het gebied der voedselvoorziening', in Economisch-Statistische Berichten 27 (1942) 151-155; 'Opbouw der verticale organisatie van de voedselvoorziening', ibidem 27 (1942) 158-161; 'De ontwikkeling van de verticale bedrijfsorganisatie op het gebied der voedselvoorziening', ibidem 28 (1943) 212-216; 'Nogmaals: de verordenende bevoegdheid der bedrijfsorganisatie', in Nederlandsch Juristenblad, 5-1-1944; 'Eenige opmerkingen over de ontwikkeling van de verticale bedrijfsorganisatie op het gebied van de voedselvoorziening', in Economisch-Statistische Berichten 29 (1944) 442-445.

L: Necrologie in Nederlandsch Juristenblad, 22-6-1946; 'Everardina Wilhelmina Hoetink (Dientje)', in H. Beijer [e.a.], Helden/slachtoffers. Heldhaftige slachtoffers. Gymnasium Haganum ('s-Gravenhage 1997); J.E. van Kamp, Dien Hoetink. 'Bij benadering'. Biografie van een landbouw-juriste in crisis- en oorlogstijd (Groningen [etc.] 2005).

I: J.E. van Kamp, Dien Hoetink. ‘Bij benadering’. Biografie van een landbouw-juriste in crisis- en oorlogstijd (Groningen [etc.] 2005) 170 [Foto: H.R. Hoetink. Dien Hoetink rond 1940].

J.E. van Kamp


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013