Hoog, Frederik Hermanus de (1881-1939)

 
English | Nederlands

HOOG, Frederik Hermanus de (1881-1939)

Hoog, Frederik Hermanus de, politicus in Nederlands-Indië (Ambon (Ambon, Nederlands-Indië) 16-6-1881 - Bandoeng (Java, Nederlands-Indië) 1-3-1939). Zoon van Johannes Hermanus Josephus de Hoog, eerste machinist bij de Gouvernementsmarine, en Susanna Beekman. Gehuwd circa 1910 met Kiong Nio Oei (ook bekend onder de naam Louise Bertha Oei) (1874-1961). Dit huwelijk bleef kinderloos. Hij had 1 adoptiefzoon en 1 adoptiefdochter.

afbeelding van Hoog, Frederik Hermanus de

Dick de Hoog was een nakomertje in het vijf kinderen tellende gezin van een Nederlandse vader en een Indo-Europese moeder. Zijn vader overleed toen hij een peuter was. De financiële situatie liet daardoor niet toe dat Dick de opleiding volgde die paste bij zijn leergierigheid en intelligentie. Weliswaar kon hij nog met een beurs van de vrijmetselaarsloge de vijfjarige-HBS in Soerabaja bezoeken, maar toen hij daar op zestienjarige leeftijd met uitstekende cijfers zijn einddiploma behaalde, was een academische studie voor hem uitgesloten.

De Hoog werkte eerst drie jaar bij een - niet geïdentificeerde - werkgever in Soerabaja en trad eind 1899 als klerk in dienst van de Staatsspoorwegen. Hier maakte hij snel promotie: op 21-jarige leeftijd was hij reeds chef van de goederenloods in Soerabaja, een van de belangrijkste stations op Java. In 1905 klom hij op tot stationschef in de rang van commies tweede klasse te Djombang op Oost-Java. Maar in 1909 stokte zijn carrière. Aangezien een staffunctie bij de Staatsspoorwegen slechts was weggelegd voor academisch geschoolden, vertrok De Hoog - inmiddels gehuwd - in mei 1914 met verlof naar Nederland om daar aan de Rijksuniversiteit van Leiden de vereiste graad te behalen. Hij schreef zich in voor de studie Indologie. Dankzij de financiële steun van een vriend kon hij zijn verblijf verlengen. In een recordtijd behaalde hij op 13 oktober 1916 het eindexamen voor de Nederlands-Indische administratieve dienst.

In juni 1917 keerde het echtpaar De Hoog via de Verenigde Staten naar Indië terug. Als gegradueerd ambtenaar werd De Hoog gestationeerd in Batavia bij de dienst van Beweging en Handelszaken van de Staatsspoorwegen en werd hij al spoedig de rechterhand van de directeur. Eind maart 1922 volgde zijn benoeming tot hoofdambtenaar, gestationeerd te Djokjakarta. In februari 1925 kreeg hij een aanstelling als inspecteur der eerste klasse en verhuisde hij naar Bandoeng.

Naast maatschappelijke ambities had De Hoog ook politieke aspiraties. Als Indo-Europeaan behoorde hij in de koloniale samenleving tot de groep Indische Nederlanders wiens positie achtergesteld was, vergeleken bij die van de uit Nederland uitgezonden blanke krachten. In februari 1920 trad De Hoog toe tot het hoofdbestuur van het Indo-Europeesch Verbond (IEV), sinds juli 1919 de belichaming van de sociaal-economische emancipatiebeweging van de 'Indischman'. Na in 1923 vice-voorzitter te zijn geworden kwam hij in mei van het daaropvolgende jaar namens het IEV in de Volksraad, het Indische parlement. Toen het Verbond in 1926 een tweehoofdige leiding kreeg, ging De Hoog daarin de politieke portefeuille beheren. In maart 1929 werd De Hoog ten slotte tot enige voorzitter van het IEV gekozen.

De Hoog had zich ontpopt als de natuurlijke leider van het IEV. Mede door zijn inspanningen groeide het Verbond uit tot de belangrijkste (Indo-) Europese belangenbehartigingsorganisatie in de kolonie. In de Volksraad was het IEV vanaf 1927 de grootste fractie met De Hoog als leider. In die hoedanigheid trad hij in juni van dat jaar toe tot het College van Gedelegeerden, dat het dagelijks bestuur vormde van de Volksraad. Aangezien zijn bestuurswerkzaamheden niet meer te combineren waren met zijn werk bij de Staatsspoorwegen, kreeg hij in november 1927 eervol ontslag. Begin 1930 werd hij plaatsvervangend voorzitter van het College van Gedelegeerden en tweede ondervoorzitter van de Volksraad. Als zodanig was hij een van de weinige beroepspolitici die Indië in die jaren kende en een van de gezaghebbendste personen in de kolonie. De Hoog toonde zich een kundig bestuurder en een gewiekst politicus met een groot redenaarstalent, die alom werd gerespecteerd. Vriend en vijand roemden zijn fenomenale geheugen, kennis van zaken, tact en werklust.

De Hoog leefde bij wijze van spreken voor het IEV. Zijn werkdrang was mede ingegeven door een weinig gelukkig privé-leven. De Hoog was gehuwd met een zeven jaar oudere Chinese, de weduwe van een blanke Europeaan. Het was een verstandshuwelijk. Zijn vrouw was redelijk gefortuneerd, en dankzij haar geld kon De Hoog in Nederland studeren. Hij verschafte haar op zijn beurt maatschappelijke status. Hoewel de echtlieden naar buiten toe de schijn ophielden van een hechte relatie, gingen zij volstrekt hun eigen gang. Het feit dat zij geen eigen kinderen hadden en zijn echtgenote gokverslaafd was, bracht De Hoog er des te meer toe zijn heil te zoeken in zijn werk.

Binnen het IEV werd De Hoog gezien als het voorbeeld van een 'Indischman' van eenvoudige afkomst die het vooroordeel logenstrafte dat deze door zijn indolentie tot niets in staat was. De Hoog liet de Indo geloven in zijn eigen kracht en deed hem vertrouwen op zijn eigen kwaliteiten. Binnen het IEV was men trots op zijn 'Indo-generaal' en werd hij op handen gedragen. Gedichten, marsen en andere lofliederen werden aan hem gewijd, plaquettes en schilderijen van hem vervaardigd, een nijverheidsschool naar hem vernoemd in 1934. Deze verering had De Hoog in belangrijke mate te danken aan zijn markante, charismatische persoonlijkheid. Hoewel zakelijk en vastberaden in zijn optreden, was hij een gemakkelijk benaderbare, beminnelijke man. De laatstgenoemde eigenschap kwam ook tot uiting in zijn gezette postuur: 'Dikke Dicky' luidde zijn bijnaam.

De heterogene sociale samenstelling van de Indo-Europese groep dwong De Hoog te ijveren voor een grote mate van onderlinge solidariteit. Wilde het IEV iets voor de Indische emancipatie kunnen betekenen, dan diende men, zo redeneerde hij, de rijen te sluiten. De Hoog was de spil van en de bindende kracht binnen het Verbond. Hoewel hij onmiskenbaar tot de elite behoorde - hij was grootmeester van de vrijmetselarij en bewoonde een riante villa in Bandoeng - wist De Hoog zich goed in te leven in de noden van de kleine Indo en had hij onmiskenbaar een gevoelsverwantschap met hen. Hierdoor was hij als geen ander in staat de sociale kloof te overbruggen tussen de kleine 'bung' enerzijds en de veelal uit gegoede kringen afkomstige, gestudeerde IEV-voormannen en overige Indische notabelen anderzijds.

In de periode dat het nationalisme in Nederlands-Indië steeds sterker werd, betoonde De Hoog zijn steun en trouw aan het Gouvernement. Hij verbond het lot van de Indo-europese gemeenschap aan dat van het koloniaal regime. Weliswaar streefde hij naar grotere zelfstandigheid voor de kolonie, waarbij de Europese groep die Indië als moederland beschouwde, het voor het zeggen zou moeten krijgen - met gematigde Indonesiërs als secondanten - , maar dan wel blijvend onder de Nederlandse kroon. Van onafhankelijkheid, zoals de Indonesische nationalisten voorstonden, moest De Hoog niets hebben. Zijn loyale politiek wierp echter nauwelijks vruchten af. De nagestreefde maatschappelijke gelijkstelling van de Indo-Europeaan aan de blanke Europeaan werd slechts mondjesmaat verwezenlijkt, een oplossing voor de kwestie van het grondbezit kwam niet naderbij, de verheffing van de inheemse bevolking ten koste van de positie van de Indische gemeenschap werd geen halt toegeroepen, terwijl ten aanzien van de gevraagde autonomie de boot werd afgehouden.

De Indo-Europese bevolkingsgroep voelde zich dan ook in de hoek gedrukt en door de landvoogdij genegeerd. Om het Gouvernement tot daden aan te zetten besloot De Hoog een doorbraak te forceren door in juli 1936 in de Volksraad een frontale aanval op de landsregering te lanceren. Hij uitte scherpe kritiek op gouverneur-generaal jhr. B.C. de Jonge (1931-1936) vanwege diens desinteresse ten opzichte van de Indische groep. Als blijk van onvrede keurde de IEV-fractie op 30 juli 1936 de ingediende Gouvernementsbegroting af. Dit was een ongekende gebeurtenis. In de blanke Europese gemeenschap reageerde men dan ook geschokt en kreeg De Hoog zware kritiek te verduren. In het IEV evenwel stond men pal achter zijn leider en groeide de bewondering voor hem des te meer. Toch was het effect van zijn uitval gering. Er volgde geen wezenlijke verandering in het beleid van het Gouvernement jegens de Indische groep.

In 1938 vierde De Hoog het feit dat hij tien jaar voorzitter van het IEV was. Hier bereikte zijn roem een hoogtepunt. Er werd een naar hem genoemd sociaal fonds ingesteld. Hoezeer het IEV ook profiteerde van zijn gezag, zijn prominente positie had ook een keerzijde. Veel ruimte voor nieuwe ideeën was er niet. De Hoog streefde steeds naar consensus. Hij bezat het vermogen dissidente meningen volledig te ontkrachten en het Verbond op de koers te houden die hij nodig achtte. Aangezien hij de eenheid binnen de Indische groep voorop stelde, werden principiële verschillen nooit uitgevochten en werd altijd de gulden middenweg bewandeld. Dit maakte het IEV tot een conservatieve beweging, waarin de middenklasse domineerde.

De invloed van De Hoog binnen het Verbond neigde naar het absolute; zijn woord was wet. Alles draaide om hem en niets gebeurde zonder zijn instemming, of zoals het Algemeen Handelsblad (1-3-1939) schreef: 'De Hoog [is] niet alleen politiek leider, maar ook chef van de generale staf en tevens organisator en technisch uitvoerder'. Terwijl het leidersprincipe in IEV-kring als positief werd gewaardeerd - 'Big Boss' noemde men hem liefkozend - , waren zijn politieke opponenten minder te spreken over zijn vertoonde almacht, die autoritaire trekken vertoonde.

De meest bedenkelijke kant van De Hoogs positie als 'ongekroonde koning van het IEV' school evenwel in zijn onmisbaarheid. Als de verpersoonlijking van het IEV was het Verbond wel heel erg afhankelijk van De Hoog geworden. Pas toen ernstige gezondheidsklachten (hartfalen) hem steeds vaker voor lange tijd uitschakelden, drong het besef door dat er geen plaatsvervanger - en opvolger - voor hem beschikbaar was. Om hem uit de wind te houden had het IEV De Hoog in oktober 1931 al eens voor drie maanden met betaald verlof naar Europa gestuurd, maar hij weigerde taken over te dragen na zijn terugkeer. Hij overleed plotseling in 1939, op 57-jarige leeftijd, aan een hersenbloeding tijdens een hernieuwd ziekteverlof, en liet het IEV geschokt en verweesd achter. Unaniem loofde de Indische pers hem, en zelfs in Nederland was zijn overlijden voorpaginanieuws. Zijn begrafenis op de Nieuwe Europeesche Begraafplaats in Bandoeng was een indrukwekkend eerbetoon.

Ondanks zijn vele verdiensten heeft Dick de Hoog weinig tot stand weten te brengen. Hoewel hij het IEV groot maakte, slaagde hij er niet in de Indo-Europeanen uit hun sociale beklemming te bevrijden en hun een toekomst met perspectief te bieden. In het licht van de voortschrijdende emancipatie van de inheemse bevolking en de onontkoombare onafhankelijkheid van de kolonie waren principiële keuzes noodzakelijk. De Hoog vermeed die. Doordat hij het Indonesisch nationalisme niet tegemoetkwam, zou de Indische gemeenschap allengs in een steeds benarder positie geraken. Welbeschouwd had De Hoog te weinig oog voor de geest van de tijd, verzette hij niet tijdig de bakens en bezat hij per saldo toch niet de staatsmanscapaciteiten die hem bij zijn leven werden toegedicht.

A: Collectie-J.W. Meyer Ranneft in het Algemeen Rijksarchief te 's- Gravenhage (o.a. inv.nr. 349: ongepubliceerde memoires van F.H. de Hoog).

P: Artikelen in Onze Stem. Orgaan van het Indo-Europeesch Verbond in de jaren 1924-1939.

L: Onze Stem. Orgaan van het Indo-Europeesch Verbond, 10-3-1939, pp. 218-237 [Herdenkingsnummer]; Onze Courant, 1-3-1939 [Extra editie]; J.Th. Petrus Blumberger, De Indo-Europeesche beweging in Nederlandsch-Indië (Haarlem 1939); Herdenkingsnummer 35-jarig bestaan Gabungan Indo Ubntuk Kesatuan Indonesia, 1919-1954 (Batavia 1954), 54-57; P.W.J. van der Veur, Introduction to a socio-political study of the Eurasians of Indonesia (Ann Arbour 1955); Agus Daruch, De nationalistische beweging onder de Indo- Europeanen (Djakarta 1957) 31, 59; G. van Neijenhof, Het leven en werken van Dick de Hoog, de 'grote' voorman van het IEV [Onuitgegeven doctoraalscriptie geschiedenis, Universiteit Utrecht, 1993]; Ulbe Bosma, Karel Zaalberg. Journalist en strijder voor de Indo (Leiden 1997); Hans Meijer, 'Het grafmonument van Dick de Hoog (1881-1939)', in Moesson. Onafhankelijk Indisch Tijdschrift 44 (2000) 8 (febr.) 22-25; Hans Meijer, In IndiĆ« geworteld. De twintigste eeuw (Amsterdam 2004).

I: Ulbe Bosma, Karel Zaalberg. Journalist en strijder voor de Indo (Leiden 1997) 390

Hans Meijer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013