Jong, Aaltje de (1885-1943)

 
English | Nederlands

JONG, Aaltje de (1885-1943)

JONG, Aaltje de, vakbondsbestuurster en politica (Amsterdam 18-12-1885 - Sobibor (Polen) 9-7-1943). Dochter van Levie de Jong, diamantslijper, later melkslijter, en Sara Serlui.

afbeelding van De Jong, Aaltje

Aaltje de Jong groeide met drie broers en een zuster op als de middelste in een vroom asjkenazisch arbeidersgezin in de Amsterdamse jodenbuurt. Op de openbare lagere school bleek zij een goede en ijverige leerlinge, maar van de geadviseerde vervolgopleiding tot onderwijzeres kon geen sprake zijn. Door de verslechterende financiële omstandigheden thuis moest zij op haar dertiende gaan meeverdienen. Aaltje ging werken in de kledingbranche, waar ze opklom tot volleerd kostuumnaaister. Zij maakte kennis met de afmattende lange werkdagen, het vele overwerk en de hongerlonen, en deze ervaring maakte haar allengs minder ontvankelijk voor de fel antisocialistische opvattingen van haar ouders. Langzaam maar zeker groeide haar politieke en maatschappelijke bewustwording, mede onder invloed van haar oudste broer, Samuel, die de sociaal-democratische opvattingen was toegedaan.

In december 1904 werd De Jong op haar eigen atelier geconfronteerd met het ontslag van een naaister die het excessieve overwerk waartoe zij gedwongen werd, had aangegeven bij de arbeidsinspectie. Samen met haar collega's koos ze toen partij voor deze vrouw, waarbij zij overtuigend steun kregen van de Naaistersvereeniging 'Allen Eén'. Voor de toen negentienjarige De Jong vormde deze gebeurtenis de aanleiding zich in januari 1905 als lid van deze vereniging aan te melden. Daarmee werd zij tegelijkertijd lid van de overkoepelende Nederlandsche Bond van Mannelijke en Vrouwelijke Arbeiders in de Kleedingindustrie en Aanverwante Vakken, kortweg: de Bond in de Kleedingindustrie.

De Jongs houding en inzet maakten kennelijk indruk, want al snel werd zij gekozen tot tweede voorzitter van 'Allen Eén'. In 1906 zat zij namens de naaistersvereniging als tweede 'secretaresse' in het tienkoppige landelijke hoofdbestuur van de Bond. Het maken van notulen van de hoofdbestuursvergaderingen - die in het bondsblad Het Kleedingbedrijf werden afgedrukt - was een van haar taken. Haar eerste notulen van 25 maart 1907 ondertekende zij voluit met 'Alida de Jong', en zo wilde zij voortaan heten, zowel in het openbaar als privé. Voorlopig combineerde zij haar vrijwilligerswerk voor de Bond met het werk als kostuumnaaister op verscheidene ateliers. Intussen was zij eind 1906 - na afloop van een toespraak van de socialistische voorman P.J. Troelstra - lid geworden van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en van de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs (SDVC) in Amsterdam.

Als vakbondsbestuurster gaf De Jong op velerlei wijze blijk van haar overwicht en kundigheid, onder andere door haar bemoeienis met de Tentoonstelling van Huisindustrie in 1909, haar strijd voor de achturige werkdag en het kiesrecht en haar bemiddeling in een stakingsconflict in een bloezenatelier op de Oude Schans in 1912. In de zomer van het laatstgenoemde jaar trad zij in dienst van haar Bond als 'bezoldigd penningmeesteresse' voor de halve werktijd, in 1914 omgezet in een fulltime baan. Zij was daarmee de eerste vrouw in Nederland die voor haar vakbondswerk werd betaald.

Al deze jaren woonde De Jong nog in het ouderlijk huis, inmiddels aan de Nieuwe Kerkstraat, waar haar vader in 1908 een kleine melkslijterij was begonnen. Zij waardeerde het gezinsleven. Veel tijd ging echter op aan zelfstudie, ondersteund door onder meer cursussen boekhouden, administratieve kennis en Duits. Zij las graag en bezocht toneelopvoeringen en concerten. Haar vakbondsnaaisters gunde zij hetzelfde. 'Ons ontwikkelings- en ontspanningswerk' had haar voortdurende aandacht (Het Kleedingbedrijf, 28-3-1931).

Inmiddels bleef De Jong stijgen in de vakbondshiërarchie. Zij was nauwgezet in het cijferwerk en een overtuigend en inspirerend spreekster. Bekend werden haar vurige straattoespraken tot de stakers van de grote staking in de Amsterdamse confectie-industrie in het najaar van 1912. Tijdens de Eerste Wereldoorlog profiteerde de kledingbranche van mobilisatieopdrachten en het wegvallen van de buitenlandse concurrentie. Onder deze omstandigheden wist zij - via door haar geleide acties in 1916 en 1917 - loonsverhogingen, ziekte-uitkeringen en enkele vakantiedagen per jaar te bewerkstelligen voor leden werkzaam in het Amsterdamse dameskledingbedrijf. In 1918 werd zij secretaris van de afdeling Amsterdam van de Bond, en van 1920 tot 1928 maakte ze, als vierde lid, deel uit van het dagelijks bestuur van de Bond.

Ook buiten haar eigen Bond nam De Jongs prestige toe. Zo werd zij in 1916 opgenomen in het bestuur van de Amsterdamse Bestuurdersbond, het overkoepelende orgaan van de Amsterdamse bonden die waren georganiseerd in het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV). Op het in datzelfde jaar gehouden NVV-congres maakte haar hartstochtelijke pleidooi voor de organisatie van vrouwen grote indruk, óók op de mannen in het bestuur. Toch zou het nog tot 1930 duren voordat haar woorden werden omgezet in daden, want toen pas installeerde het bestuur van het NVV de Permanente Commissie ter bevordering van de organisatie van Hoofd- en Handarbeidsters, met De Jong als secretaris. In haar eigen Bond hamerde zij eveneens onophoudelijk op georganiseerde samenwerking om de werkomstandigheden van naaisters in de confectiebranche te verbeteren. Daarbij legde zij er de nadruk op dat de arbeidsters zich 'als vrouwen' zouden moeten organiseren om hun eigen doelen te bereiken. Niet voor niets plaatste zij bovenaan de door haar geschreven brochure In het groote Leven! (1932) het motto: 'Ook voor arbeidsters zonder organisatie geen verbetering!'

De Jong ontwikkelde een autoritaire stijl van leidinggeven en onderhandelen, die bij sommigen weerstand opwekte. Ze werkte echter in een door mannen gedomineerd beroep. Door haar ferme optreden hield zij zich staande en werd er naar haar geluisterd. Een foto uit 1912 van de Algemene Vergadering van het hoofdbestuur van NVV toont deze strijdbare jonge vakbondsvrouw, met opgestoken haar en gekleed in een witte blouse onder een reform-overgooier, als enige vrouw in een gezelschap van louter mannen. Reformkleding gold toen als uiterlijk teken van maatschappijkritische opvattingen.

De Jong beantwoordde niet aan het vrouwelijke schoonheidsideaal. Haar latere forse postuur en het brede gezicht met volle lippen en zware, naar elkaar toe groeiende wenkbrauwen leverden dankbare details voor cartoonisten. Naar verluidt had zij last van baardgroei. Kleding beschouwde De Jong als een sociaal visitekaartje. Latere foto's laten zien dat zij zich, naarmate ze ouder werd, onopvallend kleedde volgens de gangbare mode, met een voorkeur voor donkere jurken met witte kanten kragen.

Voor De Jong waren vakbondswerk en politiek - hoewel nauw gerelateerd - twee gescheiden terreinen. Bij arbeidsconflicten ging zij pragmatisch te werk. In onderhandelingen met werkgevers telde het directe resultaat. Zij nam genoegen met het uiterst haalbare. In de landelijke politiek ging het haar evenwel om bredere doelstellingen. Haar nuchtere socialisme steunde op gemeenschapszin en saamhorigheid. Zij was, kortom, tegen de kapitalistische samenleving en voor een betere, socialistische, niet-communistische maatschappijvorm.

Als districtbestuurder van de afdeling Amsterdam van de SDAP (1927-1929) en als lid van de SDVC liet De Jong van zich horen. Van 1927 tot 1935 profileerde zij zich als trotse arbeidersdochter en arbeidster in het bestuur van de Amsterdamse afdeling van de SDVC naast niet-proletarische vrouwen als doktersdochter Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom, de echtgenote van wethouder F.M. Wibaut. De Jong droeg haar ideeën over de verbetering van de positie van de vrouwelijke arbeider - onder meer door vrouwenkiesrecht en de achturige werkdag - uit in het SDVC-orgaan De Proletarische Vrouw. Blad voor Arbeidsters en Arbeidersvrouwen en in het in het bondsblad Het Kleedingbedrijf.

De Jongs faam breidde zich uit. Na al vanaf 1925 op de kandidatenlijst van de SDAP voor de Tweede Kamer te hebben gestaan, bezette zij daar van 29 september 1931 tot 9 mei 1933 een tussentijds vrijgekomen zetel. Bij haar installatie viel zij op door haar schitterende, speciaal voor deze gelegenheid vervaardigde japon van rood-zwarte moiré. De Jong was toen de derde SDAP-vrouw in de Tweede Kamer, maar de eerste vrouwelijke parlementariër van arbeiderskomaf. Zij bewerkstelligde in 1932 de verlaging van de leeftijdsgrens voor het toekennen van steun aan alleenstaande jonge vrouwen. Op 8 juni 1937 kwam zij door rechtstreekse verkiezing in de Tweede Kamer. Ondertussen nam zij op 3 september 1935 zitting in de Amsterdamse gemeenteraad, waar zij in 1939 voorzitter van de SDAP-fractie werd. Zowel in de Kamer als in gemeenteraad maakte De Jong zich sterk voor arbeidstijdverkorting voor groepen werknemers die niet onder de Arbeidswet vielen, voor herscholing van werklozen en voor verhoging van de leerplichtige leeftijd. Kernachtig sprak zij zich bovendien uit tegen het opkomende fascisme.

De Jong onderstreepte haar beroepsmatige en sociale stijging met een eigen woning en een auto, die ze bekostigde met een deel van haar salaris als Kamerlid. In het middenstandshuis in Amsterdam-Zuid dat zij al in 1928 had gehuurd, woonde ze aanvankelijk alleen. De Jong bleef ongehuwd: een intieme relatie in de jaren dertig met een getrouwde collega uit de metaalbewerkersbond werd verbroken. Broer Jaap en zuster Nanette trokken na de dood van hun vader en moeder - respectievelijk in 1929 en 1930 - bij haar in. Nanette, een uitstekende kokkin, kreeg de leiding over keuken en huishouding. Zij verwende haar zuster, die altijd al had gehouden van goed eten en drinken.

Bij De Jong en haar broer en zuster speelden het jodendom, de joodse spijswetten en levensregels geen rol van betekenis meer. Haar levenseinde had echter alles te maken met haar geboorte als jodin. Tijdens de Duitse bezetting dook ze niet onder. Zij voelde zich solidair met haar zuster - Jaap was in 1941 overleden - en met de joodse naaisters van haar Bond die niet konden vluchten. Bij de razzia in Amsterdam-Zuid van juni 1943 werden de gezusters De Jong opgepakt en gedeporteerd. Een maand later werden zij in het vernietigingskamp Sobibor vergast.

Alida de Jong was een opmerkelijke persoonlijkheid. Deze arbeidersdochter, geschoold op de werkvloer en autodidact, ontpopte zich als een kundige en vooral gedreven vakbondsbestuurster. In deze rol bevocht zij voor 'haar naaisters', de werkneemsters in de kledingindustrie, een eigen plaats in de vakbeweging.

P: Geregelde bijdragen (o.a. onder de titel 'Amsterdamse kroniek') in: Het Kleedingbedrijf. Orgaan van den Nederlandschen Bond van Mannelijke en Vrouwelijke Arbeiders in de Kleedingindustrie en aanverwante vakken. Hierin onder het pseudoniem 'Mies' de autobiografische 'Brieven van een costuumnaaister' (nrs. I - VI, sept.-dec. 1924); bijdragen in: De Proletarische Vrouw. Blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen. Hierin o.a. de oproep 'Die domme meisjes op ateliers' (nr. 5 (mrt. 1907)); Van de school in de organisatie. Uit het leven van een arbeidster. Een woord tot alle arbeidsters werkzaam in het kleedingbedrijf en aanverwante vakken [Brochure] (Amsterdam 1926).

L: Peter-Paul de Baar, Alida de Jong. Een vakbondsvrouw van voor de oorlog (Amsterdam 1985); idem, lemma in Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland I (Amsterdam 1986) 52-54.

I: Peter-Paul de Baar, Alida de Jong. Een vakbondsvrouw van voor de oorlog (Amsterdam 1985) omslag [foto: Archief het Vrije Volk Rotterdam. Alida de Jong op 1 mei 1928 (?)].

Tina Hammer-Stroeve


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013