Kappeyne van de Coppello, Annelien (1936-1990)

 
English | Nederlands

KAPPEYNE VAN DE COPPELLO, Annelien (1936-1990)

KAPPEYNE VAN DE COPPELLO, Annelien, politica en staatssecretaris (Loenen aan de Vecht 24-10-1936 - Leiden 23-2-1990). Dochter van Nicolaas Johannes Cornelis Marie Kappeyne van de Coppello, bankdirecteur, later advocaat en procureur, en jkvr. Theodora Elisabeth Catharina Maria van Panhuijs. Gehuwd op 21-6-1988 met Hillebrand Folkert de Groen (1924-2002), journalist. Zij hadden 1 pleegdochter.

afbeelding van Kappeyne van de Coppello, Annelien

Samen met twee oudere broers groeide Annelien Kappeyne van de Coppello op in het gehucht Oud-Over bij Loenen aan de Vecht. Haar vader was aanvankelijk bankier, maar vestigde zich in 1951 als advocaat en procureur in Amsterdam. Ofschoon haar moeder van remonstrantsen huize was, speelden religie en kerk in het gezin nauwelijks of geen rol. Nadat zij in 1955 aan het Stedelijk Gymnasium in Utrecht het diploma gymnasium-A had behaald en vervolgens een jaar in het Zwitserse Lausanne had gewerkt, begon Kappeyne van de Coppello in 1956 haar rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Een actief lidmaatschap van de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten Leiden, maar ook deelname aan het zogeheten Studentenparlement en andere activiteiten waren er de oorzaak van dat zij pas na bijna tien jaar, op 28 februari 1966, het doctoraalexamen Nederlands recht aflegde.

Kappeyne van de Coppello's belangstelling voor politiek werd tijdens haar studie versterkt door het bijvak Nederlandse parlementaire geschiedenis, door bezoeken aan de Tweede Kamer en door de ontwikkelingen rond de bouw van de Berlijnse Muur in 1961. Een jaar later werd Kappeyne van de Coppello lid van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD), omdat - zo motiveerde zij later haar keuze - 'ik denk dat ik qua karakter en persoonlijkheidsstructuur een liberaal ben' (Wijgh).

Na haar afstuderen had Kappeyne van de Coppello van september 1966 tot juni 1972 voor de VVD zitting in de gemeenteraad van Leiden, de stad waar zij haar gehele leven zou blijven wonen. Terzelfder tijd vond zij een betaalde werkkring als fractiemedewerkster van de VVD in de Tweede Kamer en van 1969 tot 1971 was zij adjunct-secretaris van de Kiesraad, onder meer het belangrijkste adviesorgaan van regering en parlement met betrekking tot kiesrecht en verkiezingen. Van oktober 1973 tot september 1974 was zij opnieuw lid van de Leidse gemeenteraad.

De laatstgenoemde functie combineerde Kappeyne van de Coppello enige tijd met het lidmaatschap van de Tweede Kamer, waar zij op 11 mei 1971 zitting nam. Zij trad hier vooral op als fractiewoordvoerster voor binnenlandse zaken, justitie en cultuur. Na een onopvallende beginperiode verwierf zij bij een groter publiek bekendheid door haar optreden in november 1976 tijdens het Kamerdebat over de 'Menten-affaire'. De kunsthandelaar P.N. Menten, die verdacht werd van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden in het door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog bezette Polen, bleek aan de vooravond van zijn arrestatie naar het buitenland te zijn uitgeweken. De verantwoordelijke minister van Justitie, A.A.M. van Agt - lid van de Katholieke Volkspartij - , werd verweten dit dossier niet tijdig en adequaat te hebben behandeld. Hij moest zich in de Tweede Kamer tegen scherpe kritiek verdedigen, waarbij hij, mede door een slechte voorbereiding op het debat, een zwakke indruk achterliet. Namens oppositiepartij VVD legde Kappeyne van de Coppello - in een voor haar karakteristieke pose met één hand in de zij - de zwakke plekken in Van Agts handelwijze bloot. Tevens concludeerde zij 'dat hij niet voldoende politiek gevoel [had]' (Jansen). Op professionele waarnemers van het debat maakte zij met haar koele, zakelijke analyse indruk, maar zij ontving ook brieven van burgers die haar optreden tegen een dienaar van de Kroon onoorbaar en weinig vrouwelijk vonden.

Bij Kappeyne van de Coppello's felle kritiek op Van Agt speelden ook vorige ervaringen met deze minister een rol, in het bijzonder diens repressieve optreden jegens de abortuskliniek 'Bloemenhove' in Heemstede in 1974 en begin 1976. Kappeyne van de Coppello was een overtuigd voorstander van het legaliseren van abortus, en met die opvatting stond zij diametraal tegenover Van Agt. Toen zij bij de formatie van het kabinet-Van Agt-Wiegel (1977-1981) - een coalitie van christen-democraten en de VVD - voor het staatssecretariaat van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk werd gepolst, weigerde Kappeyne van de Coppello beslist. Alleen al de gedachte 'onder' beoogd minister-president Van Agt te moeten werken, kon zij niet verdragen.

Kappeyne van de Coppello beoefende eigenlijk ook liever het politieke handwerk in de Tweede Kamer, waar zij vanaf eind december 1977 als vice-fractievoorzitter optrad. Daarbij leidde de omgang met menige partijgenoot overigens tot de nodige wrijvingen. Het abortusvraagstuk, dat voor haar een onvervreemdbaar zelfbeschikkingrecht van vrouwen was, maar ook bijvoorbeeld het minderhedenbeleid kregen als 'echte' liberale thema's naar de mening van Kappeyne van de Coppello in deze jaren ten onrechte veel minder aandacht dan sociaal-economische vraagstukken. Het 'conservatief materialisme' (Geudeker) dat de VVD vanaf het aantreden van H. Wiegel als fractieleider en politiek aanvoerder in 1971 kenmerkte, vervulde haar met zorg. Ook na Wiegels vertrek naar het kabinet in 1977 bleef de partij prioriteit aan materiële zaken geven.

Kappeyne van de Coppello ontpopte zich als een pleitbezorger voor handhaving van het bestaande kiesstelsel van de evenredige vertegenwoordiging en keerde zich tegelijkertijd tegen invoering van een (beperkt) districtenstelsel, omdat dit in haar ogen de essentie van het Nederlandse staatsbestel zou ondergraven. Ook een grondwettelijke regeling van het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam lag haar na aan het hart, mede met het oog op het te verwachten effect op de discussie rond levensvraagstukken als euthanasie en orgaandonatie. Opvallend was dat Kappeyne van de Coppello bij het verkrijgen van steun voor haar ideeën - vooral op immaterieel gebied - zich meer dan eens op de Partij van de Arbeid (PvdA) richtte, wat in deze jaren van sterke polarisatie allerminst gebruikelijk was. Van de socialisten verwachtte zij meer steun dan van coalitiepartner Christen-Democratisch Appèl (CDA) of zelfs van haar eigen fractie.

Kappeyne van de Coppello's laatste zittingstermijn - vanaf 1977 - verliep niet zonder strubbelingen. Had zij van Wiegel nog de nodige ruimte gekregen om haar gedachten en plannen uit te dragen, met diens opvolger als fractievoorzitter, J.G. Rietkerk, was de samenwerking stroef, mede een gevolg van beider rechtlijnige karakters. Maar ook andere partijgenoten vonden haar optreden meer dan eens 'eigenzinnig' en soms zelfs 'drammerig'.

Na vier jaar stelde Kappeyne van de Coppello zich niet opnieuw kandidaat voor een Kamerzetel. Zij gaf aan na tien jaar een zekere 'metaalmoeheid' te ervaren. Maar ook het feit dat het partijcongres van de VVD in maart 1981 serieus wilde gaan discussiëren over de herinvoering van de doodstraf - die zij juist formeel wilde afschaffen - en de afwijzing door datzelfde congres van het voorstel in Nederland verblijvende buitenlanders stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen te verlenen, sterkten haar in dit besluit. Dat Kappeyne van de Coppello inmiddels haar eigen fractie wel in meerderheid voor het buitenlanderskiesrecht had weten te winnen, kon niet verhinderen dat zij voor een plaats op de kandidatenlijst bedankte. Voor haar was dit zo'n principiële kwestie dat zij er persoonlijke consequenties aan verbond. Op 19 juni 1981 verliet zij de Kamer

In mei 1981 trad Kappeyne van de Coppello namens de Veronica Omroep Organisatie - de voortzetting van een voormalige piratenzender, waarvan zij tot verbazing van velen lid was - toe tot de Raad van Beheer van de Nederlandse Omroepstichting (NOS). Daar beheerde zij de portefeuilles personeelszaken en facilitair bedrijf. De vergader- en besluitencultuur in de omroepwereld waren evenwel compleet anders dan de Haagse politieke mores. 'Wat [in Hilversum] besloten was, kon de volgende dag weer worden herroepen of werd gewoon niet uitgevoerd. Het was veelal verplaatsen van lucht', zo stelde zij vast (Jansen (1990)), zodat spijt over haar vertrek uit de politiek al spoedig de overhand kreeg.

Haar afscheid van het Binnenhof bleek uiteindelijk niet definitief. Op 8 november 1982 trad Kappeyne van de Coppello toe tot het eerste kabinet-Lubbers - een coalitie van CDA en VVD - als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onder minister J. de Koning was zij belast met onder meer de emancipatie van vrouwen, arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorziening voor bijzondere groepen. Ofschoon zij nooit innige banden met de vrouwenbeweging zou krijgen - 'Dat mekaar als zusters beschouwen, dat zie ik nog niet zo één, twee, drie' (De Rijk) - , zette Kappeyne van de Coppello zich op haar wijze voor emancipatievraagstukken in. Die manier, nuchter en zakelijk, paste het beste bij haar, maar die manier zag zij daarnaast ook als de aangewezen weg om het beleid voor een meerderheid van het parlement en onder de burgers aanvaardbaar te maken.

Het moet Kappeyne van de Coppello grote voldoening hebben gegeven dat een van haar afkomstig initiatief - het opnemen van een passage in de grondwet over de eerbiediging van de integriteit van het menselijk lichaam - in 1983 kon worden verwezenlijkt. Ook het project 'Vrouwen uit minderheden', de Voorlopige nota met betrekking tot het beleid ter bestrijding van sexueel geweld tegen vrouwen en meisjes uit 1983 en het in het kabinet heftig bediscussieerde Beleidsplan Emancipatie uit 1985 (geïnitieerd door haar ambtsvoorganger H. d'Ancona) kregen een goede ontvangst. Op het gebied van wetgeving mag het opnemen van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene Ouderdomswet (AOW) en andere volksverzekeringen worden genoemd, die zij samen met L. de Graaf, haar collega-staatssecretaris op het ministerie van Sociale Zaken, had voorbereid.

Nadat het kabinet-Lubbers op 14 juli 1986 zijn termijn had volgemaakt, keerde Kappeyne van de Coppello niet terug in een nieuw ministerie. Op 1 maart 1988 nam zij zitting in de Raad van State, waar ze haar oude stiel - het staatsrecht - in de afdeling geschillen van bestuur weer kon oppakken en waar zij zich buitengewoon op haar plaats voelde. Persoonlijk geluk, in de vorm van een relatie met de twaalf jaar oudere journalist Hille de Groen en de zorg voor een voormalige collega uit de NOS-periode, die ze als haar pleegdochter beschouwde, was echter niet van lange duur. Kort na haar toetreden tot de Raad van State werd er bij haar kanker vastgesteld, waaraan zij nauwelijks twee jaar later, op 53-jarige leeftijd, zou overlijden.

De bijnaam 'Rooie Annelien' bleef Kappeyne van de Coppello gedurende haar gehele leven achtervolgen. Die sloeg in de eerste plaats op de kleur van haar haar. In Den Haag kreeg deze benaming echter een meer symbolische betekenis vanwege haar progressief-liberale opvattingen en haar standpunt dat de PvdA niet op voorhand als coalitiepartner van de VVD moest worden uitgesloten. Kappeyne van de Coppello was een gedreven politica, die op voor haar essentiële en principiële momenten - zoals bij het abortusvraagstuk - niet tot het sluiten van compromissen bereid was. Daarvoor ontmoette zij niet altijd begrip, en soms deed het haar zelfs enigszins in een isolement belanden. In haar partij nam zij een volstrekt onafhankelijke positie in, die haar, uit onvrede over het uitblijven van steun en zelfs wezenlijke belangstelling voor door haar aangedragen thema's, in 1981 zelfs deed besluiten de actieve politiek vaarwel te zeggen. Ondanks de problemen die zij soms met haar partij - en de partij met haar - had, voelde zij zich (vooral) als parlementariër als een vis in het water.

A: Archivalia deels in familiebezit, deels in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties: samen met G. Traest, De parlementaire enquête in België en Nederland (Zwolle 1978); 'Het recht van enquête', in Het parlement in aktie. Bevoegdheden van de Staten-Generaal. Onder red. van H.M. Franssen (Assen 1986) 63-85. Een uitvoerig overzicht van publicaties van Kappeyne van de Coppello in de onder L genoemde doctoraalscriptie van Geudeker.

L: Naast necrologieën o.a. in de Volkskrant, 24-2-1990, door Jaap Jansen, in Elsevier, 3-3-1990, door Len Rempt-Halmmans de Jongh, in De Liberale Vrouw (apr. 1990) en door Cisca Dresselhuys, in Opzij (apr. 1990): interview door Jet Kunkeler, in De Tijd, 26-11-1976; interview door Martijn de Rijk, in Haagse Post, 23-9-1978; interview door J. van Tijn, in Vrij Nederland, 24-2-1979; interview door Hanneke Wijgh, in Trouw, 31-3-1979; interview door Merel Laseur, in NRC Handelsblad, 20-12-1980; interview door Hans Verstraaten, in Haagse Post, 12-3-1983; interview door Jaap Jansen, in Elsevier, 24-12-1988; M.J. Geudeker, Annelien Kappeyne van de Coppello. Een politieke biografie van een 'ware liberaal' [Ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam] (Amsterdam 1996) [Bevat een uitvoerig overzicht van publicaties over Kappeyne van de Coppello]; H.J.L. Vonhoff, Liberalen onder één dak. VVD 50 jaar liberale vereniging ('s-Gravenhage 1998) 192-194; Martijn van der Kooij, Annelien Kappeyne van de Coppello. Strijdvaardig en eigenzinnig (Wageningen 2006).

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Foto: Verhoeff; Collectie ANEFO: Kappeyne van de Coppello tijdens het zogeheten 'Menten-debat' in de Tweede Kamer op 18 november 1976].

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 6
Laatst gewijzigd op 12-11-2013